„Hunne touwen.”
Laat ODS hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. Psalm 2:3.
Met „touwen" werd de var als offerdier tot aan de hoornen van 't altaar gebonden; omdat de var in het sterven geen lust had en geen offerdier zijn wilde.
Duidt zoo het „met touwen gebonden zijn" reeds bij het dier op een gedwongen worden tegen zijn wil, nog sterker spreekt dit bij den mensch. Simson, de held Gods, rukt, zoo lang zijn kracht in hem is, de zeelen wel stuk; maar eindelijk, als zijn kracht wijkt, is ook hij door de touwen waarmee men hem gebonden had, de machtelooze. En in het lied Hamaaloth (129) wordt dit zelfs op heel Israël overgedra gen. „Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israël, maar de Heere heeft de touwen der goddeloozen afgehouwen."
Doch wat heet het nu, als een kreet van opstand uit de volken opklimt, en het geroep uitgaat: „Laat ons hunne touwen van ons werpen"? Wie zijn dan die hunne ? Wat wil men dan met die touwen} En waarom moeten die touwen dan worden weggeworpen?
De pyalm zelf geeft het antwoord. Met die hunne is de Almachtige God en zijn gezalfden Koning bedoeld. Wat hier touwen genoemd worden, zijn de heilige ordinantiën van God en zijn Christus. En die ordinantiën Gods moeten opzij geworpen, omdat het creatuur zich aan zijn Schepper wil ontrukken. Vóór alles emancipatie beoogt. En vrij wil zijn, vrij als 't kan van de natuurmacht, vrij vanmenschen, maar boven alles en vóór alles vrij van God.
Wat koorden der hefde zijn, waarvan de psalmist zingt: „hoe uw geboón mij tot uw liefde wekken", dat noemt de opstandige mensch touwen, waarmee God hem omstrikt wil houden; touwen der slavernij die hij zich van den hals schudt; geweld hem aangedaan; geweld, waartegen hij zich keert met' al de kracht die in hem is.
Zoo ligt in de uitdrukking van „hunne touwen" op s^ichzelf reeds de revolutie kreet.
Het is de .aensch die in zijn hoogheid zelf Opperheer en Koning wil zijn, en daarom geen God en geen Gezalfde Gods boven zich kan dulden, en deswege alle banden van Gods zedelijke wereldorde verfoeit als „touwen", waarmee men den booswicht in bedwang houdt, of den woestaard bindt.
Dat God en zijn Christus met zedelijke verordeningen in dit werelaleven ingrijpen, en eischen dat de mensch zich aan die ordeningen onderwerpen zal, dat is de gruwel der verne dering, die den vrijen mensch onwaardig is, en waartegen al wat als mensch zich hoog voelt • in moet gaan.
Die banden moeten verscheurd, die touwen moeten afgeworpen.
Zijn eigen heer en meester te zijn, en geen heer langer in een God en geen meester meer in den Christus te erkennen, ziedaar voor het wereldkind het hem tot overmoed prikkelend ideaal.
Het touw is een band. die den woesteling van buiten wordt aangelegd. Wie zedelijk bestaat, kent ook een band, maar een band dien hij inwendig klemmen voelt in zijn conscientie.
De , fiand van binnen" aldus is Gods heilige ordins-ntie voor het engelenkeir en voor zijn menschenwereld,
Die band is het innerlijk zielsbesef, die band is het zedelijk zelfbewustzijn, die band is eigen eergevoel en schaamte, die band is vrije zelfbeheersching, is de heerschappij over zijn neigingen en hartstochten. En de knoop, die dezen band vastlegt, is het Godvruchtig zelfbedwang der conscientie.
Zóó is het in het heir der goede engelen, wier lust het is op (iods wenk te staren en die pereed staan lot bet volbrengen van zijn wil. Zóó is het ook in de rijen der gezaligden in den hemel, die geen anderen hartstocht kennen, dan om in het werk huns Gods bezig te zijn en zijn Christus te verheerlijken. Zóó was het in het paradijs, toen de pas geschapen mensch nog aan zijn God vasthield. Ea zoo is het ten deele reeds weer op aarde in de kringen der ver losten, die als nieuwgeboren kinderen bij dag en bij nacht zich vermaken in zijn heilige wet.
Geen uitwendig bedwang, geen uitwendig ge weid is dan noodig. De band trekt dan van binnen, en het is als vrijgemaakte, dat de herboren mensch in den weg zijns Gods wandelt.
Maar dit alles keert zich om, als er breuke tusschen het creatuur en zijn Schepper komt.
De sterke, gezonde man loopt op eigen voeten, de halfverlamde sukkelt op uitwendig aangebrachte krukken voort.
Wie gezond van zinnen is, kiest zelf zijn weg uit eigen aandrift, de waanzinnige moet bedwongen worden, opdat hij zichzelf en anderen niet schade.
Wie helder van oogen is, ziet zelf voor zich uit op zijn pad, de blinde moet door een ander geleid worden.
De gezonde staat zelf op van zijn legerstede, de kranke wordt door den verpleger verschoond en verbed.
Altoos dezelfde tegenstelling. In het normale, gezonde leven eigen daad en vrijheid van beweging, maar in abnormalen toestand van krankheid, blindheid of waanzin, hulpe van buiten, een band uitwendig aanbracht; de onvrije door banden geleid.
En niet anders is het op geestelijk gebied. Zoolang het van binnen goed is, bezit de mensch in zichzelf alle band en kracht voor normale ontwikkeling. Hij weerstaat de verleiding. Zijn hartstocht mag opbruisen, maar verlokt hem niet. Hij is zichzelf een wet en draagt de wet Gods in zijn binnenste. En niet tegen die wet in te gaan, maar naar die wet te wandelen, is zijns harten lust en zijn zielsvergenoegdheid.
Doch dan ook omgekeerd, week hij in zijn binnenste van Gods ordinantiën af, brak hij ic zijn conscientie met de wet zijns Heeren, dan wordt het gebod zijns Gods hem een hinder, dan woelt het in hem om zich van die wet zijns Gods vrij te maken. Dan voelt hij die geboden zijns Gods als zeelen en touwen, die hem omknellen en hem in bedwang houden, en dan is in hem maar één streven, om aan die banden te ontkomen, die banden te verscheuren. En dan wordt het één roepen in zijn opstandig hart, om die touwen van God en zijn Christus van zich te werpen.
Nu is dit booze standpunt in den Christen overwonnen, althans wat het beginsel en het uitgangspunt betreft.
Met den kreet van opstand tegen zijn God stemt hij niet in; veeleer verfoeit hij dien en poogt dien tot zwijgen te brengen.
Maar ge vergist u, zoo ge waant, dat daarom hetzelfde kwaad in u en in uw huis niet meer nawerkt.
Zelfs de allerheiligste brengt het in dit leven niet dan tot een klein beginsel van de Godgewijde gehoorzaamheid; en elk onzer ondervindt het gedurig nog, hoe er allerlei in hem opwelt, dat voor God niet bestaan kan, en wat tegen het gebod zijns Gods indruischt.
Soms kan dit zelfs tot pijnlijke zonde prikkelen, maar in den regel dient zich deze weerstand in het kleine, schijnbaar nietige en onbeduidende aan.
Egoïsme is zonde, en God verfoeit dit kwaad, ea stelt er het gebod der toewijding en der liefde tegenover. Maar zie nu eens, wat strijd het vaak kost, om de liefde over de zelfzucht te doen zegevieren, en hoe dikwijls dat gebod der liefde ondervonden wordt als een hinderlijk koord, ons uitwendig aangelegd, waar we o, zoo gaarne ons aan onttrekken zouden.
De zinnen waken op, en ge weet zeer wel, dat God tegen dien dienst der zinnen zijn ge bod van heiligheid, matigheid en zelfbeheersching o verstelt. Maar ook al is het, dat Gods gebod in u triomfeert, hoe diep woelde onder dat alles de zucht door, of ge van dat strenge gebod mocht ontslagen worden, en aan uw zinnen botvieren.
Drift, humeur, trots, hoogheid, bitterheid van taal en toorn. God veroordeelt ze, en, Hem zij lof, gij komt ze te boven; maar hoe lang duurde niet vaak de worsteling eer ge overwonnen hadt, en. hoe vaak hebt ge niet eerst het gebod uws Gods, dat tegen u inging, ondervonden en ondergaan als een koord, dat ge van u wildet werpen.
Geld en goed prikkelt, prikkelt tot sluwe berekening, tot halve oneerlijkheid, tot hardvochtigheid tegenover de armen, en dan weer tot weelde en overdaad en tot grootmaking vaa uzelven. En nu, het is zoo, ook hier tegenover triomfeert keer op keer het gebod uws Gods, dat u in geldiucht afgodetij leerde zien; maar ook hier sta toch de vraag, hoelang niet soms de worsteling aanhield, eer een belijder van den Christus zeggen kon, van die booze verzoeking vrijgemaakt te zijn, en heer over zijn geld en goed, in plaats van slaaf van zijn bezit geworden te zijn.
Welnu, in dat alles keert altoos het oude kwaad terug.
Het is altoos weer, dat de band van binnen nog onzuiver werkt; dat we het gebod onzes Gods nog niet in ons ingewand verzegeld heb ben; dat daarom uit ons menschlijk wezen de wet des vleesches in plaats van de wet des Geestes opwerkt; en dat we dientengevolge het gebod onzes Gods ervaren als een uitwendige macht, die zich om ons slingert als een koorde die ons omknelt en in onzen gang belemmert, ja als een touw dat ons hindert, dat ons tegenhoudt, en dat we van ons willen werpen.
En daarom, wie den geest van opstand tegen zijn God en zijn Christus bezweren wil, heeft tweeërlei roeping:
De roeping om te getuigen tegen den kreet van oproer, die uit de wereld tegen God opgaat. Maar ook, en niet minder, de roeping, om in eigen huis en eigen hart het verzet te breken, dat nog altoos tegen die ordinantiën Gods opkomt.
De wet Gods in uw hart, dat is het groote middel, waardoor de vrijgemaakten des Heeren glorie toebrengen aan het hoog gezag van God en zijn Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 januari 1905
De Heraut | 4 Pagina's