GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Mijne oogen zijn bestendiglijk op den Heere”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

„Mijne oogen zijn bestendiglijk op den Heere”

8 minuten leestijd

Mijne oogen zijn bestendiglijk op den Heere, want Hij zal mijne voeten uit het net uitvoeren. Psalm 25 : 15.

In de vertaling van het Te Deum zingt de erk Gods engelen toe: „Onafgebroken rijz', w lied op liooge toonen. Gij, driemaal heilig ijt ge, o God der Legerscharen, dat aard en emel steeds Uw grootheid openbaren."

Onafgebroken, d. i.* zonder ophouden, zonder auze er tusschen in, aldoor, nimmer eindigend limme het lied der eere uit der engelen choren ooi onzen God op.

Dat onafgebrokene, dat bestendige, dat niet afwisselende, maar voortdurend standhoudende is eigen kenmerk van de existentie der wereld voor Gods troon. Er is in het Vaderhuis geen tijd, maar er is eeuwigheid, en daarom is er geen afbreken van het leven in een nacht, is er geen overgang van den morgen op den middag, maar blijft het er een eeuwige morgen. Er is geen stilstaan en weer beginnen. Geen uitscheiden en dan weer aanvangen. Er is geen inter mezzo van rust of verpoozing. Het is één eeuwig wellend en in zich zelf terugkeerend leven, zonder verspilling van kracht en daarom zonder behoefte aan verandering. Er is geen ontwikkeling meer en daarom geen overgang van toestand in toestand denkbaar.

Er is geen afbreking noch stoornis in de vol heid der zaligheid, die eeuwiglijk vloeit en uitstroomt, en daarom drukt dat „onafgebroken" in het Te Deum zoo juist en grijpbaar het merkteeken van het bovenaardsche, van het Godgewijde, van het Koninkrijk der hemelen uit.

En nu klinkt het ons wel wonderspreukig toe, als de apostel ons vermaant: „Bid zonder ophou den, " of „verblijd u ie allen Z'yV/^, " of ookals de psalmist zingt: „Ik stel den Heeie geduriglijk voor mij, " „ik zal dan gedurig bij U zijn, " ot wel: mijne oogen zijn geduriglijk op den Heere, " maar in verband met dien „onafgebroken" toon van het hoogere leven, voelt wie aan Gods verborgen omgang niet vreemd is, van dat geduriglijk, van dat zonder ophouden, van dat te allen tijde toch de heilige klem.

Want let er wel op, „geduriglijk" beteekent somsook wel: „zoo nu en dan." De verpleegster in het hospitaal gaat gedurig de haar toevertrouwde zieken rond. Maar zóó is het hier niet bedoeld. Als de psalmist zingt: „Mijn oogen zijn geduriglijk op den Heere", dan heet dit in het Hebreeuwsch niet „af en toe", _^maar: „aldoor en zonder ophouden".

Het wil zeggen: Mijn zielsoog nooit van mijn God af, maar altoos op mijn Vader in de hemelen gericht.

Het beduidt, dat ge in uw verborgen omgang met uw God, niet uw God in den tijd neertrekt, maar u door uw God in het eeuwige laat opheffen.

Verborgen gemeenschap met uw God is vóórgenieting van wat hemelsch in zijn wezen is. Het is geen muziekinstrument, waaraan ge nu eens de toonen ontlokt, om straks de registers weer toe te schuiven, maar een orgel dat uit zichzelf klank geeft, en dat slechts wacht op uw oor om u zijn hemelsche klanken te doen opvangen.

En zeg nu niet, dat altoos bidden, aldoor in God zalig zijn, zonder ophouden op Hem staren, Hem altoos u voor oogen stellen, en geduriglijk uw oogen op Hem houden, eenvoudig onmogelijk is, want dat uiteraard ons menschelijk leven, dat uw omgeving, dat uw beroep, dat uw levenstaak u dat kortweg verbiedt.

Immers in dien zin opgevat wist èn David én Paulus het ook wel, dat ons leven geen eindelooze devotie en de wereld geen kloostercel is.

Maar zóó is het dan ook noch door den apostel noch door den psalmist bedoeld.

Zeker, er zijn oogenblikken, dat we ons, eenzaam en met God gemeenzaam, op de knieën laten neerglijden, en niets doen dan bidden. Er zijn oogenblikken, dat we ons afzonderen en peinzend of verbijsterd neerzitten, om ons in ons denken aan God te verliezen. Er zijn oogenblikken, dat we al wat tot dit leven behoort van ons afschudden, om alleen in de dingen van het verborgen leven bezig te zijn.

En het moet erkend, voor wie pas begint, is dit veelal de eenige vorm, waarin hij zich het bidden, waarin hij zich zijn omgeving met zijn God, en waarin hij zich het zien op zijn God denken kan.

Het leven van zulk-een is dan nog in twee deelen gedeeld. Een breed zich uitstrekkend leven in de wereld zonder God, en daarnaast een uiterst klein leven met zijn God en buiten de wereld.

Hij heeft dan wel iets van het Koninkrijk der hemelen gegrepen, maar het leven van de wereld is dan toch nog zijn eigenlijke leven, en al§ een oase in de woestijn van dat wereldsche leven komen dan af en toe oogenblikken in, die hij 'aan zijn God wijdt.

En zoolang het zóó staat is er natuurlijk van een bidden zonder ophouden, van een te allen tijde verblijd zijn, van een voortdurend bij zijn God zijn, nog geen sprake.

Het is dan nog geen inwonen bij zijn God, maar een wonen in de wereld, om uit die wereld nu en dan uit te gaan, en zijn God voor een kort oogenblik op te zoeken. Dan bidt hij even. Even denkt hij aan zijn God. En dan is het weer uit. Dan gaan de gesloten oogen weer open voor de wereld, en in het leven van die wereld slijt hij verder den langen dag.

Dat is de existentie van iemand, die van de vier-en-twintig uren die elk etmaal heeft, er acht op zijn legerstede, meer dan vijftien in de wereld doorbrengt, en alles saam genomen nog geen half uur bij zijn God verkeert.

En wel is het door dezulken vaak beproefd, om zich nu en dan een half uur langer in de eenzaamheid terug te trekken, en zich te verliezen in heilige overpeinzing, maar het leven is zoo druk bezet, het rolt zoo rusteloos voort en voort, en maar al te vaak is hem ook in-die oogenblikken van zelf isoleering de verstrooidheid der gedachten nog te machtig, om zich met wilskracht op het heilige terug te trekken.

En teleurgesteld, geeft men het dan zoo licht op.

Neen, dat bestendige, dat onafgebrokene, dat zonder ophouden doorgaande van de gemeenschap met onzen God, hangt niet aan ons denken, en kan niet door onzen wil bereikt worden, maar moet vanzelf opkomen uit de innerlijke beweging van het gemoed.

Ge gelooft, dat ge een tempel van den Heiligen Geest zijt, alzoo dat God in u woont, en dat dus immers het zijn van God nabij u en het zijn van u nabij uw God, vanzelf plaats heeft, onverschillig of gij er aan denkt of het vergeet.

God de Heilige Geest , komt met nu eens even in uw hart, om het straks weer te verlaten.

Er is inwoning. Er is een komen eenmaal, om eeuwig bij u te blijven. En zelfs dan als gij niet bidt, of niet weet te bidden, gelijk het behoort, bidt die God in u met onuitsprekelijke verzuchtingen. Zoo blijft de moeder de wacht aan de sponde van haar pasgeboren wicht waarnemen, al gaat zulks nog geheel buiten het besef van dat kindeken om.

De vraag is dus maar, of de innerlijke gesteldheid van uw gemoed allen; js die heiliging, die ontsluiting voor het Goddelijke bereikt, dat ge gevoel en gewaarwording begint te krijgen van wat er in uw - eigen hart, daar binnen, plaats giijpt.

Eerst leeft ge buiten uw hart, en drijft uw hart geïsoleerd als een oliedrup op de watgyen van uw leven. Maar allengs komt er ontsluiting. Ge begint iets meer met en in uw eigen hart te leven. En als ge diep genoeg in uw eigen hart doordringt, dan vindt ge daar God den Heiligen Geest, die zich uwer ontfermt.

Dit nu brengt u vanzelf tot een leven in twee phasen. Eenerzijds een leven naar buiten en anderzijds een leven naar binnen. Doch al zijn die twee elkaar eerst vreemd, allengs naderen ze elkaar toch, vermengen ze zich en dringen ze in elkaar door. En ten slotte bereikt ge het standpunt, dat het leven van binnen dóórgloeit in heel uw uitwendig .bestaan, en dat innerlijk, we zeggen niet de helder bewuste, maar toch de met de voelhorens van uw ziel gevoelde gemeenschap almeer onafgebroken doorgaat. -

Eerst is dit dan zuivere, heilige mystiek. Niets meer.

Maar ook hierbij blijft het niet.

Ongemerkt toch begint steeds meer ook uw zielsoog de klare werkelijkheid te ontdekken, dat uw God niet alleen woont in uw hart, maar ­ook in het uitwendige leven om u heen de overal tegenwoordige, de alles besturende, de almachtige en de al voorziende Werker is.

Zoo begint ge een oog te krijgen voor een God die in alles, bij alles en door alles op u aandringt.

De toon, die diep uit uw hart opklimt, ontvangt zijn echo, zijn weerklank uit heel het leven, waarin ge uw roeping vervult. Wat vroeger in dat leven u aftrok en op u zelf terugwierp, begint nu met wondere omarming u steeds meer naar uw God toe te trekken. En niet met redeneering, niet met uitgesproken gedachten, maar ia de onmiddellijke gewaarwording van het zielsleven zelf, begint uw God u én inwendig én uitwendig schier zonder eind het oog voor zijn Majesteit te ontsluiten.

Zonde stoort dat dan weer. Het is zoo. Maar ook waakt, nooit in uw hart de haat tegen uw eigen zonde sterker op, dan zoo ze telkens storend een wanklank werpt in het accoord van uw levenspsalm.

En te breken met uw zonde, om u weer in aanbidd'ng en zalige gemeenschap te verliezen, wordt dan de vanzelf opkomende aandrift in uw hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

„Mijne oogen zijn bestendiglijk op den Heere”

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren