Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Verzorging der emeriti-predikanten.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verzorging der emeriti-predikanten.

11 minuten leestijd

Het derde rapport, dat een hoofdschotel vormt voor den aanstaanden Synodalen disch, raakt de richtige uitvoering van Art. 13 der Dordtsche Kerkenordening.

De regeling, door de Middelburgsche Synode vastgesteld, bracht ons wel een eind op den goeden weg, maar toch nog niet waar we zijn moeten. Uit de kerken zelve bleven voortdurend bezwaren oprijzen, en de Arnhemsche Synode oordeelde daarom aan een vijftal deputaten te moeten opdragen de kerken in deze zaak te dienen van advies. Het rapport van deze deputaten. Prof. Dr. F. L. Rutgers, Ds. W. B. Renkema, Ds. J. H. Donner Jz., en de ouderlingen G. Brugsma en G. A. Bosch, valt in twee stukken uiteen. Het eerste deel geeft een klare en duidelijke uiteenzetting van de „Gereformeerde beginselen", die aan Art. 13 ten grondslag liggen, en het tweede biedt een drietal voorstellen aan de Synode, hoe ten opzichte van de Kerkeraden, Classen en Particuliere Synoden de zaak geregeld zou kunnen worden, en een voorstel, welke hulp de kerken gemeenschappelijk zouden kunnen bieden.

Het eerste gedeelte is zeker van het meeste belang. Het geeft de beginselen aan, waarop de voorstellen rusten. En hoe belangrijk de toepassing en uitwerking dier beginselen ook mogen zijn, om die beginselen zelf is het toch in de eerste plaats te doen.

We nemen daarom dit gedeelte hier over:

De beginselen, die aan dat Artikel ten grondslag liggen, en de beginselen die voorts bij de uitvoering van dat Artikel in aanmerking komen, zijn, naar het oordeel van Deputaten, in hoofdzaak de volgende:

I. De verzorging van emeriti predikanten (als zoodanig onderscheiden van de predikanten, die volgens, Artt. ri, 12 en 14 K. O. uit den dienst eener Kerk of wel uit den kerkedienst in het algemeen ontslagen zijn) en de verzorging van weduwen en weezen van predikanten, die als emeriti.ot als nog dienstdoende overleden zijn, is, evenals de verzorging van dienstdoende predikanten met hunne gezinnen, en om gelijk soortige redenen, geen werk van barmhartigheid, maar eene uitkeering waarop de genoemden rechtmatige • aanspraak hebben; behoudens enkele bijzondere gevallen, waarin de emeritus verklaarde naar het oordeel van hemzelven of van den Kerkeraad der Kerk waaraan hij verbonden was (eventueel van de meerdere vergaderingen) voor zichzelven en voor zijn gezin geen recht op pensioen kan doen gelden.

2. Het recht op pensioen is, evenals het recht op traktement, niet een recht op verzorging met éénzelfde finantieel bedrag. Er geschiedt geen onrecht, maar er wordt juist aan een eisch van billijkheid voldaan, wanneer bij de bepaling der onderscheidene pensioenen rekening wordt gehou den o. a. met:

a. het aantal jaien, welke bij de emeriteering in den dienst des Woords veivuld zijn;

b. den leeftijd, dien de emeritus-verklaarde bereikt heeft;

c. het bedrag van het traktement, dat hem laatstelijk was toegekend;

d. de omstandigheid, of en in hoeverre de emeritus verklaarde (en desgelijks ook predikantsweduwen en weezen) nog in staat is door andere werkzaamheid in zijne nooddruft te voorzien;

e. de verdere omstandigheden, waarin de emeritus verklaarde of zijn gezin verkeeren; /.

f. de finantieele draagkracht der onderschei dene Kerken, in verband met allerlei andere op haar rustende verplichtingen; onder welke ook met name de verplichting tot het toe kennen van voldoende traktementen aan hare nog dienstdoende predikanten moet genoemd worden.

3. De verplichting tot de uitkeering van pensioen rust, evenals de verplichting tot de uitkeering van het traktement, op de plaatselijke Kerk, aan welke de predikant die voor zich of voor zijn gezin daarop aanspraak heeft, verbonden is, of (indien hij nog dienstdoende kwam te overlijden) laatstelijk verbonden was. Wel kan dit eenigszins bezwaarlijk zijn voor eene minvermogende Kerk, die een reeds bejaarden predikant wil beroepen; evenals er voor zulk eene Kerk ook bezwaren zijn, als zij een predikant begeert, die een hooger traktement heeft dan zij zelve geven kan. Maar behalve dat het niet aangaat, als regel te stellen, dat alle be zwaren, die uit minvermogendheid voortvloeien, geheel moeten worden weggenomen, is er in ieder geval geen rechtsgrond, waarop de be doelde verplichting geheel of ten deele ten laste van andere Kerken zou kunnen gebracht worden; , 'e ven min als er op kerkelijk gebied eenig middel is om tot zulke overneming van verplichiingen te dwingen. ledere Kerk is natuurlijk vrij om, voor een bepaald geval en voor een bepaalden tijd de verplichtingen eener andere Kerk mede voor hare rekening te nemen; maar op zichzelf kan geene Kerk rechtens nog finantieele verplichtingen hebben tegenover een predikant, die van haar is losgemaakt, aangezien die verplichting voortvloeit uit den tusschen eene Kerk en haren predikant bestaanden band, en dus met dien band staat en valt.

4. Een rechtsgrond, waarop steunen zou dat eenige Kerk voor de finantieele verplichtingen eener andere Kerk mede aansprakelijk zijn zou, op zichzelf niet bestaande, kan ook niet worden in het leven geroepen door een eventueel beslint eener Generale Synode. Deze toch is bij Gereformeerde Kerken geenszins een bestuurscollege dat aU zoodanig eene eigene macht over de Kerken zou hebben, maar alleenlijk eene ver gadering van de Kerken zelve, waarin deze hare eigene macht, althans voor een bepaald gedeelte, bijeenbrengen; en wanneer nu ieder van die Kerken op zichzelve niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere Kerk kunnen zij gezamenlijk te dien aanzien evenmin eenig zeggenschap hebben. Wel hebben alle Kerken, die zich bij het kerkverband aansloten en zulks blijven doen, zich juist daardoor ver bonden, een evenredig aandeel te dragen in de kosten, die dat kerkverband nu eenmaal medebrengt, d, w. z. in de kosten der meerdere vergaderingen met hetgeen deze voor hare werk zaamheid noodig hebben. Maar andere uitgaven kan eene meerdere vergadering aan de Kerken niet opleggen. Indien zulk eene vergadering tot andere uhgaven besluit, is de uitvoering van een dergelijk besluit altijd afhankelijk van het al of niet medewerken der plaatselijke Kerken zelve, die, ook bij collecten voor gemeenschap pelijke belangen, nooit verplicht kunnen worden een zeker vooraf bepaald bedrag daardoor bijeen te brengen. Daarom is, althans in een Gerefor meerd kerkverband, eene Generale Synode ook niet bevoegd, regelingen vast te stellen waarbij de kerkelijke uitgaven van plaatselijke Kerken op een zeker bedrag zouden bepaald worden, en waarbij het gezamenlijk bedrag dan naar een zekeren maatstaf over de plaatselijke Ker ken zou worden omgeslagen. Dat kan zij niet doen met betrekking tot de kosten van de pre dikantstraktementen of van den kerkedienst of van de scholen of van de Diakonale hulp; maar dan evenmin met betrekking tot de kosten van pensioenen. In djt opzicht zouden eventueele besluiten van de meerdere vergaderingen geen bindende kracht hebben. Zonder twijfel mogen plaatselijke Kerken, ook in zake pensioenen, tegenover elkander finantieele verplichtingen aangaan, zelfs eene soort van onderlinge verzekering in het leven roepen. Maar gesteld zelfs, dat dit voor de Kerken gezamenlijk practisch uitvoerbaar was (hetgeen Deputaten, na nauw keurig onderzoek en gezette overweging, reeds om finantieele redenen meenen te moeten betwijfelen), en dat vele Kerken zich op die manier trachtte te verzekeren voor de eventueel door haar verschuldigde pens'oenen, bereid en in staat tot de groote uitgave van de daarvoor noodige jaarlijksche contributie, dat zou dan toch altijd eene organisatie zijn van de Kerken, die zich daarbij aansluiten, en voor zoo lang zij zulks doen (daar ook eene plaatselijke Kerk niet bevoegd is, te dien aanzien voor goed zich te binden): het zou nooit eene aangelegenheid kunnen zijn van de Generale Synode, waarvan juist het kenmerk is, dat alle Kerken, zonder uitzondering, daarin samenkomen.

5. Aangezien de uitkeering van pensioen eene verplichting is, niet van de gezamenlijke Kerken, maar van iedere plaatselijke Kerk op zich zelve, moet deze het met die verplichting ernstig opnemen, even ernstig als met de uitkeering van het traktement aan den dienstdoenden predi kant; om welke reden ook alleszins wenschelijk is, dat, telkens wanneer eene Kerk eene beroe ping uitbrengt, schriftelijk en formeel de noodige stipulatie geschiede, niet alleen voor het traktement, maar ook voor de eventueele pensioenen, indien de predikant, terwijl hij nog aan die Kerk verbonden was, emeritus werd of kwam te overlijden.

6. Om de uitkeering van pensioenen inderdaad door de plaatselijke Kerken zelve te doen plaats hebben, is allereerst noodig dat zij goed beseffen daartoe inderdaad verplicht te zijn. Dit wordt wel het meest tegengewerkt door de soms gegevene, hierboven reeds afgewezene voorstelling, alsof eigenlijk de gezamenlijke Kerken (die dan gedacht worden, niet als zelfstandige kerken, maar als afdeelingen van één algemeen genootschap) verantwoordelijk en aansprakelijk zouden zijn voor alle pensioenen (en dus ook voor alle traktementen), althans voor zooveel de Kerken zelve ze niet zouden kunnen of willen voldoen; welk bedrag dan zou moeten komen uit eene generale kas, door middel van aan de Kerken opgelegde finantieele bijdragen. Tegenover zulke voorstellingen moeten alle kerkelijke vergaderingen dus de Gerefoimeerde kerkinrichting met nadruk handhaven. £p dan leert reeds de ondervinding van de laatste jaren, dat, waar zulks inderdaad geschied is, de geheele uitkeeiing van een billijk pensioen ook voor menige dorpskerk niet onmogelijk is. Tijdelijk verkeeren zulke Kerken dan zonder twijfel in een moeielijken toestand, evenals dit het geval kan zijn met een gezin, dat door God bezocht wordt met stoffelijke rampen. Maar gelijk een gezin dan, voordat het tot anderen zijne toevlucht neemt, allereerst zijn best doet om de inkomsten wat te vermeerderen en de uitgaven tot het allernoodigste te beperken, moeten ook Kerken er eene eer in stellen desgelijks te doen; waarbij dan natuurlijk voor algemeene kerkelijke belangen hare draagkracht tijdelijk kleiner is, en dus hiervoor niet zooveel als vroeger van haar kan gevraagd of verwacht worden. Bij wezenlijk besef van verplichting zal misschien een groot deel der Kerken, die voor pensioenen te zorgen hebben, wel in staat zijn, zij het ook met moeite en inspanning, om zelf, zonder hulp van anderen, in die uitgave te voorzien.

7. Wanneer eene Kerk inderdaad zóó onvermogend is, dat zij het door haar verschuldigde pensioen slechts ten deele uit haar eigen-middelen kan bijeenbrengen, mag en moet zij de hulp inroepen van andere Kerken, die zelve geen pensioen te betalen hebben ot die toch nog wel tot hulp in staat zijn. Daarbij wordt dan niet ondersteld, dat die andere Kerken voor het verschuldigde pensioen mede verantwoordelijk zouden zijn; maar er wordt met die vraag een beroep gedaan op de Christelijke mededeelzaamheid. En die meded'> elzaamheid wordt dan ingeroepen, niet voor de gepensioneerden zelven, alsof hun eene gift moest geschonken worden; want voor hen is het pensioen in zijn gansche bedrag eene uitkeering, waarop zij tegenover de Kerk die het verschuldigd is, rechtmatige aanspraak hebben; maar de mededeelzaamheid wordt ingeroepen voor eene Kerk, die hulpbehoevend is, en die zonder hulp hare verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Naar den eisch der liefde mo; t die hulp door de andere Kerken dan verleend worden; waarbij alleszins wenschelijk is (iets dat, gelijk aan Deputaten bij hun onderzoek gebleken is, in sommige Classen nog niet genoeg wordt in het oog gehouden), dat dit zooveel mogelijk geschiede in evenredigheid met ieders draagkracht, en dus naar het percentage, dat volgens de schatting der meerdere vergaderingen te dien aanzien billijk te achten is. Wel kan die ondersteuning van hulpbehoevende Kerken, als zijnde een liefdewerk, niet door een gebiedend opgelegden omslag van de Kerken worden afgeëischt. Maar bij een liefdewerk, als waarvan hier sprake is, waarbij velen met elkander moeten samenwerken, en waardoor op bepaalde tijden in vooraf bekende behoeften noodzakelijk moet voorzien worden, kan een goede gang'van zaken toch veelszins bevorderd worden, wanneer door gemeenschappelijk overleg van tevoren bepaald wordt, welk bedr? g er van iedere Kerk naar eene billijke schatting mag gevraagd en verwacht worden. Wanneer dit bepaald is door de Classe (of, voor zooveel noodig door de Synode), dan rust op iedere Kerk de zedelijke verplichting, om met hare bijdrage althans niet beneden dat cijfer te blijven; ook al zou zij zelve meenen, dat van hare goedwilligheid iets te veel werd verwacht; ja zelfs al zou dit werkelijk het geval zijn, doordat, onverhoopt, sommige Kerken zich min of meer onttrokken, en dientengevolge van de andere Kerken nog iets meer moest gevraagd worden. Onder Gods bestuur zal dan toch ten slotte wel blijken, dat zulke zich onttrekkende Kerken zichzelve in allerlei opzicht groote schade doen, en dat Kerken, die blijmoedig geven, door Gods liefde in allerlei opzicht rijk gezegend worden.

Al is bij zulk een advies het onderzoek naar het vaderschap niet geoorloofd, toch zal het voor niemand, die de onderteekenaars kent, aan twijfel onderhevig zijn aan wien dit bondige betoog te danken is.

Dat alle deputaten met het betoog zijn meegegaan, is ons een oorzaak van vreugde. Wanneer men maar afsteekt naar de diepte en begint met de beginselen op den voorgrond te stellen, dan volgt de eenheid in de praktijk vanzelf.

De beginselen, die hier zoo helder en duidelijk ontvouwd worden, zijn zeker van den verst reikenden invloed. Ze raken niet alleen de verzorging der emeriti-predikanten, maar heel het kerkelijk leven.

Moge daarom ook dit rapport door onze kerken met aandacht bestudeerd en overwogen worden, en blijke het straks op de Synode, dat al onze kerken zich met deze beginselen vereenigen.

Al biedt de praktijk dan nog moeilijkheden, met goeden wil is de oplossing daarvan dan wel te vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Verzorging der emeriti-predikanten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's