Buitenland.
Duitschland. Uitspraak' van den Oberkirchen rat over de zaak van Dr. Eischer.
II.
Door de uitspraak ven den Oberkirchenrat der Pruisische landskerk over Dr. Fischer's beroep, is deze zaak niet ten einde. Dr. Fischer schijnt in de uitspraak niet te willen berusten, of liever, hij handelt zoo, dat hij genoemd bestuur dwingt om óf zijn leer goed te keuren öf maatregelen tegen hem te nemen, waardoor hij genoodzaakt wordt zijn ambt neer te leggen.
Reeds den 28ten Maart verklaarde hij in eene rede in de liberale parochiale vereeniging, dat hem de beslissieg van den Oberkirchenrat verheugd had, omdat daaruit bleek dat hem geen voorwaarden gesteld werden omtrent zijn verder prediken. Hij wilde dan ook op dezelfde manier voortgaan als hij tot hiertoe met toestemming der gemeenteleden gedaan had. De vergadering nam hierop een resolutie aan, waarin verklaard wordt dat men voldaan is over de beslissing van den Oberkirchenrat en den predikant Fischer dankt voor het mannelijk handhaven van zijn standpunt, dat nu ook door het kerkbestuur als een juist standpunt erkend is.
Het benieuwt ons of dit bestuur het daarbij zal laten. De Oberkirchenrat heeft toch verklaard, dat hetgeen Dr. Fischer geleerd heeft onvereenigbaar met zijn ambtsplicht is, en hem het recht ontzegd de gemeente te „verontrusten" met zijn wetenschappelijke meeningen, en ook zijne Christusverwerpende leer veroordeeld. Daarop antwoordt Fischer, dat hem omtrent zijn prediking in de toekomst geen voorwaarden gesteld zijn; hij zal leeren wat hij tot hiertoe geleerd heeft.
Zal de Oberkirchenrat hierop geen acht slaan ? Wij meenen dat hij daartoe wel genoodzaakt zal zijn. Immers in vele gemeenten is men het moede, gediend te worden door predikanten, die het fundament waarop de kerk des Heeren gebouwd is, ondergraven, en wanneer de Ober kirchenrat wel zacht durft blaffen, maar niet durft bijten om de wolven uit de schaapskooi Christi te verwijderen, dan begint het Christen volk te beseffen, dat het aan zulk een kerkbestuur niet veel heeft.
Mocht de tijd voor Duitschland nog eens aanbreken, dat het volk 't welk nog de kerk des Heeren liefheeft, tot de overtuiging kwam, dat het niet volgens de ordinanliën Gods is, dat het bestuur over de kerk in de hand is van de vorsten van het land en dat er daarom voor de vrijmaking dtr kerk moet gestreden worden.
Engeland. Eene Revival-samen komst met een wanklank.
Het volgende bericht in de Daily Mail omtrent den Revival trok onze aandacht.
In Liverpool stond Evan Roberts voor een vergadering van zeven a acht duizend menschen.
Deze riep plotseling: „Et is een Engelsche vriend onder dit gehoor, die hier gekomen is om mij te hypnotiseeren. „Wilt gij aanstonds dit gebouw verlaten, of anders, indien niet, dan moge de Heere het u vergeven. Hij is geko men om met de heilige dingen Gods den spot te drijven. Maar nog kan God hem wegdrijven als kaf voor den wind."
De meeting had een verkeerd einde. Er waren telkens opnieuw handen opgestoken ge worden en weder naar omlaag gegaan, om te kennen te geven of men tot de een of andere kerk behoorde. Evan Roberts beklaagde er zich over, dat een lid van de vergadering er op tegen had dat dit telkens wederkeerende handopsteken plaats greep en zei dat die persoon om vergeving zou bidden.
„Nu”, zoo riep Roberts uit, „wees er niet verwonderd over als iiw arm aan uwe zijde verdort." Er was een oogenblik stilte, welke verbroken werd, doordat iemand van de galerij riep, dat wellicht hij, die misdeed, een Engelschman was.
„Hij is niet uit Engeland, maar uit Wales", riep Evan; „hij is geen gemeentelid, maar een diaken; hij is geen diaken, maar een prediker; hij is geen prediker, maar een bedienaar des Evangelies. Het zou mij niet verwonderen wanneer hij op dit platform was; inderdaad, hij is op het platform.”
Er was een pijnlijke stilte. Ten slotte ging een predikant, die op het platform stond, tot Evan Roberts en verzocht hem den naam van den broeder te noemen, opdat zij met hem konden spreken. Roberts weigerde dit, doch de predikant. Dr. O. L. Roberts, drong er op aan dat de evangelist den naam van hem die hem hinderde, zou noemen.
„O! broeder, broeder, ik doe het niet, " antwoordde Evan. „De beschuldiging is toch gedaan, " zoo sprak de predikant weder „en daarom dring ik er op aan, dat zijn, naam genoemd worde.”
Daarop keerde Evan Roberts met zijne zuster en mejuffrouw Davies zich om en verliet het platform.
De vergadering riep „Shame!" en ging daarna verre van gesticht uiteen.
Wij houden het er voor dat de jonge man, Evan Roberts, door het houden van meeting op meeting met duizenden menschen, overprikkeld is. Het zou te bejammeren zijn, indien daardoor de beweging werd gestuit. Normaal is zijne houding allerminst. In eene vergadering van duizenden zijn er aUicht enkelen, wellicht velen, die men verdenken kan dat hun geest niet sympathetisch is met dengene die voorgaat. Als men dit niet dragen kan, moet men van het optreden in het openbaar afzien.
Rusland. Een verzoek om reorganisatie der Russische kerk.
De crisis die het Russische volk door z'jn oorlog met Japan doorleeft, heeft de geestelijken der Grieksche kerk m St. Petersburg aanleiding gegeven, om een memorandum in het licht te zenden, waarbij zij de herstelling van de kanonieke vrijheid der Russische kerk en van het patriarchaat voor noodzakelijk verklaren. In dit stuk heet het: „Elke ware zoon der kerk, elke ware ijveraar voor hare zuiverheid en heiligheid moet de ophanden zijnde bevrijding van het godsdienstig bewustzijn van de uitwendige banden, die aan de andere contessiën en den oud geloovigen tot bescherming van de heerschende kerk zekere perken stellen, met ongeveinsde vreugde begroeten." Dan kan men de kerk toch niet meer verwijten, dat zij de oorzaak is van de onderdrukking van andersdenkenden. Dan komt ook het artikel in de Staatswet tot zijn recht, dat zegt: „In het bestuur der kerk werkt de regeerende macht door middel van de door haar in het leven geroepen heilige synode.”
„Reeds met het oog op Galaten 5 : i moet men verlangen, dat de Kerk bevrijd wordt van alles wat de Kerk in knechtelijken staat brengt en haar dreigt te doen buigen onder het uitwendige juk van wereldsche beginselen en doeleinden". „De vrije organisatie van den arbeid der kerk kan niet afhankelijk zijn van het goeddunken der menschen en niet op elke manier in het leven geroepen worden; want in al hare grondtrekken, ja zelfs in de wezenlijke détails is zij door de traditiën, die tot den apostolischen tijd teruggaan, nauwkeurig bepaald en door de kanonieke regelen vastgelegd, die in deze betrekking voor alle tijden kracht en beteekenis behouden, al laten zij voor de toepassing in bepaalde tijden en plaatsen de noodige speelruimte".
De opstellers van het memorandum hebben zich de organisatie der Kerk aldus voorgesteld. Alle. bisschoppen zijn gelijk. De bisdommen moeten klein zijn, opdat de bisschop in staat zij met zijn helpers en raadgevers, de presbyters der kerspelen, zoowel als met de gemeenten, in nauwe verbinding te staan. De hoofdstad van het gebied is de zetel van. een metropoliet of aartsbisschop, die echter niet als zoodanig boven de bisschoppen staat. Onder diens voorzitterschap vergaderen de bisschoppen periodiek bij wijze van conciliën. De hoogste vergadering is het concilie der geheele Russische kerk, van welke de patriarch (aartsbisschop der residentie) de voorzitter is. Voor den tijd tusschen de nationale conciliën is het hoogst kerkbestuur in handen van een commissie van het nationale concilie (de heilige Synode), waarvan de patriarch voorzitter is.
Voor het samenroepen van een nationaal concilie pleiten vele bladen, en men beweerde zelfs dat de bekende procureur der Heilige Synode Pobedonoszew daarvoor gewonnen was. Doch de Czaar heeft op het verzoek tot het saamroepen van zulk eene vergadering geantwoord: dat voor zulk een zaak kalm nadenken noodig was; dat men onder de tegenwoordige omstandigheden niet daartoe kon komen; zoodat men wachten moest tot rustiger tijden. Met andere woorden: de invloed van Pobedonoszew op den Czaar heeft weder getriumfeerd!
Overigens is het verblijdend dat er uit de Russische Kerk zelve stemmen opgaan, welke pleiten voor decentralisatie. Of het echter gelukken zal eenige presbyteriale beginselen in de or£; anisatie der Staatskerk, die hiërarchisch is, iiiÉ te brengen? Wij betwijfelen het. Als men het doet, dan is dit het zetten van een nieuwe lap op een oud kleed, waardoor een nog erger scheur ontstaat.
Dat er eenige verandering in Rusland gekomen is blijkt uit het feit, dat voor de Luthersche Kerk opgeheven is: ie het verbod om zonder toestemming der plaatselijke politie Godsdienstoefeningen, door predikanten geleid, in private lokalen of in de open lucht te houden, ae het verbod om in de Mariakerk te St. Petersburg des namiddags Godsdienstoefeningen in de Russische taal te houden. De intrekking dier verboden geschiedde op grond van punt 6 van het keizerlijk manifest van 25 December jl.
N.-Amerika, Een ernstig woord. In The Interior plaatste Rev. Geo. F. Pentecost, D.D., een artikel, waarin hij een helderen blik werpt op den tegenwoordigen toestand in de nieuwe wereld. Wij hebben behoefte aan een algemeene opwekking, zegt de schrijver. En dan bepaalt hij de lezers er bij, dat hij door opwekking niet verstaan wil hebben de bekeering van eenige honderden of duizenden, maar dat de belijdende christenen meer levend en diep zich de werkelijkheid der eeuwigheid voor den geest zullen stellen en het Godsbestuur in deze wereld, of zooals hij zelf het kort uitdrukt: de tegenwoordigheid Gods in al onze gedachten.
Zonder de vele nobele uitzonderingen in het pubUeke en private leven over het hoofd te zien, weten we toch zeer wel, dat te midden van al den rijkdom en nationalen voorspoed en heerlijkheid, ons politiek leven in menig opzicht verdorven is; in de handelswereld, op het terrein van nijverheid, ja op heel het.breede terrein van het maatschappelijk leven heerscht eene ontaarding, eene afwijking van de wegen en ordinantien ons in Gods Woord geboden. Het is .waarlijk niet noodig, hier in bijzonderheden te treden of de voorbeelden aan te halen. Wie ook maar een weinig meeleeft en niet geheel blind is voor wat in eigen omgeving en ruimer kring zooal voorvalt, zal 't bovenstaande toestemmen. De sterkste optimist moet hier de schaduwzijde opmerken. „Het nationaal en maatschappelijk geraamte is niet in de traditioneele kast verborgen, maar zit op devoorstoep van de capitolen en stadshuizen, de huizen van koophandel en de koninklijke paleizen onzer millionairs.
Stellen wij ons voor de vraag: Vanwaar dit? het antwoord moet zijn: in onze gedachten staat God niet op den voorgrond. Het is bij menigeen nog niet bepaalde verloochening van het bestaan Gods, maar men rekent eenvoudig nieit met den Allerhoogste. En de verwijdering van God uit onze gedachten, hetzij dat wordt aangetroffen bij personen, kerken of natiën, kan op niets anders uitloopen dan op geestelijken dood. Terwijl het zich levend bewust zijn van de tegenwoordigheid Gods zekerlijk tot die gerechtigheid voert, welke niet alleen een volk verhoogt, maar ook den afzonderlijken persoon en de kerk.
En nu willen wij niet beweren, dat het kerkelijk leven altijd een soort afdruk zou zijn van het staatkundig en maatschappelijk leven, of omgekeerd. Maar te ontkennen valt niet dat het verband tusschen deze niet geloochend kan worden.
Dr, Pentecost wijst er met recht op, dat het „God niet in gedachtenis houden" op het terrein van het natuurlijk leven, ook zijn invloed doet gelden op het kerkelijk leven. En dan wijst hij op eenige kwaden in de Amerikaansche kerkelijke wereld, waarop ook de Wachter een enkele maal gelegenheid had te vyijzen.
Allereerst bepaalt de schrijver dan bij de beweging, die steeds meer veld vindt om aan de kerk, (en dan natuurlijk met een godsdienstig tintje) allerlei vermakelijkheden te verbinden, waarin de wereldling genoegen heeft. In New-York bijv. is thans een saloon of herberg met kerkelijke sanctie; Bisschop Potter van de Episcopale Kerk heeft den moed gehad dit onding in het leven te roepen.
Vervolgens gaat het met de leiders der koorzangers ook steeds verder den verkeerden weg op. Deze zangers krijgen voor hnn werk goede betaling; nu, dat laten we nog daar; koorzangers mogen evengoed als een organist of koster eenige vergoeding ontvangen voor hun arbeid. Het kwaad zit hierin, dat er hoegenaamd geen rekening mee wordt gehouden of de zanger ook persoonlijk deelt in wat hij zingt. Feit is dat de kunst gezocht wordt, en niet de verheerlijking van God.
Ook spreekt Dr. Pentecost een woord van afkeuring over het behandelen van letterkundige en .zoogenoemde wetenschappelijke onderwerpen op den kansel, inplaats van de verkondiging van Gods Woord.
Sommigen hebben gemeend dat door de invoering dezer nieuwigheden de toestand der kerk zou worden verbeterd, maar van achteren wordt wel duidelijk dat men door dezen weg in te slaan den toestand niet heeft verbeterd maar verergerd.
Ook in Duitschland is ^hetzelfde gebleken. Als de menschen niet naar het Woord Gods wiUen luisteren, baat een toespraak over Schiller in de kerk bitter weinig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1905
De Heraut | 4 Pagina's