Dvergegaan uit ven boob in het leben
[PAASCHFEEST]
Want wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. I Johannes 3:14a.
Toen in Josef's hof op den eersten dag der week zeer vroeg in den morgenstond, de vrouwen, dragende de specerijen, door het geopende maar ledige graf verbijsterd werden, stonden plotseling twee mannen in blinkende kleederen bij haar. Haar verbijstering ging over in schrik, want de wondere schittering der gewaden, deed haar denken aan wat zij wel eens gehoord hadden van den mensch verschijnende engelen.
Zij dorsten niet opzien, elkander niet aanzien, maar neigden sidderend van vrees haar bleeke gezichten ter aarde.
De engelen spraken.
Zij hoorden het duidelijk: Wat zoekt gij den levende bij de dooden.' Hij is hier niet, maar hij is opgestaan." (Lukas 24 : 5, 6).
Zacht-verwijtend; beslist-ontkennend.
En daarop weer, vriendelijk-manend, met nadruk-herinnerend: „Gedenkt, hoe hij tot u gesproken heeft, als hij nog in Galilea was, zeggende: De Zoon des menschen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan." (Vs. 6 en 7).
Galilea!
Dit woord voert haar weer terug uit het smartvol heden naar een blij verleden.
Over den vreeselijken Sabbat heen, dien zij gisteren hebben doorleefd, toen zij wel geen werk gedaan, maar met haar ontruste gemoederen toch niet konden rusten. Over dien droeven, laten namiddag van eergister heen, toen zij t'huis nog bezig waren geweest met — 't was voor den laatsten liefdedienst aan haar Heer — specerijen en zalven te bereiden, na eerst in stomme smart tegenover het graf te hebben gezeten. Over dien Vrijdag zelf met zijn schriktooneelen op Golgotha en zijn weedom van den smartenweg; en nu zien zij op eens weer zich weken en maanden terug.
Terug in dien zonnigen tijd, in die gelukkige dagen, toen zij in Galilea met den Meester mochten omgaan; indrinkend met haar ziel zijn hartverkwikkende woorden, als hij hield, aan de oevers van het meer, op de glooiende heuvels, zijn prediking van het Koninkrijk; opziende tot hem met al dieper ontzag, als zij in de dorpen en steden aanschouwden zijn machtige daden, zijn wonderen van genezing aan wie krank of bezeten was; innig verheugd en vereerd, als zij hem, den niets bezittende, mochten dienen van hare goederen.
Sneller dan aan den hemel de jagende wolken, drijft dat alles aan haar ziel voorbij, tot zij werden indachtig zijner woorden; die woorden van Jezus, meer dan eens in den kring zijner vertrouwden gesproken, nu door de engelen herhaald.
En zij werden indachtig zijner woorden. Sombere woorden, maar toch eindigend in een woord van blijheid.
Ja, nu herinneren zij het zich weer hoe hij, naar zij hoorden, tot de twaalven had gesproken van een opgaan naar Jerusalem, waarbij alles zou volbracht worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de Profeten: Want hij zal den Heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden, en smadelijk gehandeld worden, en bespogen worden, en hem gegeeseld hebbende, zullen zij hem dooden; en ten derden dage zal hij wederopstaan.
En dan herinneren zij zich ook, hoe de twaalven dat maar niet hadden kunnen verstaan en ook zij het niet hadden begrepen.
Maar thans, nu „zij werden indachtig zijner woorden, " dezer woorden, van zijn spot en van zijn smaad en van zijn dood, maar ook van zijn ten derden dage weder opstaan, nu ging haar over die eertijds zoo duistere woorden een licht op.
Nu verstonden zij : dat de Christus deze dingen moest lijden en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan.
En als door den storm neergebogene korenhalmen, zich opheffend wanneer de winddruk voorbij is, heffen haar neergebogene zielen zich op, nu na het woord der engelen: „Hij is hier niet, maar hij is opgestaan, " de voorstelling van Jezus' dood en graf haar niet meer neerdrukt.
Want wel hebben zij Jezus nog niet gezien, maar zij zijn vast overtuigd, dat niet liegen leeft. de engelen, die zeggen, dat hij
En daarom niet langer zoekend den levende bij de dooden; maar wetend, dat haar Heere overgegaan is uit den dood in he leven; toeven zij niet langer bij het ledige graf, doch spoeden zich naar Jerusalem om te boodschappen al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.
In haar harten straalt al rijker de vreugde, gelijk over haar weg naar de stad al rijker de lichtende morgenzon.
Weldra zijn zij in de opperzaal te midden van hen, die met Jezus geweest zijn en die in hun nacht van droefheid nog treuren en weenen.
Haastig pratend, door elkaar, in driftig uitgestooten woorden, vertellen zij, dat zij zoo even aan het graf zijn geweest; dat het open is; dat zijn lichaam er niet meer in is; dat zij ook een gezicht van engelen hebben gezien, die zeggen, dat hij leeft.
En die het hooren ontstellen.
Voor een oogenblik komen zij uit hun dof-droeve stemming, want aan de voorstelling van dat hij niet dood is maar leeft, verbindt zich een gevoel van vage blijheid.
Doch slechts ook maar voor een oogenblik.
Dan dunkt die voorstelling hun een waan, want wat de trouwen vertellen schijnt hun ijdel geklap, dwaas gebabbel.
En dan zinken zij weer terug in hun doffe droefheid.
Maar de vrouwen, al hebben zij met haar woorden ook minder geluk dan eens de Samiritaansche met het hare dat de lieden van Sichar onverwijld uit de stad tot den Christus vermocht te doen gaan, geven niet op.
Zij vertellen het nog eens en nog eens, en dringen en smeeken om dan toch naar het graf te gaan en te zien dal het ledig is.
En eindelijk geven dan sommigen haar gehoor en gaan heen naar het graf, en bevinden het alzoo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hem zien zij niet. (Lukas 24 : 24)
Daar weest, zyn.te allen tijde christenen geen zij zijn er nog, die wanneer zij in hun Bijbel lezen van deze ongeloovig-heid ten opzichte zijner opstanding in den kring van 'sHeeren meest vertrouwde vrienden, er niets van begrijpen.
Die, zonder dat zij het durven zeggen, toch denken, dat als zij op dien eersten Paaschmorgen bij „de elven en al de anderen" in Jerusalem waren geweest, en dan die vrouwen hadden hooren vertellen wat ze zoo even gezien en gehoord hadden, heter heel anders zouden afgebracht hebben.
Nu mag zeker zelfs geen poging gewaagd om bedoelde ongeloovigheid te vergoelijken.
Nog in den laten namiddag van den dag, waarop hij was opgestaan, heeft de Christus zelf deze ongeloovigheid bestraft in zijn woord tot de Emmaüsgangers: onverstandigeri en tragen van harte, om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben." (Lukas 24 : 25).
Daarover kon dus geen verschil zijn, dat de ongeloovigheid van Jezus' vrienden ten opzichte zijner opstanding zonde was. Maar toch getuigt het van gemis aan ennis van het menschenhart in het algeeen en van het eigen hart in het bijzonder, anneer men van deze zondige ongeloovigeid zoo niets kan begrijpen.
En daarom is het dan ook noodig indien ieletoestand van Jezus' discipelen op den roegen Paaschmorgen, wat dieper in te ringen.
„Wij hebben een gezicht van engelen ezien, die zeggen, dat hij leeft!" — zoo oodschappen de vrouwen aan de elven en an al de anderen.
Op zich zelf was daar voor hen niet zoo eel tegen om dat te gelooven;
't Waren Joden, die elven en al de an n eren, en van engelenverschijningen wisten n ij dus wel uit hün Bijbel, en om aan de g etrouwbaarheid der vrouwen, die hunw ededeelden, dat zij een „gezicht van en z elen hadden, gezien, " zelfs maar te twijfe g en, bestond voor hen niet de minste reden
En, dat een doode weer tot het leven erugkeert, hoe wonderlijk ook, was voor en op zichzelf niet ongelooflijk. p s o l
De lichamelijke opstanding is allerminst en specifiek christelijk Geloofsstuk. a w
De Joden hadden het ook. Het stond in hun Bijbel. In het boek Daniël wordt gesproken van e l l een tijd, waarin: elen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken; dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden en tot eeuwige MZ'~i'^^%-(h. 12:2).
En al waren de Sadduceën „die zeggen, dat er. geene opstanding is, noch engel, noch geest, " (Hand. 23 : 8) — op dit stuk nu ook onrechtzinnig, in den kring van Jezus ging niemand met die Sadduceesche ontkenningen mee. Zelfs een eenvoudige vrouw t als Martha van Bethanië had, toen Jezus van de opstanding van haar, reeds vier dagen gestorven, broeder Lazarus sprak, dadelijk uitgeroepen: k weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. (Joh. II : 23).
Bedenkt men bovendien, dat de elven en al de anderen in dezen Lazarus van Bethanië, even als in Naïns jongeling en Jaïrus dochtertje, met eigen oogen menschen gezien hadden, die uit den dood in het leven waren overgegaan; dat Jezus zelf, bij zijn onderwijs, meermalen van opstanding in den bepaalden zin van wederbezieling van een lijk had gesproken; en eindelijk, dat hij ook zijn eigen opstanding ten derden dage, herhaaldelijk had voorzegd — dan moet men toestemmen, dat er voor de elven en al de anderen op zichzelf niet zoo veel tegen was om te gelooven het woord der vrouwen omtrent de engelen, die zeggen, dat hij leeft.
Bedenkt men daarentegen ook, dat telkens als de Heere gesproken had van zijn lijden en dood, en in verband daarmede van zijn eigen opstanding, dit woord voor hen verborgen was, en zij niet verstonden hetgeen gezegd werd; dat de voorstelling van het sterven van Jezus, in wien zij als in hun Messias geloofden, zich nooit recht in hun bewustzijn had willen voegen; en dat zij plotseling op den Vrijdagmiddag voor de naakte werkelijkheid van zijn dood hadden gestaan; dan wordt hun ongeloovigheid wel niet uit het oogpunt Tan zedelijke beoordeeling goed, maar toch uit dat der zielkundige verklaring begrijpelijk.
De bewering, dat een gewaarwording sterker is dan 'n idee, dan een gedachte, — moge in haar algemeenheid niet juist zijn, in bepaalde gevallen is zij het zeker.
De gedachte aan 'sHeeren dood, door zijn woord bij de zijnen gewekt, zal nooit in die sterke mate hun zielen hebben ontroerd, als huh gewaarwording van zijn ontzielde lichaam dat deed, toen zij het op Vrijdag afnamen van het kruis en legden in het graf.
De ontroering van toen was zoo sterk, dat zij er hun bezinning bij verloren en, verward en verbijsterd, niet meer wisten wat zij er van denken moesten.
Zij verstaan, zij begrijpen niets meer van hun Heer.
En wie gu kennis aan Jezus heeft, geestelijke kennis aan Jezus zelf en niet maar alleen bloot-verstandelijke kennis van deJ feiten die de Bijbel ons omtrent hem verhaalt, zal zich wel wachten voor de ge n dachte zelfs, dat hij het er beter zou afge h bracht hebben dan de elven en al de v anderen.
Want meer dan eens, sedert hij kennis aan Jezus kreeg, bracht' hij het er niet minder slecht af.
Dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Handelingen 14 : 22); dat, die zijn kruis niet op neemt en Jezus navolgt, zijns niet waardig is (Mattheus 10:38); dat allen, die godzaliglijk willen leven in Christus, zullen vervolgd worden (2 Timotheus 3:16) — dat zijn van die Bijbelwoorden, waarmee alle christenen, hetzij door het lezen van de Schrift, hetzij door de prediking, zoo telkens in aanraking komen, dat ze bij niet al te oppervlakkigen, zelfs ten dage dat zij het ruim hebben en niets hen deert en ieder ze eert, ook de voorstelling wekken, dat het wel eens kon verkeeren en dat dan ook zij n den druk en onder het kruis en in de ersmading zullen komen.
En zullce voorstellingen ontroeren dan un ziel. J
Maar zoolang er nu van den druk nog iet wordt gevoeld, en er van een kruis zoo iets is te zien, en van een lijden om de odzaligheid nog in de verste verte zoo niets ordt gemerkt, is die ontroering niet bijonder sterk. Dan, als de ure is gekomen, dat ij er niet maar slechts over denkt en over raat, maar werkelijk voelt den druk van toffelijke of geestelijke ellende, en gij er nder wegzinkt, al dieper, als de drenkeing, wien de golven over het hoofd gaan; ls gij gekomen ziet het kruis, uw kruis, in at gij zelf lijdt of uw lieven lijden, of rger nog, in wat zij u opzettelijk doen ijden, en dan dat kruis, dat gij niet kunt aten liggen omdat uw Heere het u oplegt, i g g G b i t o v u h i h g d u als een zware last, te zwaar is geworden ; als gij hoort en ziet, dat de wereld u, omdat gij met woord en daad godvruchtig in Christus wilt leven, telkens achteruitzet om uw ouderwetsche wereldbeschouwingen u smaadt om uw niet meedoen met haar levenspraktijk en u benadeelt in uw be drijf en uw eer; — dan overkomt het ook hun, die aan Jezus waarlijk kennis hebben, dat de ziel zoo sterk wordt ontroerd, dat zij er hare bezinning onder verliest en in hare verwarring en verbijstering niet meer weet, wat zij er van denken moet.
Dan verstaan, begrijpen ook zij niets meer van hun Heer ; juist als eens de elven en al de anderen.
En wie dat nu bij bevinding kent, weet ook, hoe hij toen, stomp van verstand en traag van hart om te gelooven al wat de Schrift zegt, aan zijn Bijbel niets had; hoe diens vertroostingen en beloften geen vat op hem hadden, wijl zijn geloofswerking als verlamd was. En hij weet ook nog zoo goed, en herinnert het zich met diepe beschaming, hoe toen de goede woorden van zijn medechristenen hem toeschenen als ijdel geklap.
Maar, en dat is nu de heerlijkheid van den levenden Christus tegenover de zijnen, — hij, die uit den dood overgegaan is in het leven, heeft zijn broederen lief en betoont ze deze zijne liefde door, 'ook als zij dus krachteloos en moedeloos treuren en weenen, hen weer te bezielen met kracht en met moed.
En hij die niet maar alleen is de zoon des menschen, maar ook de Zoon van God; hij niet alleen onze Heere, maar ook onze God, doet dat zooals geen mensch dat zijn medemenschen vermag te doen, doordat hij over bovenmenschelijke, over goddelijke kracht beschikt.
Hij doet dat door intewerken en op de wereld onzer gewaarwordingen èn op die van ons denken.
Zoo heeft hij gedaan sedert den eersten Paaschmorgen, toen hij overgegaan was uit den dood in het leven, tegenover de elven en al de anderen. Veertig dagen lang, nadat hij geleden had, heeft hij zichzelven levend aan hen vertoond, met vele gewisse kenteekenen, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan. (Hand. i : 3).
Levend aan hen vertoond; als levend zich voor hen gesteld.
Aan de vrouwen, die bezocht hadden het graf; aan Maria Magdalena in den hof bij het graf; toen, in den namiddag, aan Petrus; tegen den avond aan de Emmaüsgangers en op den avond zelf aan de tien discipelen in de opperzaal. Acht dagen later stelt hij zich in diezelfde opperzaal, als levend, ook voor Thomas; dan aan de oevers van Tiberia's meer voor de zeven; op een van Galilea's bergen voor de elven en vijfhonderd andere broeders; nog eens stelt hij zich voor Jacobus afzonderlijk, in Jerusalem; en dan ten slotte op den Olijfberg, veertig dagen adat hij uit den dood overgegaan was in het leven, ten dage zijner glorieuse hemelaart, stelt hij zich, als levend, voor de lven.
En toen, waar hij zich dus, onder ele bewijzende teekenen, als de levende an hen vertoonde, en zij hem zagen et hun oogen en tastten met hun handen n hoorden zijn stem met hun ooren en ekomen waren, tot de overtuiging dai ij uit den dood in het leven was overegaan, — is hun droefheid geweken en zijn un tranen gedroogd.
Maar nog veel meer heeft hij aan ze u edaan.
Door in te werken op hun denken, heeft ij ze ook het groote en machtige feit ijner opstanding doen verstaan. d h v
Begonnen hebbende van Mozes en al de V rofeten leidde hij hun uit, in al de Schriften w etgeen van hem geschreven was. (Luk. z 4:27). En langzaam, als wanneer voor de e lansen der zon de nevelen wegvluchten, u wam toen voor hun bewustzijn ook waarom ( ezus was opgestaan.
Toen eerst is hun droefheid van weleer n vreugde veranderd, en hun geween in ejuich. n z o
Met den moed van een wereldoverwinnend t eloof en de helderheid van een door Gods g eest verlicht verstand omtrent de ver-o orgenheden des Koninkrijks, zijn zij straks b n de wereld niet alleen opgetreden als ge l uigen van Jezus opstanding, maar zij hebben n ok aan die wereld in woord en schrift erklaard den zin van dit zijn overgegaan le it den dood in het leven. Haar onderwezen, oe deze opstanding moet worden bezien n verband met dat lijden en sterven waarin k ij voor velen vergoot zijn bloed tot vereving der zonden, en wel zóó, dat zij e Goddelijke betooning der aanneming van dezen losprijs is. Haar onderwezen, hoe in zijn overgegaan uit den dood in het leven, de bron ligt van hun overgegaan zijn uit den dood der zonde in dat geestelijk leven, welks vruchten van geloofsmoed, die alles trotseert, en van liefde, die alles verdraagt, de bewondering der toenmalige, door twijfel verlamde en door zelfzucht verscheurde maatschappij wekte. Haar onderwezen, hoe in Zijn overgegaan uit den dood in het leven, de grond ligt van faun verwachting voor de eeuwigheid, van hün hope op een zalige opstanding als aanvang eener nooit eindigende blijdschap, te smaken naar lichaam en ziel.
En gelijk eens aan de elven en al de anderen, doet Jezus nóg aan de zijnen.
Aan dit zijn doen ook aan u, die kennis aan hem hebt, moet gij gedenken ook op het Paaschfeest.
Gedenken hoe menigmaal hij wonderlijk heeft ingewerkt op de wereld uwer gewaarwordingen; op uw wereld van het zinnelijkzichtbare.
Hoe in de dagen van uw treuren en weenen gij plotseling gewaar zijt geworden, dat de druk was veranderd in geluk; dat onverwacht het te zware kruis dragelijk was geworden of ook, u van de schouders getild; dat ongedacht de vervolging, de verguizing, de versmading uwer wereldsche medeburgers in het genieten van gunst en eere zelfs bij hen, was omgezet.
Dat waren u dan de vele gewisse teekenen, de bewijzende teekenen, dat gij een levenden Heiland hebt.
En hij heeft meer gedaan, ook aan u.
U, den soms zoo onverstandige en trage van hart om te gelooven al hetgeen de Schrift zegt, heeft hij dan door zijn Geest ingeleid in die Schrift; uitgelegd waarom dat alles, die druk en dat kruis en die vervolging, zoo moest; uw gedachten daaromtrent omgezet.
Toen hebt gij voor dat wandelen in den smartenweg zelfs gedankt.
Aan deze dingen zult gij gedenken op het blijde feest van Jezus' opstanding, van zijn overgegaan uit den dood in het leven.
Ook aan deze dingen.
Maar aan deze niet alleen.
Gij moet aan dat overgegaan van uw Jezus uit den dood in het leven ook zóó gedenken, dat gij uw geloof, dat gij er uw gerechtigheid voor God door hebt, door sterkt; dat de heilige liefde, die er door uitgestort is in uw hart, door wordt ontgloeid; zóó gedenken, dat de hope, wier vervulling aan dat overgegaan van uw Jezus uit den dood in het leven hangt, er vaster door wordt.
Wanneer nu de heilige apostel Johannes in zijn eersten brief schrijft: „Want wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben" — dan is zeker voor hem niet het erste waaraan hij denkt: Jezus'lichamelijke pstanding ten derden dage; zijn overgeaan uit den dood in het leven.
Het eerste voor Johannes is dan hej overegaan zijn van zichzelf en zijn medegeoovigen uit den dood der zonde in het eestelijk leven; waj: hij elders noemt het it God geboren zijn.
Dan, des apostels' gedachten gaan ook erder en dieper.
Uit de woorden zelf, die hij hier gebruikt, lijkt genoegzaam, dat hij ook denkt aan at van die geestelijke geboorte de grond s; aan het overgegaan van den Christus zelf it den dood in het leven.
En dus met kennelijk doelen op het woner van den Paaschmorgen, te spreken van et wonder der levensvernieuwing, had hij an zqn Heiland zelf geleerd, toen deze zeide: orwaar, voorwaar zeg ik u: ie'mijn oord hoort, en gelooft Hem, die mij geonden heeft, die heeft het eeuwige leven n komt niet in de verdoemenis, maar is it den dood overgegaan in het leven. Joh. s : 24).
Maar juist omdat dan ook uw leveosverieuwing, uw overgegaan uit den dood der onde in het leven des Geestes, in Jezus' pstanding, in zijn overgegaan uit den ijdelijken dood in het eeuwige leven, haar rond heeft, zult ook gij, die weet, dat gij vergegaan zijt uit den dood in het leven, ij Johannes' woord gedenken aan uw Heiand, als den eenmaal gestorvene, maar die u leeft, om niet weer te sterven.
Leeft, om u te doen leven het eeuwige ven midden in den tijd.
En gij kunt dit weten.
Het gewisse kenteeken, het bewijzend teeen daarvan is, dat gij de broeders lief hebt. Die niet lief heeft, blijft in den dood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1905
De Heraut | 4 Pagina's