Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Van kracht tot kracht.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Van kracht tot kracht.”

8 minuten leestijd

Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. Psalm 84:8.

Van kracht tot kracht gaan is groeien, wassen, toenemen. Niet blijven die we zijn, en veelszins achteiuitgaan; maar integendeel vorderen, verder komeo, rijker, voller, overvloediger in het ge loof worden, en, dank zij dit overvloediger ge loof, rijker in Godsvrucht en in vruchten der bekeering waardig.

Dit van kracht tot kracht gaan toont God de Heere ons reeds in de plant. Als de eik pas uitschoot buigt ge hem met uw hand om, maar als de eerst teêre eik stam kreeg en volop boom wordt, weerstaat zijn kracht zelfs den stormwind.

Hetzelfde toont God u in het dier. Datzelfde jonge veulen, dat zich eerst ternauwernood op de been kon houden, is na niet zoo lange jaren het sterke paard geworden, naar welks kracht de mensch zelfs de kracht van de stoom afmeet, en het lacht om den zwaarbeladen wagen en springt met zijn ruiter in het zaal over muur en heg.

En nog rustiger toont God ons dat van kracht tot kracht gaan in ons eigen kind. Eerst dat hulpeloos wicht, dat op den schoot getroeteld en op den arm gedragen moet worden. Dan het spartelen bij de moeilijke looples, tot eindelijk 't eerste van wal steken komt, als de enkels iets vaster zijn geworden. En zoo gaat de groei voort en door, tot eindelijk de volle wasdom bereikt isj en dan is er kracht voor den harden loop, voor den stouten sprong, voor het klim men op de steilste rotsen, voor een tarten van alle moê zijn en mat worden.

Dit nu is alles nog stoffelijk. De groei van eik en paard, en de groei van 't kind naar den kant van 't lichaam.

Maar die klimming in kracht blijft bij het stoffelijke niet, ze gaat uit 't'zienlijke ook in het onzienlijke over. Er is ontwikkeling ook in den menschelijken geest.

Ontwikkeling door oefening van het kunsttalent, dat eerst school, toen uitkwam, en allengs tot machtiger uiting bekwaam werd. Maar ook ontwikkeling door opvoeding, door onderwijs, door eigen inspanning van den denkenden geest, om den geheugenschat al rijker te stoffeeren, het inzicht in de wereld om ons heen almeer te verhelderen, de eenheid te vatten in de veelheid, het verband te voelen tusschen de matte werkelijkheid en het hooge ideaal, en aldus in kracht en geest steeds machtiger te staan.

Altoos groeien, altijd voortvaren, met de Excdsior-s\i% om de borst de bergen op.

En nog weer anders wordt die ontwikkeling, die groei, dat gaan van kracht tot kracht, zoo ge van het onzienlijke der kunst en het ongeziene van het verstand, overgaat op 't erf waar het karakter ontluikt en de zedelijke mensch gevormd en gestaald wordt. Kracht in den wil krijgen en die wilskracht allengs stalen. Eergevoel voelen op waken en dit steeds fijner zien toespitsen. Trouw en eerlijkheid den knop zien ontluiken en steeds schooner opbloeien. Tegenover den zin en de liefde voor waarheid, haat tegen de leugen zien opkomen. Steeds dieper het rechtsbesef voelen insnijden, den ernst des levens zien uitbotten, o. Het geeft alles het schoone beeld van een gaan van kracht tot kracht in de innerlijke persoonlijkheid.

In het lichaam groeit de man, in het verstand de geleerde, in het karakter de persoon.

En toch, in dit alles ligt nog niet wat 't van „kracht tot kracht" in den zang van den psalmist bedoelt.

Er is in het kind van God nog een ander leven, het leven van Goddelijke genade.

En ook in dat leven moet er voortschrijding, moet er groei, moet er ontwikkeling zijn.

Ook hier moet de wet doorgaan. Niet blijven wat we zijn, maar voort en verder komen.

Een gaan van kracht tot kracht.

Nu kent het groeien op stoffelijk gebied zijn maat, zijn perk.

Reeds in den eikel is bepaald, hoe hoog de eik, die er uit opschiet, zich omhoog zal kunnen verheffen. Eerst schiet hij uit, dan groeit en wint hij, maar eindelijk is het perk, is de maat bereikt; en dan moge de eik nog uitgroeien in dikte van stam en breedte van loover, maar hooger komt hij niet meer.

Zoo is het ook met den groei van 't dier. Van klein wordt het groot, en zet 't zich uit, en volgroeit het. Maar na niet vele jaren, soms reeds na enkele maanden, ja na enkele weken, is de maat van 't dier uitgeput, en blijft het in grootte wat het nu is.

En niet anders vergaat 't ons aan 't lichaam. Veel langzamer dan bij het dier, bereikt de mensch allengs zijn wasdom in de lengte. Soms duurt de groei twintig en meer jaren. Maar ten slotte is ook hier de maat voltooid. En ook dan is er nog wel verandering, sterking en verbreeding, maar hooger gaat 't niet. Ja zelfs volgt er met den ouden dag niet zelden inkrimping en verkleining.

Ook bij den kunstenaar is er een oogenblik in zijn leven, dat hij zijn hoogtepunt bereikt heeft, en dat de volheid, de rijkdom van kunstuiting eer afneemt dan wint. En op verstandelijk ge bied moge er een enkele zijn, wiens brein nog op 70 a 80 jarigen leeftijd groen en frischis, ja zelfs nog wint in diepte en weelderigen om vang, — voor verreweg de meesten is toch ook hier een grens gesteld, waarboven men maar niet uitkomt, en die den eindpaal aanduidt der ontwikkeling.

Alleen op zedelijk gebied en bij de karakterontplooiing is die grens op zich-zelve niet aanwijsbaar. Liefde en toewijding kunnen steeds klimmen, deegheid van karakter steeds, tot aan den dood toe, in sterkte toenemen.

En ditzelfde nu is voor Gods kind zelfs als eisch gesteld.

Nooit hier op aarde bij den eindpaal aankomen. Maar altoos voort en verder.

Tot aan ons sterven toe een gaan van kracht tot kracht.

Doch juist hier nu blijkt onze ellende, die zich helaas onverbiddelijk tot in het werk der genade inschuift.

Of ga ‘t bij u zelven, ga 't bij anderen maar na. Ga 't vooral eens na bij een kind van God, dat ge, na een afwezigheid van tien, twintig jaar, terugziet.

Dan moest hij-toch in u, en gij in hem, de rijpe vrucht van dit tien-, twintigjarige genadewerk als met oogen zien, en met handen tasten kunner.

En is dat nu zoo?

Kunt ge metterdaad zeggen, dat een kind van God, dat jong bekeerd werd, op 60 jarigen leeftijd tien jaar verder in de genade is, dan toen het 50 jaar werd? Voelt, merkt ge ver­ dubbeling in genadekracht, als ge op veertigjarigen leeftijd terugziet, wien ge op dertigjarigen leeftijd uit het oog verloort? Staan de ouderen, naar de maat van hun jaren, metterdaad in den regel zooveel hooger? Is altoos de oudste onder de kinderen van eenzelfde gezin in genade het verst voortgeschreden?

Let vooral eens op bepaalde karaktergebreken, op u zeer we! bekende zwakheden en kleine zonden, die ge voor tien, twintig jaren in een kind van God hinderlijk vondt Én is het nu regel, dat ge, zulk een broeder of zuster na verloop van tien, twintig jaren terugvindend, aanstonds de verandering merkt, en met vreugde ontwaart, hoe nu al die hinderlijke zonden en gebreken van vroeger spoorloos verdwenen zijn?

Of is het niet veeleer waar, dat ge na twintig en meer jaren uw kennissen en vrienden, ja uw eigen kinderen en uw eigen ouders, nog maar al te dikwijls terugvindt met dezelfde beperkte genade, die gij voorheen in hen betreurd hadt, en die gave van genade nog altoos omwoeld met dezelfde doornen en distelen als toen ?

En meer nog, als ge op u zelven let, en u indenkt in uw eigen leven voor Gods aangezicht, moet ge dan niet met schaamte bekennen, dat soms tien lange jaren u bijna geen stap verder in geestelijken wasdom hebben gebracht, en het oude onkruid nog altoos even welig op den akker daarbinnen tiert?

Wat is de gemeene gang?

Is het niet dese, dat men bekeerd wordt; dat men na zijn bekeering zijn zin en ziel op het heilige zet, en in allerlei doen anders gaat handelen dan voorheen, en akoo metterdaad een breuke met het verleden en den aanvang van een nieuw leven in zich voelt tot stand komen. Eerst zelfs te ideaal hoog gespannen, zoodat er na korte jaren een kalmeering intreedt.

En dan zet dit stadium van 't genadeleven zich meestal vast. Het blijft wat het is maar de groei is er uit. Men teert op wat in die eerste genadeperiode aan geestelijk kapitaal verworven werd. Men neemt vrijwel toe in kennis, ook in geestelijke ervaring en ^i geestelijke wijsheid, maar tot hooger kracht komt 't niet. Soms ze)fs is er een terugslag, die niet dan met moeite weer wordt te boven gekomen. Zoo is men voldaan. Men streeft naar niet hooger. En zoo blijft men wat men werd tot aan zijn sterven.

We zeggen niet dat 't bij allen zoo is.

Godlof, er zijn er ook, die als schijnende lichten in de gemeente glinsteren, en die tot aan hun dood toe niet ophouden telkens voller teug uit den beker der genade te drinken.

Maar toch, hoe heel anders zou de openbaring van het Koninkrijk der hemelen onder ons volk niet zijn, zoo allen die geloofden, zoo allen die zich kinderen Gods weten, van de ure der bekeering af tot aan hun sterven steeds het voort en verder! in hun ziel deden weerklinken.

Wie zegt ons, wat het in uw hart, in uw huis, in de Gemeente des Heeren zou zijn, zoo 't bij ons allen was en bleef een steeds en rusteloos gaan van kracht tot kracht!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's

„Van kracht tot kracht.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 mei 1905

De Heraut | 4 Pagina's