„Mijn voet staat op effen baan”.
Mijn voet staat op effen baan; ik zal den Heere loven in de vergaderingen. Psalm 26 : 12.
„Mijn voet staat op effen haan" is drieerlei. Het is de welvoldaanheidsuitroep van het zondagskind, het is de kreet der ontspanning van wie hard en bitter worstelde om er te komen, en het is de stille uiting van hoogeren vrede bij hem die gelooft.
De beeldspraak van den psalmist is duidelijk.
Een weg, waar ge langs moet, kan tweeërlei karakter dragen.
Het kan of een weg zijn, glad en effen als een kegelbaan, gelijk in ons land de meeste groote straatwegen zijn; óf het kan een weg zijn gelijk in het bergland, dat ge nu eens steil dalen en dan weer hoog klimmen moet, en door deze oneffenheid van het pad wordt afgemat.
Ten onzent moge een wat rulle zandweg of een met slijk als bedropen pad u het voortgaan bemoeilijken, maar voor het overige zijn onze wegen effen banen van noord tot zuid, en in ons land zou aan de wegen nooit een beeld zijn ontleend voor onzen levensgang. Een weg moge ons lang vallen, hij moge te eenzaam zijn, of door te groote morsigheid afschrikken, maar dat alles biedt niet de tegenstelling, die de weg door de vlakte met het pad door de bergen geeft.
De Schrift daarentegen is in een bergland opgekomen. De psalmisten hebben op de bergen gedoold en omgezworven. En zoo spreekt het vanzelf, dat hun zinrijke geest ook aan het leven in de bergen de beelden zou ontkenen, waarin de tegenstellingen van het leven zich zouden uitspreken.
En zoo bood het vlot en met lichten tred zich voortspoeden op een weg die geheel glad, recht doorloopend en effen was, vanzelf het beeld aan voor een leven, waarvan wij, als volk aan de zee, zeggen, dat „alles voor den wind gaat." Maar dan ook omgekeerd bood het zich inspannen en nauwlijks adem kunnen halen op een weg, waarlangs ge soms uren steil dalen, en dan weer uren lang vermoeiend klimmen moet, van zelf en ongezocht het beeld voor den worstelaar, van wien ons volk, wederom niet met een woord uit het bergland, maar nogmaals met een zeeterm, zegt, dat hij „het hoofd nauwlijks boven water kon houden."
En daarom, in de uitdrukking: „Mijn voet staat op effm baan, " kan zich de zelfgenoegzaamheid uitspreken van den man, wien alles gelukte, die nooit werkelijken tegenspoed gekend heeft, en die, aan nijpende zorg gespeend, nooit anders dan zonneglans op zijn levenspad zag schijnen.
Veel meer ligt daarentegen in dezen uitroep: „Mijn voet staat op effen baan" als hij de uitdrukking wordt van wat er in de ziel van den worstelaar omgaat, die telkens teleurgesteld en keer op keer neergeworpen, al zijn pogen ver ijdeld zag, maar die vol hield, het niet opgaf, nu eens wegzonk, en dan weer tegen het steile pad opklom, en die eindelijk, eindelijk het punt bereikte, waar de rechte weg door het hoogland zich nu voor zijn voeten uitbreidt, en een leven in voorspoed, een gelukkige existentie onder de vervulling zijner idealen begon.
Maar het allerhoogst klimt de volheid van zin in dezen uitroep: „Mijn voet staat op effen baan" als ze de kreet der geloofsovertuiging is, die in geestelijke veerkracht, de benauwing van het aardsche leven weet te verslinden, en nu met Habakuk het betuigt: „Al mocht de vijgenboom niet meer bloeien, de wijnstok mij geen vrucht meer geven, en er geen rund meer in de stallen wezen, zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen en zal ik mij verheugen in den God mijns heus."
Laat het „zondagskind, " gelijk men denman noemt, die geen tegenspoed gekend heeft, op zijn hoede wezen.
Een leven zonder zorgen, zonder kommer, zonder verdriet, zonder teleurstelling, verwent zoo licht.
Ongetwijfeld kweekt het optimisme een blijmoedigen zin, maar ook het mist de kracht om het karakter te stalen, om de veerkracht te oefe nen en te spannen, en om rijker te worden in de hooge schatten van ons gemoed.
Toch is dit nog het ergste niet.
Veel erger is het, dat het „zondagskind" er zoo licht toe neigt, om zijn geluk aan zich zelf toè te schrijven, en zich in te beelden, dat die anderen, die hij zoo bitter tobben en worstelen ziet, dit te wijten hebben aan eigen onnoozelheid. Hij is dan de man, die het steeds goed inzag, hij de man die op alles den juisten blik had. Anderen lieten het juiste oogenblik ongebruikt voorbij gaan, hij wist steeds op het juiste oogenblik te handelen. En zoo klimt in zijn gemoed een eigen dunk van voortreffelijkheid op, die den hoogmoed in zijn hart aankweekt, en het medelijden met anderer verdriet en tegenspoed in zijn binnenste verstikt.
Of ook, is zulk een gelukskind nog ten deele vroom, dan verleidt zijn hart hem zoo licht, om zich zelven te gaan beschouwen als een bijzonder gunstgenoot van zijn God, wiens pad, om de voorkeur die God aan hem schonk, steeds geëffend werd, en die er nu op toeleeft, wanende dat immers zijn levenslot door zijn God in weelde en voorspoed beschikt is tot het einde.
En dat gaat dan alzoo in klimmende inbeelding van eigen voortreffelijkheid en eigen bevoorrechting al voort, tot eindelijk de keer in het leven komt, en de zon achter de wolken schuilen gaat.
Maar dan zinkt ook in eens alles in. Dan is er geen weerstandsvermogen. Dan is er geen geoefende kiacht. Dan is er niets, dat hem op kan houden en tot opworstelen tegen de ellende bekwamen.
En het einde is een wegzinken m zelf verbijstering, zonder levensmoed en zonder hoop voor de toekomst.
Hoe heel anders nu bij den worstelaar. Voor zulk een ontsloot elk nieuw levensjaar een nieuwen strijd, om zich staande te houden.
Bij den een was het een worstelen, om zich en zijn gezin met eere bij het leven te be houden; om te slagen in zijn beroep en wat hij ondernam wel te doen gelukken. Bij een ander een worstelen tegen laster en nijd. Bij een derde een worstelen om aan zijn overtuiging, om aan zijn inzichten, om aan zijn denkbeelden ingang te verschaffen. Bij weer een ander een eindeloos worstelen met geknakte gezondheid. En dan weer verdriet, zielsverdriet over een kind dat teleurstelde, of bange rouw over een kind, over een lieve vrouw die men verloor in den dood.
En dan zijn er wel, bij wie zulk een gang door de diepte nog telkens door zonniger dagen werd afgebroken, maar er zijn er toch ook, die soms jaren van hun leven, lange jaren letterlijk in voortdurende spanning, in nooit eindigende teleursteUing, in één worsteling zonder uitzicht hebben doorgekampt. .
Niet zelden had dat dan het bittere gevolg, dat sombere melancholie hun hart vermeesterde; dat zwartgallige gedachten den boventoon begonnen te voeren; en dat ze, hun levenslot als verloren beschouwend, ten slotte den strijd opgaven, en wegzonken, willoos en moedeloos, in steeds somberder verdriet.
Maar er waren er toch steeds ook anderen, die volhielden, die 't niet opgaven, die de hoop niet uitbluschten, en door hooge wilskracht gestaald, eenmaal toch het punt bereikten, waarop adem viel te halen, en de tegenstand gebroken scheen.
Juist dank de oefening in hun worsteUng verkregen, deden dezulken dan een laatste reuzenpoging. En ja, nu gelukte het. Nu waren ze er. Nu begonnen betere dagen. En met een niet onder woorden te brengen gevoel van zaligheid, voor zoover dit aardsche leven zaligheid brengen kan, riepen zij het dan zoo heel anders uit: „God zij geloofd, nu staat mijn voet op effen baan"
Is dit reeds heerlijk, toch is er nog hooger standpunt.
Tegen de ongunst des levens valt soms niet op te roeien. Soms kan ze het leven zoo diep omfloersen, dat ze met u gaat tot aan en in het graf.
Zelfs de felst getroffene bezit geen enkelen waarborg, dat er metterdaad beter dagen komen zullen. Een uitkomst als waartoe Job geraakte, is aan niemand verzekerd.
Het kan onzen God behagen de majesteit van de geloofsgenade te willen verheerlijken in een leven, dat nooit door de zon van geluk beschenen werd. Voor den armen Lazarus daagde de ure der vreugde eerst, toen hij door de engelen gedragen was in Abrahams schoot.
Ook hebben we op niets recht; en nooit zal wie in de kennis zijner zonde geen vreemdeling is, opstaan om van zijn God geluk of uitredding uit ellende te eischen. Hij mag er om bidden en er om smeeken, maar toch altoos blijft het: „Vader, indien deze drinkbeker van mij kan voorbij gaan; niet mijn wil, maar uw wil geschiede!"
Maar nu is dit de heerlijkheid, dat het won dere geloof zijn kracht openbaart niet alleen als het lijden in vreugde verkeerd wordt, maar ook, meer zelfs nog, onder het lijden, en het meest zelfs dan, wanneer het lijden ons vervolgt tot aan ons graf, en het kruis zijn schaduw tot den einde toe op ons levenspa, d werpt.
Immers dit is de heerlijkheid van het geloof, dat het ons een anderen, een hoogeren weg, een weg op de toppen van den berg van Gods heiligheid ontsluit, die boven den weg van ons aardsche leven uitgaat, en alle leed en alle ellende en alle zielsverdriet in een hooger visioen voor ons oplost.
Die weg des geloofs loopt niet onder de wolk, die de zon belet ons levenspad te beschijnen; wie op dien weg wandelt heeft de wolken onder zich, en geniet van de onbe; lemmerde beschijning van de zon der genade.
En of het dan in zijn leven hem meê of tegen loopt, of hij opnieuw de worsteling ondernemen moet, of eindelijk de worsteling tegen wat de wereld het noodlot noemt, te boven is, — onder lief en leed, bij verdriet en bij vreugde, onder voorspoed en onder tegenspoed blijft zijn ziel in evenwicht, blijft zijn hart sterk en vast in hem, en roemende in het geloof jubelt zoo een: " Wat mij ook overkome, mijn voet staat op de effen baan, die mijn God mij door het ge loof ontsloten heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1905
De Heraut | 4 Pagina's