Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Woorden van verslinding”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Woorden van verslinding”.

11 minuten leestijd

Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en eene tong des bedrogs. Psalm 52 : 6.

Het menschelijke Woord is een macht. Niet altoos. Lang niet zoo zeldzaam is, wat de mensch spreekt, niets dan een aaneenrijging van holle klanken, waar zin noch pit noch geest in zit. Zul'c spieken is gelijk aan een geweer dat niet geladen is, en waarvan men knetterend aldoor de haan overtrekt, zonder te vuren.

Maar al gaat van het ongeladen, leege woord geen werking uit, het wezenlijke Wöör; /is wel ter dege een macht. Haast kan men zeggen de grootste macht, die den mensch ter beschikking is gesteld. Immers in God zelven is het 't Woerd, de adem van den mond des Heeren, die de werking doet. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den geest zijns monds al hun heir. In den beginne was het Woord bij God en 't was God, en door dat Woord zijn alle dingen gemiakt.

En evenzeer als in God het Woord de macht is die schept en verwezenlijkt, zoo is dat Woord, die adem zijns monds, tegelijk de macht in God die te niet doet, die verslindt. Zoo schrijft de apostel aan die van Thessalonica van den ongerechtige, „dien den Heere te niet zal doen door den geest zijns monds." En evenzoo zong de psalmist reeds van ouds, dat „de Heere hen in zijn toorn zal verslinden." De „dood" is het bangst, en ook „den dood zal de Heere verslinden tot overwinning."

Nu schiep God, toen Hij den mensch naar zijn beeld schiep, in dien mensch ook de won dere macht van het Woord, en in dat Woord een kracht, waarvan de werking ten goede of ten kwade schier onweerstaanbaar is.

Natuurlijk huist die kracht niet in den klank. Een geschreven woord werkt soms door de ver menigvuldiging nog onvergelijkelijk sterker. Neen, de kracht komt uit den geest, uit de ziel, maar die zielsuiting, die geestelijke werking vindt in het spreken of schrijven, kortom in het Woord, een middel, om door oor of oog in een ander in te gaan, en daarbinnen zijn ziel te bereiken en te raken, en zoo op zijn geestelijk wezen in te werken.

Een zwakke afschaduwing hiervan bestaat ook reeds in de dierenwereld. Het brullen van den leeuw, het loeien van den stier, zelfs het blaffen van den hond dringt lot onze ziel door. Bij het geluid voegt menig dier nog een kwaadaardig opzetten van den muil. Soms gaat de macht van uitdrukking bij een dier reeds zeer ver. En . ook bij den mensch is het woord volstrekt niet het eenig middel tot zielsuiting. Ook de lach, de traan, het oog kan spreken en welsprekend zijn. Teekens kunnen de spraak vervangen. Maar hoe rijk ook het aantal middelen zij, om iets te laten merken van wat in ons omgaat, het woord blijft vooraan staan, het woord is het majestueuse middel voor zielsuiting. Alleen de mensch bezit het, en in dat bezit vertoont zich een trek van Gods beeld.

Gelijk nu God de Heere door het Woord schept én verslindt, zoo ligt ook in het woord van den mensch de kracht, om, in zijn mate, te bouwen en te niet te doen, te stichten en te verslinden.

Dat vermogen schonk God u, om te stichten wat goed is, wat lieflijk is en wel luidt, en omgekeerd, om te verslinden wat kwaad, wat onheilig en onrein is.

Maar de zonde keert dit gedurig om, en misbruikt het woord, om te stichten wat kwaad en te verslinden wat goed is.

En in dien zin waarschuwt de Schrift u tegen de woorden der verslinding.

Het machtigste woord ter verslinding is de vloek, als God een creatuur vervloekt in zijn heiUgen toorn Daarom zegt de Schrift, dat „de vloek des Heeren woont in het huis der goddeloozen", ja, dat de Heere, eer de gemeene gratie intrad, heel dit aardrijk vervloekt heeft.

Die vloek Gods is een met vernietigingsmacht bezwangerd woord, dat voorlvreet als de kan ker, en met den adem zijns monds te niet doet.

In dat „verslinden" poogt satan God na te bootsen. Daarom zegt de Heere in Job 2 : 3 tot satan: Gij verslindt Job zonder oorzaak".

Die vloek staat tegen den zegen over, en daarom ligt er ook kracht in den vloek of in den zegen van den mensch, voorzoover zijn vloek en zijn zegen uitdrukking geeft aan den vloek of aan den zegen, die uit Gods mond uitgaat.

Als die vloek verslindt, dan is dit een verslinden als van het roofdier, dat niet rust eer wat hij aanviel, tot vernietigens toe weg en verdwenen is.

Zoo nu staat God tegenover alles wat niet uit Hem is, tegen alle zonde, tegen alle ongerechtigheid, tegen al wat tegen zijn heiligen Naam ingaat. En evenzoo moet ook het kind van God staan tegen al wat den toorn Gods opwekt, eerst in zichzelf en dan in de wereld om hem heen.

Bezielde, krachtige prediking brengt in dien zin elke week, op eiken Sabbath, een woord der verslinding, om teniet te doen alle kiem van ongerechtigheid en ongeloof, die nog inde gemeente schuilt. Prediken, is een woord doen uitgaan, dat strijdt tegen wat tegen God ingaat, en tracht het te verslinden.

Op zichzelf kan daarom een verslindend woord kostelijk zijn. Ons woord moet altoos tegen satan en zonde, in vernietigenden, verslindenden toorn gekeerd zijn.

En het misbruik ontstaat eerst daardoor, dat ons woord, in plaats van het kwaad te verslinden, versÜndend werken wil op den tersoon of op wat uit God en goed is.

Dat booze woord der verslinding nu nestelt zich in den laster, in het kwaadspreken, in de nijd, in den haat, in de wraakzucht.

Dan keert uw woord zich tegen uw naaste, tegen zijn persoon, tegen zijn naam en zijn eere. Uw woord schudt dan de liefde uit, en zet zich om in een scherpe vlijm die vernielen wil.

Natuurlijk met verschil in graad.

Bij doodelijken haat kan het woord zoo giftig worden, dat het uitloopt op moord. Maar in den regel is het tevreden, zoo het slechts wonden kan; zoo het kan vlijmen; zeer doen; leed veroorzaken.

En ook hier staat de sluipmoordenaar naast den roover, die openlijk aanvalt. En die sluipmoordenaar is hier de lasteraar, de kwaadspreker achter iemands rug; die zich aan hem koelt, als hij er niet bij is, als tegenspraak is afgesneden, en als men poogt iemand in kwaad daglicht te stellen.

Dan heeft de leugen en heeft het bedrog vrij spel.

In het leven der wereld drijft iemand niet alleen op wat hij is, maar ook op den goeden of kwaden dunk, die in*zijn omgeving omtrent hem bestaat. En nu is de lasteraar, de kwaadspreker er op uit, om iemand zijn goeden naam te ontrooven, kwaad vermoeden tegen hem te verwekken, hem met ongunstig oog te doen aanzien, en hierdoor zijn invloed te breken en hem zijn eer te rooven.

Dat doen nu sommigen uit nijdigen zin tegen hun medemenschen in het gemeen. Aldoor in het kwaadspreken lust. Een ander doet het uit nijd tegen een bepaald persoon, die hem in den weg staat of zijn concurrent is. Maar er zijn er ook, die het schier gedachteloos en uit tijd verdrijf doen. Zooal keuvelend, naar gelang het gesprek toevalligerwijs op deze ot gene komt te vallen. Uit zekeren lust aan kritiek. Soms alleen om het gesprek te vullen.

Zoo is • het in de wereld, maar zoo is het helaas, maar al te dikwijls ook nog in kringen waar men God kent, en toch vergeet een wachter voor zijn lippen te zetten, opdat het „woord der verslinding" niet over de lippen ga.

Juist die ijdele woorden, waarvoor Jezus u waarschuwt, dat ge eens rekenschap zult geven van elk ijdel woord dat gij gesproken hebt.

En daarom vermaant de apostel u zoo telkens, dat toch geen laster of kwaadspreken van de verlosten des Heeren moge uitgaan, omdat het zonde voor God is.

Maar daarnaast staat een heel ander woord der verslinding, dat niet kwaadspreekt, maar integendeel vleit; vleit om te verleiden.

Satan poogt Job te verslinden door haat, maar evenzoo zocht hij Eva te versUnden door het woord der verleiding. Ea de mensch, die de macht van het woord m'sbrjiikt, doet niet anders. De eene maal wondt hij zijn naaste door laster, een ander^maal door vleitaal die verleidt.

Wie lastert, stoot af wie hem in den weg staat en hindert; wie verleidt trekt aan wien hij noodig heeft, om hem te misbruiken. En beide malen is het ons zelfzuchtig ik, dat den naaste aan eigen zin en lust opoffert, om zichzelf te voldoen.

En ook hier is de leugen het wapen. Vleien is leugen, en de verleiding komt nooit anders dan door valsche voorspiegeling tot stand. Dan wordt vertrouwen geveinsd. Het woord neemt een innig, een intiem, een vertrouwelijk karakter aan. Het sluipt in fluweel. Het poogt zacht aan te doen, te winnen en te streelen. De teederste toon wordt aangeslagen. En het doel is over te halen, te winnen voor eigen profijt, ja, den naaste aan zichzelve op te offeren. Weer het versliriden dus!

Satan, de Verleider, heet daarom de menschenverslinder, de menschehmoorder van den beginne, en dit sr.tanisch karakter schuilt in meerdere of in mindere mate in elke verleiding.

De hartstocht, waarmee ge een ongeloovige poogt over te halen om tot Jezus te komen, loopt evenwijdig met den hartstocht van wie tot zonde verleidt. Het is de eene maal den teederen toon van het woord gebruiken om voor het Koninkrijk der hemelen te winnen, de andere maaldienzelfden teederen toon misbruiken om over te halen tot zonde.

Nu zijn er ook in de gemeente des Heeren, die dien teederen toon nooit aanwenden, die nooit voor Jezus winnen, en nooit verleiden.

Er zijn er anderen, die ijveren voor hun Heiland én bidden alsof God door hen bade: Laat u met God verzoenen.

Maar er zijn er, helaas, ook in de gemeente, die de teederste toonen in vleitaal laten uitgaan, en aan verleiding zich bezondigen. Dat God de Heere deze laatsten stuite op hun boozen weg!

En nu nog dit.

Er zijn er ook, die voor elk woord der verslinding bang, nooit cordaat van zich af durven spreken. Ze zien wel, wat tegen het Koninkrijk der hemelen beraadslaagd en beraamd wordt, maar zij zwijgen. Ze zien het aan. Ze gaan er niet tegen in. Uit vrees van hard te zijn, trekken ze zich terug.

Ook dit is een zonde.

De zonde van Eli tegen zijn kinderen. De zonde van alle ouders die het kwaad in hun kinderen zien, en geen woord hebben, krachtig genoeg, om het kwaad van hun kinderen te verslinden.

Het iii de zonde van die velen, die leven en sterven, zonder meê den strijd te hebben aangebonden tegen het kwaad dat de volkskracht ondermijnt, tegen ongerechtigheid, onzedelijkheid en goddeloosheid. Hun geld willen ze dan nog wel geven, maar hun woord, die hooge macht die God hun gaf, laten ze ongebruikt. Jarenlang zullen ze rustig met allerlei personen omgaan, in wie ze klaar het kwaad doorzien, maar zonder er ooit den strijd tegen aan te binden.

En zoo ook zullen ze jarenlang met ongeloovigen verkeeren, zonder ooit den drang, den heiligen ijver in zich te voelen opkomen, om tegen dit ongeloof in te gaan.

Ja, zelfs in hun kerk en in hun vaderland zullen ze den strijd stil geworden laten. Ze zien den gruwel wel, maar ze trekken het zich niet aan. Ze meenen, dat men altoos lief moet zijn, altoos zacht, en dat er nooit een aangrijpend woord over de lippen mag komen.

Alsof de Schrift niet bezaaid was met harde, scherpe woorden tegen zonde en ongeloof! Alsof Jezus zelf niet de hardste, scherpste woorden geuit had tegen het zedelijk en religieus kwaad in zijn omgeving! Alsof het apostolisch woord niet gedurig insneed en vlijmde!

Zulk zwijgen nu is geen liej, maar laf zijn. Het is liefhebben eigen rust en gemak, maar niet zijn naaste, niet zijn God liefhebben Het is liefhebben zichzelf en zijn vree, maar niet liefhebben zijn kerk zijn vaderland en het Koninkrijk der hemelen.

Immers, dit "is de heilige regel, dat ge al wat tegen God ingaat, met alle macht van uw woord bestrijden zult, juist om uw tegenstander, uit liefde voor zijn persoon, van het kwaad dat hem aankleeft en waarmee hij anderen aansteekt, te bevrijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's

„Woorden van verslinding”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 maart 1905

De Heraut | 4 Pagina's