Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Van de tien geboden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de tien geboden.

17 minuten leestijd

L.

HET DERDE GEBOD.

XXI.

De werken des vleesches nu zijn openbaar, welke zijn ketterijen. Galaten 5 : 19 en 20.

Hebben wij onder den Naam te verstaan Gods openbaring en behoort tot deze óók de Heilige Schrift, wij bespraken in ons vorig artikel hoe men zich in zijn eigen leven, dus afgezien nog van het saamleven met onze medemenschen, aan de Schriften mitsdien aan den Naam kan bezondigen.

Als zoodanig vonden wij reeds, dat men zich aan de Schrift kan bezondigen door bij het lezen of hooren lezen niet met de noodige inspanning des verstandsin te dringen in haar zin; maar ook door zich niet te buigen voor haar gezag.

Het laatste toch is niet minder dan miskenning van het wezen der Schrift; van wat zij waarlijk is en dus ook voor ons wezen moet: Gods Woord en niet des menschen. Het eerste is een te kort schieten in eerbied, die ons voegt tegenover de Schrift, juist omdat zij is het Woord van onzen God. Wanneer onder menschen een meerdere tot zijn mindere spreekt, voegt dien mindere het opmerkzaam luisteren; hoeveel te meer wanneer God tot den mensch spreekt.

Met deze tweeërlei zonde is echter het zich bezondigen aan Gods openbaring, bepaaldelijk aan de Heilige Schrift in ons eigen leven, nog niet uitgeput.

Om wat God ons hier in het derde gebod verbiedt, in heel zijn omvang te verstaan, moeten wij in dit stuk dan ook nog dieper indringen.

Het komt toch, ook in ons eigen leven, aan op het verstaan van den rechten zin der Schrift. En daarom staat tegenover de orthodoxie of de rechtzinnigheid, de zonde van de „haeresie" of de ketterij.

Het is over deze zonde, dat wij in dit artikel zullen handelen.

Het woord „ketter" bestaat eerst sedert de 12de eeuw, en komt van het Grieksche katharoi, letterlijk de „reinen, " een naam waarmee een christelijke sekte uit de iide en 12de eeuw zich zelf aanduidde.

Het oudere woord is dan ook „haeresie, " dat evenzeer van Griekschen oorsprong is.

Bij de oude Grieken was hairesis — een woord, dat oorsponkelijk beteekent het „nemen", het „streven naar iets, " — de naam, waarmee de van elkaar verschillende wijsgeerige scholen werden aangeduid. Van hen ging dit woord over ook in de taal van het Nieuwe Testament. In het boek der Handelingen wordt het zoowel gebruikt van de Sadduceën en de Parizeen, als ook van de Christenen zelf. Onze statenvertaling zet het Grieksche woord hairesis daar dan over met „sekte, " een woord gevormd van het Latijnsche secta, van „sequor, " „ik volg" en dat dan beteekent de grondstellingen, die iemand volgt; de partij of de school waartoe iemand op het gebied van de wijsbegeerte, de rechtsgeleerdheid of ook de religie behoort.

Zoo lezen wij in Handelingen 5 : 17: n de Hoogepriester stond op, en allen die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceën) en werden vervuld met nijdigheid.

In Handelingen ij : 5 wordt ons verhaald, dat Paulus en Barnabas op het Apostel-convent te Jerusalem zeiden: r zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Parizeen, die geloovig zijn geworden, zeggende, dat men hen (n.l. de chriS' tenen uit de heidenen) moet besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.

En eindelijk vinden wij in Handelingen 24 : 5 en 14 en 28 : 22, dat het jonge Christendom als een hairesis van het Jodendom werd beschouwd.

In Handelingen 24 zegt Paulus tot den stadhouder Felix: Maar dit beken ik, dat ik naar dien weg welke zij sekte noe men, den God der vaderen alzoo dien, geloovende alles, wat in de Wet en de Profeten staat (vs. 14). De apostel zegt dit blijkbaar naar aanleiding van wat Tertullus vooraf tot Felix omtrent hem had gezegd: Wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de gansche wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Nazarenen. (vs. 5).

Eindelijk zeggen in Handelingen 28 : 22 de voornaamste der Joden tot Paulus, wan­ eer hij voor het eerst te Rome gevangen s gehouden: ij begeeren van u te hooren wat gij gevoelt; want wat deze sekte aanaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.

Op deze plaatsen echter uit de Handelingen, waar „sekte" de vertaling is van wat in het oorspronkelijke staat: „hairesis, " heeft dit woord nog geen bepaald slechten zin.

Anders echter staat het met dit woord „hairesis" of „haeresie" in de brieven. Onze statenvertaling heeft het daar overgezet met „ketterij."

Zoo in Galaten 5 : 20, waar onder de werken des vleesches, ook genoemd worden ketterijen. In Titus 3 : 10, waar de apostel Paulus beveelt: erwerp een »keiterschen mensch na de eerste en tweede vermaning, wetende, dat de zoodanigen verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zich zelven veroordeeld.

In 2 Petri 2:1, waar gesproken wordt van valsche leeraren, die bedektelijk invoeren verderfelijke haeresiën: n er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig ver derf over zich zelf brengende.

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat in I Cor. II : 18 en 19, de begrippen haeresie en „scheuring" — de ketterij kan tot scheuring of „schisma" leiden — nog geen scherp onderscheiden begrippen zijn. Daar toch zegt de Apostel, met het oog op de verschillende richtingen in de Kerk van Corinthe, die zich naar hem, naar Petrus, naar ApoUosofook, met uitsluiting van hun medegeloovigen, kortweg naar Christus noemden: ant eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zoo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten deele; want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.

De bepaald slechte beteekenis, die het woord haeresie of ketterij reeds in de brieven heeft, kreeg het ook bij de latere ontwikkeling van de Kerk, toen het uit de Nieuw-Testamentische Schriften in de kerktaal overging.

Gelijk reeds, althans op sommige plaatsen in de brieven, een haereticus of een kettersch mensch hij is, die dwaalleer verkondigt, d. w. zeggen een leer die zich stelt tegenover de „gezonde leer" van het Evangelie, zoo is in het algemeen hij een ketter, die afwijkt van de leer der Kerk.

Toch moet hier nog iets bij.

Niet alle afwijking van de leer der Kerk is reeds ketterij.

De ketterij toch gaat altijd gepaard met een hardnekkig vasthouden aan een meening, die van de leer der Kerk afwijkt.

Het kan toch zijn, dat iemand uit onkunde van de leer der Kerk afwijkt; dat hij dus zonder opzet en zonder het zelf in te zien, een onchristelijke of min-zui ver christelijke meening heeft.

Daarom is hij dan echter nog geen ketter.

Hij betoont zich dat eerst nadat hij, na meermalen te zijn weerlegd, aan zijn dwaling hardnekkig blijft vasthouden en dus een on-christelijke of min-zuiver christelijke leer drijft.

En deze ketterij kan dan niet alleen betrekking hebben op de leer des Geloofs, maar ook op de Levensleer; ook op wat men noemt de christelijke zedeleer.

Wijl nu overenstemming met de geldende kerkleer orthodoxie is, zoo kan men de ketterij omschrijven als de hardnekkige tegenstand tegen de orthodoxie.

Om dus het begrip ketterij klaar en duidelijk te verstaan; om te verstaan waarom de haeresie of de ketterij een groote zonde is; een zonde tegen het derde gebod; moeten wij ook het begrip orthodoxie wat nader bezien.

Beginnen wij ook hier-met de verklaring van het woord.

Het woord „orthodoxie", dat wij uit het Grieksch hebben, bestaat uit twee deelen,

„orthos" recht en „doxa" meening. Het ziet dus op den rechten zin of de rechte meening, tegenover een verkeerden of onwaren zin, en wij kunnen het daarom ook overzetten met „rechtzinnig."

De orthodoxie is dus de rechtzinnigheid.

Deze rechte meening ofzin nu, waartegen dan een andere zich overstelt, als de verkeerde meening of de onrechtzinnigheid, gaat omtrent den inhoud der Schrift.

Het is voor ons zeker, dat de waarheid, welker kennis voor ieder tot zaligheid noodig is, door heel de Schrift heen, in zoo eenvoudigen en bevattelijken vorm wordt voorgedragen, dat iemand, wien het om de zalig­ eid zijner ziel te doen is, uit de Schrift die waarheid kan leeren kennen. Toch wordt aarmee ook door ons allerminst ontkend, at de Kerk van Christus veel rijker en ieper de Schrift ve taat, dan iemand ie, zonder van wat zij daaromtrent weet ennis te hebben genomen, voor het eerst tot de Schrift komt. Geef iemand, die nooit godsdienstonderwijs heeft genoten, in zijn ouderlijk huis van de Schrift niets vernam, geen christelijke school bezochten nooit op een catechisatie is geweest, een Bijbel in handen, dan kan hel zeer zeker mogelijk zijn, dat hij uit dien Bijbel de voor zijn zaligheid noodige kennis opdoet, doch veel, zeer veel van wat hij leest zal hij niet verstaan, ja zelfs misverstaan. Ook zulk een mensch zal op de tot hem gerichte vraag: erstaat gij ook wat gij leest? nog altijd met den Moorman, den kamerling van Candace, antwoorden: oe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht! (Hand. 8 : 30 en 31.)

Het is toch met de Schrift, om een reeds vroeger door ons, in een ander verband, gebruikt beeld nog eens te bezigen, als met den sterrenhemel. Om van den laatsten de rechte kennis te verkrijgen, moet men eerst kennis nemen van wat de geslachten vóór ons reeds omtrent de sterren ontdekten.

De Kerk van Christus nu, die de Schrift als Gods Woord te allen tijde heeft erkend en zich mitsdien buigt voor haar gezag, is door de eeuwen heen ai dieper ingeleid in haar verstand; in het verstaan der Schrift,

Tegenover de heidensche wereld-en levensbeschouwing is de Kerk er als vanzelf toe gedrongen, aan de Schrift een andere, een christelijke wereld-en levensbeschouwing te ontkenen.

De bewuste tegenstelling eerst tusschen Christendom en Jodendom, straks tusschen christelijk en heidensch, werd al dieper. Maar bovendien was er ook een strijd in de Kerk zelf.

Wij zagen straks hoe Paulus in i Corinthe 11:19 schrijft: r moeten ook ketterijen onder u zijn. En dit woord is waar ook in dien zin, dat de rechte meening omtrent den inhoud van de Schrift juist gevonden is in de worsteling met de dwaling.

Dat zien wij reeds in de eeuw der Apostelen. Maar ook in volgende eeuwen zijn het juist de dwalingen omtrent den persoon vanden Christus; omtrent Zijn verhouding tot den Vader; Zijn goddelijke en menschelijke natuur; omtrent de drie Personen in het eene Goddelijke wezen; omtrent de zonde en de Genade, — die de Kerk er toe dwingen uit de Schrift de waarheid te zoeken, te vinden en te formuleeren. Zij heeft dit laatste gedaan in het dogma.

Het dogma, van het Grieksche woord dokein, „dunken", duidt in het algemeen aan wat bepaald, wat besloten is en daaro.n vaststaat. In de Schrift wordt het dan ook gebruikt voor bevelen der Overheid. Wanneer gij b.v. leest in Lukas 2:1. En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden; of wanneer in Handelingen 17 : 7 u wordt verhaald van die Joden in Thessalonika welke van Paulus en Silas tegen de Oversten der stad zeggen : deze doen tégen Ae geboden des keizers, zeggende dat er een andere koning is, namelijk Jezus, — dan staat daar voor ^«^t? ^ in het oorspronkelijke het woord dogma. Het dogma, ook het kerkelijk dogma, is dan ook altijd een uitspraak, een meening, waaraan een zekere autoriteit of een zeker gezag is verbonden.

Een dogma is, kort uitgedrukt, een stelling die gezag heeft.

Bij de , kerkelijke dogmen nu berust dit gezag — daarover zijn alle Christenen, het eens — alleen in Gods Getuigenis.

Van ieder dogma moet dan ook de waarheid uit de Schrift kunnen bewezen worden; moeten er z.g. „bewijsplaatsen" voor kunnen aangevoerd.

Het zijn deze dogmen, die, met name omtrent datgene in de Schrift wat voor ons regel des geloofs en des levens zijn moet, door de Kerk in haar Belijdenis of Confessie is geformuleerd.

Orthodox is dus, wat in overeenstemming is met de Belijdenis van de Kerk.

De toetssteen der orthodoxie is alzoo de Belijdenis of de Confessie.

Ware er nu ook in het uitwendige en zichtbare slechts één Kerk, gelijk er in het geestelijke en onzichtbare metterdaad slechts een heilige, katholieke christelijke Kerk is waartoe allen behooren, die uit het gansche menschelijke geslacht door God zijn uitverkoren, dan zou er ook slechts één Belijdenis wezen. Sedert de Reformatie der i6e eeuw echter is de Kerk van Christus, voor zoover zij zichtbaar is, uit de uniformiteit, of de eenvormigheid overgegaan in de pluriformiteit of de veelvormigheid.

In het zichtbare en uitwendige staan tha metterdaad verschillende Kerken van meer of minder zuiverheid naast of zelfs tegenover elkander.

En deze neven-en tegenstelling komt ook uit, althans gedeeltelijk, in de Belijdenis.

Althans gedeeltelijk.

Want wel hebben alle christelijke Kerken een gemeenschappelijke Confessie in de Katholieke Apostolische geloofsbelijdenis of de XII artikelen.

Wel is er omtrent de Heilige Drieëenheid, de godheid en menschheid van Christus, de persoonlijkheid des Heiligen Geestes, het Middelaarschap van Jezus, onder christenen geen verschil, maar toch loopen de belijdenisschriften der christelijke Kerken, zoo van de Roomsche en de Protestantsche, als van de Protestantsche onderling, op andere stukken, uiteen.

Er is verschil, ook bij veel overeenkomst, in Geloofsovertuigingen,

Wijl nu, gelijk wij zagen, niet de Schrift, maar de confessie het criterium, de toetssteen der orthodoxie is, zal het duidelijk zijn dat men, althans op het standpunt van het protestantisme, niet kan spreken van orthodoxie zonder meer.

Er moet altijd een nadere bepaling bij.

Daar is een Roomsche, een Luthersche, een Gereformeerde orthodoxie.

M. a. w., een overeenstemming met de Roomsche, de Luthersche, de Gereformeerde kerkleer.

Wat daar met zekere hardnekkigheid tegen in gaat, is ketterij of haeresie.

Nu is er zeker in de haeresie of de afwijking van. de kerkleer gradatie.

Daar zijn Geloofsovertuigingen, gelijk wij hier boven reeds zagen, die gemeenschappelijk zijn aan alle christelijke Kerken en dus ook tot den inhoud van alle christelijke confessies behooren. Hij alzoo, die in deze stukken van de belijdenis zijner Kerk afwijkt, staat daarmee buiten de christelijke Geloofsovertuiging. Wil men nu het woord orthodoxie in dezen ruimeren zin gebruiken, dan wordt de grens gevormd door de XII Artikelen van het z.g. Apostolicum dat door alle christelijke Kerken als uitdrukking van haar Geloof wordt beleden.

Zij, die spreken van een algemeen christendom, of van een „christendom boven geloofsverdeeldheid, " moeten dus. wanneer zij dit nader willen omschrijven, heen wij zen naar de XII Artikelen. Wie in deze Artikelen echter zijn Geloofsovertuigingen niet kan terugvinden; wie om iets te noemen, niet gelooft aan een schepping; aan Jezus Christus als den eeniggeboren Zoon van God; aan 'sHeeren heilige ontvangenis en geboorte uit de maagd Maria; aan Zijn opstanding en hemelvaart — staat daarmee, wat zijn Geloofsovertuiging betreft, buiten het Christendom.

Omgekeerd zijn allen, die in deze artikelen hun Geloofsovertuiging vinden uitgesproken, op dit stuk voor Christenen te houden. Het is daarom eenigszins zonderling, dat zij die de confessioneele verschillen der Christenen gaarne willen wegdoezelen en liever dan van „luthersch" of „gereformeerd", van „christelijk" spreken, van „algemeen christelijk", dikwijls doen alsof onze roomsche medechristenen niet bestaan.

Op de breede christelijke basis moet dan gebouwd door alle „Christenen", maar de roomschen mogen niet meedoen.

Nu is zeker ieder vrij in de keuze van hen met wie hij wil saamwerken; doch al ware het alleen maar om spraakverwarring te voorkomen, is het toch min wenschelijk, „algemeen christelijk" te noemen wat het niet is.

Ongetwijfeld kan men van „christelijk" of algemeen christelijk blijven spreken.

Het woord heeft b.v. een goeden zin in samenstellingen als: christelijke natie, christelijke regeering, christelijke pers, omdat in al die samenstellingen „christelijk" ziet op wat staat op de basis van het katholiek, d. w. z. het algemeen christelijk Geloof.

Maar daarom juist behooren de Roomschen er ook bij.

Al is nu op maatschappelijk en staatkundig gebied zulk een saamwerken op christelijken grondslag mogelijk, op het gebied van de religie heeft 'n christen aan zulk een algetpeene grondslag op den duur niet genoeg.

Over de nadere verklaring, althans van sommige stukken, van het algemeen christelijk Geloof is er tusschen christenen en christenen te veel verschil.

Een verschil dat niet is gemaakt, maar historisch geworden.

Iets wat niet buiten Gods bestel omging.

Met name in den grooten strijd der i6e eeuw, die in de Christenheid zelve ontstaan is, zijn de inzichten omtrent de waarheden des Geloofs gezuiverd, verhelderd, verdiept.

Staat voor alle christenen de Christelijke religie als de eenig ware tegenover de heidensche, Mohammedaansche enjoodsche als de valsche religies; binnen het christelijk erf hebt ge te doen met de gradueele verschillen van meer of minder zuiver.

Een verschil in graad dat vooral, bij de groote beteekenis, die het intellectueele of verstandelijke element in de religie heeft, uitkomt in het verstand of verstaan van de Schrift en mitsdien in de Confessies of Belijdenisschriften der verschillende Kerken.

De i6e eeuw is de eeuw der Confessies geweest.

Zoowel in tegenstelling met de Roomschen, als in tegenstelling met elkander zijn toen de kerken der Reformatie gedrongen geworden tot het opstellen van haar Belijdenissen.

Voor ons gereformeerden nu zijn de Belijdenissen onzer Kerk — de Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de S artikelen tegen de Remonstranten — de meest zuivere Confessie; gelijk wij in de gereformeerde Kerken de meest zuivere openbaring van het mystieke lichaam van Christus zien.

In deze Belijdenisschriften hebben wij de leer der gereformeerde Kerken.

Wat daarmee overeenstemt is voor ons orthodox, gereformeerd-orthodox.

Wat daarvan echter afwijkt heterodoxie, onrechtzinnigheid, dwaalleer, en straks haeresie of ketterij.

Aan deze Belijdenisschriften kennen wij gereformeerden dan ook gezag toe.

Wij verstaan de Schrift, met name wak in haar voor ons Geloof en Leven norm of regel moet zijn, in overeenstemming met die Belijdenisschriften.

Orthodox is voor ons een naam, waarop wij prijs stellen, en van ketterij te worden beschuldigd of zelfs maar verdacht, raakt in het kerkelijk saamleven onze eere.

Toch draagt het gezag dat wij toekennen aan de Belijdenisschriften, nooit een volstrekt of absoluut, maar altijd een betrekkelijk of relatief karakter.

Voor ons heeft de kerkleer slechts gezag, omdat zij overeenstemt met de Heilige Schrift.

Het Woord van God is voor ons de eenige regel, waarnaar men de waarheid der kerkleer moet en mag beoordeelen.

Toen dan ook op de nationale Synode van Dordt in-1618 en 16x9 de afgevaardigden van Overijssel credentiebrieven brachten waarin stond, dat zij last hadden niet alleen te oordeelen naar Gods Woord, maar ook naar de gelijkvormigheid des geloofs in de Confessie en den Catechismus, is daar aanmerking op gemaakt. Men zag daarin een gelijkstelling in autoriteit van de Belijdenisschriften met Gods Woord. En eerst nadat de afgevaardigden van Overijssel uitdrukkelijk hadden verklaard, dat zij alleen Gods Woord erkenden als regel naar welken men de waarheid der leer moest oordeelen, achtte de Synode zich voldaan.

De Schriit alleen heeft dus absoluut, volstrekt gezag, omdat zij Gods Woord is en de Belijdenis heeft maar gezag omdat zij met Gods Woord overeenkomt.

En zoo verstaat gij nu ook, waarom ketterij zonde is.

Ketterij toch is niet maar, dat gij op eenig stuk van de Belijdenis uwer Kerk afwijkt, maar dat gij, nadat uuit de Schrift is aangetoond, dat dit stuk met Gods Woord overeenkomt, hardnekkig weigert, u aan het gezag van de Schrift te onderwerpen.

Omgekeerd staat het ieder Gereformeerd belijder vrij om, wanneer hij meent, dat een stuic van de Belijdenis niet overeenkomt met de Schrift, de Kerk met zijn bezwaar in kennis te stellen en het aan hare beoordeeling te onderwerpen.

Maar zoo verstaat gij ook de groote beteekenis van de orthodoxie in uw eigen leven.

De zonde heeft niet alleen ons willen maar ook ons denken aangetast, en volkomen zuiver, vooral in zake van religie, zal een kind des Heeren eerst denken na zijn sterven.

Hier op aarde is het een voortdurende strijd tegen dwaling, twijfel en ongeloof.

De zonde doet u telkens neigen Gods Woord, de Heilige Schrift, verkeerd te verstaan.

Tegen dit gevaar biedt dan de orthodoxie u bescherming.

Ketterij is een werk des vleesches.

Waar de heilige liefde voor God in het hart is, wil men ook Zijn Woord recht verstaan.

Het recht verstaan van de Schrift door de kerkelijke gemeenschap biedt u als eenling zoo machtigen steun.

Daarom is ijver voor de rechtzinnigheid plicht.

Onrechtzinnigheid, ketterij, leidt tot ongeloof aan het Woord, tot afval van het Christendom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Van de tien geboden.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's