Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Een nieuw formulier van Eenigheid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een nieuw formulier van Eenigheid.

10 minuten leestijd

Amsterdam, 24 Febr. 1905.

Aan alle Kerkeraden en ook aan onze Pers zijn dezer dagen toegezonden „Vijf stellingen betreffende leeringen, waarover in de Gereformeerde Kerken van Nederland in de laatste jaren geschil gevallen is". De toezending geschiedt namens twee hoogleeraren der Theologische School Prof Lindeboom en Prof Noordtzij, een elftal dienstdoende en twee emeriti-predikanten, terwijl voorts het stuk nog onderteekend is door 27 personen, die zich ouderlingen, oud-ouderlingen, diakenen, oud-diakeiien en leden der gemeente noemen. Gelijk Prof. Lindeboom in de Bazuin meedeelde, is dit stuk te danken aan den „Wachterbond", die op zijne te Utrecht gehouden vergaderingen deze stellingen formuleerde en besloot ze aan de Kerkeraden toe te zenden.

De inhoud dezer stellingen is deels negatief, deels positief. Stelling i geeft een algemeene verklaring omtrent hetgeen uit de onderteekening der Belijdenisschriften volgt. Ze luidt aldus:

I. Door de onderteekening van de Belijdenisschriften of Formulieren van Eenigheid van de Gereformeerde Kerken verbindt de onderteekenaar zich onvoorwaardelijk: noch in woord, noch in geschrift, iets te leeren wat niet in overeenstemming is met die Formulieren; gelijk verklaard wordt in het onderteekeningsformulier voor de Dienaren des Woords en in dat voor de Professoren der H. Theologie.

Nu is deze stelling, zooals ze daar staat, zeker niet juist, omdat ze onvolledig is; een dergelijke stelling, waarin uiteengezet wordt wat de beteekenis is van de onderteekening der Belijdenisschriften, behoort, gelijk onze vaderen steeds gedaan hebben, uitdrukkelijk het recht te vermejden om op grond der Heilige Schrift gravamina tegen de Belijdenis te mogen inbrengen. Zooals de7.e stelling hier geponeerd wordt, komt het onderscheid tusschen het Roomsche en het Protestantsche standpunt niet tot zijn recht. Natuurlijk hebben deze broederen dit niet aldus bedoeld, gelijk uit hun toelichting wel blijkt; maar het ware dan toch voorzichtiger geweest, indien zij in deze stelling hun gevoelen juister hadden uitgedrukt. Ook mag niet voorbij worden gezien, dat deze broederen de woorden van het door de Kerken vastgesteld onderteekeningsformulier in hun stelling niet juist hebben weergegeven. In het onderteekeningsformulier staat, dat men belooft „de voorss. leere naarstelick te zullen leeren en getrouwelyck te zullen voorstaan, sonder iets teghen deselve 't sij opentlick ofte in 't.bijsonder te leeren of te schrijven"; terwijl de genoemde broederen hiervan maken dat men niets leeren mag „wat niet in overeenstemming is met de Formulieren van Eenigheid". Beide uitdrukkingen zijn niet hetzelfde.

Intusschen kunnen wij deze stelling verder laten rusten. Niemand betwist, dat in onze Gereformeerde kerden geen leervrijheid bestaat en alle ambtdragers gebonden zijn aan de door hen onderteekende Formulieren van Eenigheid. Wanneer de onderteekenaars van dit manifest verklaren, dat het ongeoorloofd is een dogma of leerstelling, in de Belijdenisschriften beleden, wetensckappelijk-or\-< fia.3.r te noemen, dan zijn wij het hierin met hen van harte eens.

Alleen begrijpen wij niet, waartoe deze verzekering dient. Zooals ze hier staat, geeft ze den indruk, alsof er broeders zijn, die het tegendeel in onze kerken leeren. Ons is niemand bekend, die dit doet. De onderteekenaars laden door deze toelichting van hun eerste stelling den schijn op zich van verdachtmaking ; ze wekken in de kerken het vermoeden op, alsof er metterdaad broeders gevonden worden, die zulke meeningen verkondigen; en dat is daarom te grievender, omdat deze beschuldiging gansch algemeen wordt geuit, zoodat niemand weet wie hier bedoeld is.

Van meer beteekenis zijn zeker de volgende stellingen, waarin gehandeld wordt over de eeuwige rechtvaardigmaking, over de onmiddelijke wedergeboorte, over het verband tusschen doop en wedergeboorte en over het supralapsarisme.

Volgens de onderteekenaars zijn de leeringen, die door sommigen omtrent deze onderwerpen geleerd worden, in strijd met Gods Woord en de Belijdenisschriften, en mogen zij daarom in de Kerken niet geduld worden. Zij wekken daarom de Kerkeraden, ja zelfs alle gemeenteleden op, om in den kerkdijken weg tegen de voorstanders dezer leeringen op te treden en hen, wanneer zij niet luisteren willen, in staat van beschuldiging te stellen.

Zooals men ziet, heeft men hier dus te doen met een nüuw formulier van Eenigheid. Zooals op de Synode te Dordt een zeker aantal stellingen van de Remonstranten veroordeeld zijn, omdat zij in strijd waren met Gods Woord en de Belijdenisschriften, zoo hebben deze broeders ook gedaan. Want wel doen deze broeders het voorkomen, of zij alleen de Belijdenisschriften willen handhaven, maar natuurlijk is dit niet anders dan zelfbedrog. Degenen, die deze stellingen leeren, zijn even diep overtuigd, dat zij met de Belijdenis in overeenstemming zijn, als deze bezwaarde broeders, dat zij er mede strijden. Het geheele geschil loopt dus over de vraag, wie van beide den zin en beteekenis onzer Belijdenisschriften juist uitlegt. Indien deze broeders zich nu met een bepaalde en weigeformuleerde klacht tot de Synode hadden gewend en deze om een uitspraak in dit geschil hadden gevraagd, dan zou dit volkomen correct zijn geweest. Maar dat doen deze broeders niet. Ze formuleeren zelf een aantal stellingen, zonder zelfs aan te geven waar deze stellingen te vinden zijn of door wie ze geleerd worden. En ze decreteeren, dat deze stellingen met de belijdenis in strijd zijn.

Reeds dit nu dunkt ons niet zonder bedenking. Onze belijdenisschriften zijn het eigendom van de Kerk, en de Kerk alleen heeft het recht over de al of niet juistheid van hunne uitlegging te beslissen En wanneer nu een zeker aantal broederen, zonder eenig kerkelijk mandaat, een schrijven aan alle kerkeraden richten, waarin \v\m persoonlijke opvatting van de belijdenisschriften en van wat daarmee in strijd is, als toetssteen en maatstaf van de zuiverheid in de leer gesteld wordt, dan kan kwalijk ontkend, dat deze broederen zich daarmede een macht hebben aangematigd, die alleen aan de Synode toekomt.

Het jus interpretandae Confessionis, het recht om de Belijdenis uit te leggen, toch komt alleen aan de Synode toe. Bij geschil over de Confessie, behoort de Synode te beslissen. Maar deze broeders, in plaats van de beslissing der Synode af te wachten, verklaren eigener autoriteit dat die en die leerlingen kettersch zijn, en wekken de Kerkeraden op om afgaande op deze verklaring, de anders denkende broeders met kerkelijke censuur aan te tasten. In de geschiedenis onzer Kerken is hiervan zeker geen tweede voorbeeld te vinden.

Maar nog bevreemdender is, dat deze broeders zoo handelen, terwijl de eenige wettige autoriteit, namelijk de Synode, zich reeds zeer beslist en duidelijk over dit geschil heeft uitgelaten en hunne opvatting als onjuist veroordeeld heeft. Op de Synode te Middelburg toch in 1896 is een dergelijke aanklacht, loopeade over precies dezelfde punten, door den Kerkeraad van Bedum A bij de Synode ingebracht tegen den toenmaligen Hoogleeraar in de dogmatiek aan de Vrije Universiteit. De Synode heeft toen deze klacht onderzocht, breedvoerig is er overgesproken en het resultaat was, dat met algemeene stemmen op één na het volgende besluit is aangenomen : „dat de synode in het ter harer kennisse gekomene niet alleen geene aanleiding vindt om handelend op te treden, maar ook haar vertrouwen blijft betuigen in den betrokken hoogleeraar en in de hoogleeraren van de Vrije Universiteit en van de Theol. School te Kampen, die verklaard hebben principieel aan de zijde van Dr. Kuyper te staan."

Het geldt hier dus volstrekt niet een zaak, die misschien nog tv/ijfelachting kan genoemd worden, maar een res judicata, een twistzaak die reeds beslecht is. De Synode heeft verklaard, dat zij de aanklacht ongegrond oordeelde. En al staat het natuurlijk ieder vrij, deze beslissing der Synode onjuist te achten en zulk een leerquaestie bij een volgende Synode opnieuw aanhangig te maken, het gaat niet aan, dat een zeker aantal personen zich tot alle kerkeraden wendt om deze op te wekken lijnrecht in strijd met het besluit der Synode te handelen.

Bovendien heeft niet alleen de Middelburgsche Synode over dit geschil uitspraak gedaan, maar zijdelings evenzeer de deputaten door de Synode te Arnhem aangewezen voor de benoeming van een hoogleeraar te Kampen. Toen door het vertrek van Prof. Bavinck de katheder voor de Dogmatiek openkwam, hebben Deputaten daarvoor benoemd Dr. A. G. Honig, die dan ook hoogleeraar geworden is. Ze deden dit op grond van het door Dr. Honig geschreven proefschrift, want dit was het eenige wetenschappelijke geschrift door Dr. Honig uitgegeven. Achter dit proefschrift nu vindt men juist dezelfde stellingen, die door deze broeders als kettersch veroordeeld worden.

De officieele deputaten der Kerken hebben, door aan Dr. Honig het meest gewichtige vak van de Dogmatiek toe te vertrouwen, terwijl genoegzaam bekend was, dat Dr. Honig deze stellingen bij zijn promotie verdedigd had, ze nog nooit had herroepen en voorzoover we weten, ze ook nu nog handhaaft, klaar en duidelijk uitgesproken, dat zij deze leeringen niet in strijd achtten met de Confessie. Het is immers ondenkbaar, dat deputaten het onderwijs in de Dogmatiek zouden hebben opgedragen aan een Hoogleeraar, wanneer deze naar hunne overtuiging niet zuiver was in de leer. Was de ingebrachte aanklacht juist, dan zou zij in de eerste plaats Prof. Honig gelden, en behoorden de hoogleeraren Lindeboom en Noordtzij hun eigen ambtgenoot in staat van beschuldiging te stellen. Of een gewoon predikant of, ouderling zulke leerstellingen voordraagt in de prediking of op catechisatie is toch zeker niet van zooveel beteekenis, als wanneer de hoogleeraar in de Dogmatiek aan de School der Kerken met deze „dwalingen" besmet is.

Naar onze overtuiging liggen deze geschillen binnen de grens onzer Confessie. Het is onjuist, wanneer deze broederen spreken van geschillen, die in de laatste jaren zijn opgekomen. De hier genoemde geschilpunten zijn zoo oud als onze Kerken zelf. De leerstellingen, door deze broeders als kettersch veroordeeld, zijn in vroeger eeuw geleerd door onze uitnemendste theologen, mannen als Calvijn, Beza, Guido de Brés, den opsteller onzer Confessie, Ursinus, den opsteller van onzen Catechismus, Gomarus, Voetius, Alex Comrie; om slechts enkelen te noemen. De Gereformeerde Kerken hebben er nooit aan gedacht deze mannen daarom als ketters te veroordeelen. Integendeel, ze hebben dankbaar erkend de uitnemende gave, die God in hen aan onze Kerken geschonken had. En het is wel een droef teeken van geestelijke inzinking, wanneer thans degenen die in het voetspoor dezer Vaderen wenschen te wandelen, als zoo gevaarlijk aan onze Kerken worden voorgesteld, dat tegen hen met de tucht moet worden opgetreden.

Over de gevolgen van dit stuk make intusschen niemand zich ongerust. Geen Kerkeraad zal het wagen, tegen het besluit der Middelburgsche Synode in iemand te veroordeelen, die deze leerstellingen verkondigt. En al was er een Kerkeraad, die zich hiertoe verleiden liet, geen Synode van een Gereformeerde Kerk zou ooit zulk een vonnis goedkeuren.

Wat we alleen betreuren is, dat door dit stuk opnieuw onvrede in onze Kerken wordt gewekt. Onze Kerken hebben een te heerlijke en te hooge roeping van God ontvangen, om door broedertwisten te worden verdeeld. In ons nationale leven schonk God een omkeer. Voor het bang gevaar, dat door ongeloof en socialisme ons volksleven bedreigt, gingen de oogen open. Al wat nog aan God en Zijn Woord vasthoudt, vereenigt zich, om tegenover den vijand pal te staan. Straks zal bij de stembus de strijd opnieuw gestreden moeten worden, die voor jaren over de richting van ons volksleven beslissen zal. In plaats dat alle kracht wordt saamgetrokken op dezen nationalen strijd en ook onze Gereformeerde Kerken door hoogstaand geestelijk leven, door hartelijke broederliefde, door krachtige inwerking op ons volk meê arbeiden om den geest van afval te keeren, wroet men in eigen ingewand en maakt onze Kerken tot een aanfluiting voor de wereld.

Daarover schreit het hart.

En het legt aan deze broederen de stille vraag voor de conscientie, of zulk een optreden metterdaad de eere Gods bevordert en het belang van onze kerken en van ons vaderland dient?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Een nieuw formulier van Eenigheid.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1905

De Heraut | 4 Pagina's