„Bekommerd vanwege mijne zonde.”
Want ik maak U mijne ongerechtigheid bekend; ik ben bekommerd vanwege mijne zonde. Psalm 38 : 19.
Er ligt in de „Verzoening door het bloed • des Kruises" een verre van denkbeeldig ^waar Een gevaar, dat ge het best verstaat door het antwoord, dat een koperslagersjongen aan zijn moeder gaf, die hem bestrafte over zijn vuil gelaat en zijn bezoedelde hand: „Och, moeder, dat gaat bij het'werk zoo, en wat hindert het? de bron is vlak bij ons huis en ik kan me wasschen"
Want zoo nu ook is er meer dan één, die onder zijn werk, in dien grooten winkel, dien men de maatschappelijke saamleving noemt, zijn ziel gedurig met allerlei kleine zonden bezoedelt, en dan 's avonds op de knieën bidt: o God vergeef, het mij! en na gebeden te hebben wezenlijk gelooft, dat zijn zonden hem vergeven zijn.
En daar zeggen we niets tegen, want wie niet gelooft dat zijn zonden hem vergeven zijn, geniet nog niet in het volle Evangelie. Maar het gevaar ligt hierin, dat hij, morgen den dag weer voor dezelfde verleiding in de wereld staande, toegeeft en bezwijkt en daarbij geleid wordt door de gedachte: Straks wordt mijn zonde mij toch door mijn God vergeven!
Het is hetzelfde, wat men zoo dikwijls bij de opvoeding ziet. Een slappe moeder, die wel streng, in haar eischen is, maar, als haar jongen in kwaad verviel, het altoos' dadelijk vergeeft. Dan blijft die jongen wel oprecht. Hij verbergt niets en bekent zijn schuld. Maar noch die schuldbelijdenis, noch die vergeving van moeder, maken op het laatst eenigen indruk meer. Veeleer wordt het een soort onheilig spel. Telkens weer , kwaad doen, en even dikwijls aan moeder zeggen: Ja, ik heb 't gedaan. En dan de vergiffe nis, die aan alles een eind maakt.
En in diezelfde positie heeft nu zoo menigeen zich allengs tegenover zijn God gebracht. Gedurig weer rnet de wereld meêJoen en in die 'wereld verleid worden. Weet van zijn verkeerdheid hebben, 's Avonds zijn schuld voor God belijden. En dan gerust inslapen. Want hij gelooft, en dus weet hij, dat God zijn zonde heeft vergeven.
Dat gaat natuurlijk niet door bij ergerlijke misdaden en bij schrikkelijke vergrijpen tegen Gods wet. Neen, er is hier sprake van die gewone zonden, die in het dagelijkscS leven der wereld gemeengoed zijn, en waaraan ook een geloovige meedoet. Zelfzucht, - hebzucht, kleine onwaarheid, bedrog, hoogmoed en trots, kwaadspreken, drift, zinlijke neiging, benijding en zooveel meer.
Is iemand nu zoover, dat hij ook over zulke dingen schuld gevoelt, en ook daarin zonde ziet, dan zal hij ook al zulk kwaad voor zijn God belijden, en, zoo hij gelooft, er in roemen, dat zijn God het hem alles vergeven heeft.
En eerst werkt dat dan temperend. Hij verstaat het: „Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt." En omdat zijn God hem vergeven heeft, houdt hij" zich den daaropvolgenden dag meer in, neemt zich in acht, en leeft beter.
Maar de fatale gewoonte doet hem kwaad.
Het is eiken dag en eiken avond hetzelfde.
Dat maakt, dat de belijdenis van zonden in zijn avondgebed te zeer in een werktuigelijk prevelen verloopt; dat de vergiffenis zelve zich veruitwendigt. Den volgenden morgen is dan alles vergeten, en te midden der verleiding wordt God de Heere, omdat Hij vergiffenis schonk, niet meer gevreesd, maar gereed gehouden, als een God, die, zoo we zondigen, straks toch de gevolgen van onze zonden weer te niet doet.
Het wordt dan bij zoo menigeen een rustig in zijn zondige gewoonten en hebbelijkheden voortleven, eiken avond voor God zijn zonden biechten, en dan het geloof gebruiken als een middel tér sussing van de consciëntie. Overdag wordt' dan in de zonde wel voortgegaan, maar 's avonds is men er weer van-af.
Daartegenover staat nu het bekommerd zijn vanwege zijn zonde.
Een bekommernis die van tweeërlei natuur is; te weten, de bekommernis, eens vooral, die tot de bekeering uitdrijft, en de bekommernis nadat men bekeerd is, totdat men de zonde afsterft in 'het graf.
Die eerste bekommernis is het meest indrukwekkend.
Men heeft dan te doen met iemand, die tot dusver geheel onnadenkend in zijn zonde had voortgeleefd. Hij dacht om geen zonde en dacht om de heiligheid van zijn God niet, en dacht veel minder nog aan het zielsverderf, waarop zulk een gemis aan ernst ten slotte moest uitloopen.
En dan komt er een ontmoeting, een.aangrijpende gebeurtenis in het leven, een gesprek met iemand, die een dieper liggende snaar in de ziel weet te treffen, en de Heilige Geest gebruikt zulk een middel om den onnadenkende zijn hart te ontroeren, om hem onrust over zijn toestand in de ziel te storten, en hem te vervullen met angstige bekommerdheid over zijn zonde en zijn eeuwig lot.
Dit eerste bekeerd worden, gaat het diepst.
Het tast den geheelen persoon aan. Het onthutst en ontzet. Zulk een principieele bekom merdheid doet als het verblindend licht van den bliksemstraal vallen op de boosheid die in zijn hart school. Plotseling voelt hij nu de aanwezigheid van de zonde in zijn hart, als van een giftige slang, die hem naar het leven staat. Gods heiligheid vervult hem met verschrikking. Hij voelt zich verloren. Er is niets geheels meer in zijn ziel. En tot in de diepte der erfzonde, gevoelt hij zich als eenverworpeling voor zijn God.
En dat duurt totdat dan het Evangelie zijn hart vermeestert, het geloof begint te ritselen; en, dat geloof gaat dan door tot rechtvaardigmaking; en eindelijk, eindelijk trilt in zijn verflagen geest de triomfzang: „Evenals had ik nooit zonde gedaan, ja als had ik 't al vol bracht, wat Christus voor mij volbracht."
De diepste bekommernis verslonden in den hoogsten geloofsjubel!
Maar niet van deze bekommernis betuigde de psalmist.
David was reeds voor lang tot bekeering gekomen. Maar ook na zijn bekeering was hij in zonde gevallen. En het is van die zonde na zijn bekeering, dat hij zong: „Ik maak U mijne ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijne zonde".
En deze bekommernis nu draagt een geheel ander karakter.
Ze is een opwaken van de ziel uit de slui mering, waarin ze op het kussen des geloofs was ingeslapen.
Schriklijk is het soms te zien, hoe iemand, die waarachtiglijk bekeerd is, en met oprecht geloof gejubeld, heeft in Verlossing, reeds een jaar daarna terug zinkt, niet in zijn vroeger ongeloof, neen, maar in de vroegere zondige hebbelijkheden van zijn karakter, van zijn gewone ' dagelijksche zonden. Hij blijft dau in het geloof, hij bidt en dankt, hij ijvert voor den naam des Heeren, hij gaat ter kerk en leeft bij het Woord. In groote zonde vervalt hij niet. Uitwendig is hij onberispelijk. Maar het geloof werkt niet meer op zijn leven, op zijn hart, op zijn inborst, op zijn karakter; en wie hem van nabij kent, betrapt hem telkens weer op het oude doen, alsof er geen bekeering geweest was.
En over dien toestand nu is de wezenlijke bekommerdheid zoo dikwijls ver te zoeken. Er zijn er, die na de eerste bekommerdheid in hun bekeering, die tweede bekommernis zoo goed als nooit gekend hebben.
Ge vindt dit wel bij iemand, die, na bekeerd te zijn, verviel in .een ergerlijke zonde, vooral zoo ze opspraak maakte.
Maar diepgaande bekommernis over het uitblijven van doorgaande bekeering na de eerste grondbekeering, is zoo uiterst zeldzaam.
Er zijn dan wel oogenblikken, daf er iets is dat hindert. Zekere onvoldaanheid. Een gemis aan hoogeren vrede. Maar tot een bezwaarden gedrukt zijn door zulk een toestand komt het niet dan bij hooge uitzondering.
Men heeft zich aan het leven in het geloof, met daarnaast een voortzetten van zijn zondige zwakheden, op den duur gewend.
En, o. zoo velen blijven daarin tot aan hun dood toe voortleven, zonder dat ze ooit dien last der gewoontezonden en der karakterzonden van zich afwierpen.
En toch juist zulk een leven: geloof, maar gemengd mei het oude doen, gaat zoo rechtstreeks in tegen wat God wil.
Zijn goedertierenheid duurt in der eeuwigheid en zijn barmhartigheden zijn oneindig. Nooit kan het geloof te veel verwachten. En nooit kunt ge zoo diep in zouden gevallen zijn, of God heeft zijn vergiffenis, zijn volkomen vergiffenis voor u gereed. Zelfs zal Hij uwe zonden, als ze beleden en vergeven zijn, nooit meer gedenken. Hij werpt ze als in de diepte der zee.
Maar .... Hij vraagt van zijn kind dankbaarheid. Hij vraagt, dat zijn kind zich als een offer op zijn heilig altaar zal leggen. Hij vergeeft u, opdat Hij gevreesd worde. 'Na de vergiffenis moet d^ eerste gedachte zijn: Wat zal ik den Heere God voor zijn genade vergelden ? *
En dan vraagt die God alles.
Niet een enkele gift, maar heei uw leven. Toewijding aan Hem en aan zijn dienst van al uw kracht, van al uw verstand, van al uw liefde.
En nu weet Hij wat maaksel we zijn, gedachtig zijnde dat we stof zijn. Hij weet, dat ge in dit leven .het nooit verder dan tot een klein beginsel der volmaakte gehoorzaam heid brengen zult.
En in die zwakheid ondervangt Hij u, opdat de wanhoop zich niet tegen het geloof keere.
Maar wat zijn Majesteit beleedigt, dat is uw voortzondigen in uw oude doen, in uw vorig karakter, in uw oude hebbelijkheid, zonder dat ge er weet van hebt, zonder dat het u grieft, gelijk het uw God grieft, en ponder dat ge gedurig zucht om uw slavenketenen, om uw zonden van u af te schudden.
Wat een oordeel over u brengt, is, dat ge waant tegelijk vrede met uw God èn vrede met uw zonde te kunnen hebben.
En daarom, wat alleen uw geloof weer kan doen opvlammen, het is, dat uw zondigen, vooral na uw bekeering, u tot een ergernis, tot een aanstoot, tot een hinder worde, en dat het ook in u bewaarheid worde: Ik ben bekommerd van wege mijn zonde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 maart 1905
De Heraut | 4 Pagina's