GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„U verwachten wij den ganschen dag.”

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

„U verwachten wij den ganschen dag.”

8 minuten leestijd

Leid mij in uwe waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganschen dag. Psalm 25 : 5.

Niet alleen in het woud en in de wildernis op deze aarde, maar ook in zon, maan en sterren is het de Geest, die met den Vader en den Zoon, alle kracht in stand houdt en werken doet. Zoover er creatuur bestaat, werkt in dat creatuur de Geest. Zonder de werking van dien Geest is geen natuurkracht zelfs denkbaar. En die Geest, die alzoo in alle cieaturen werkt, is niet een andere dan de Heilige Geest, maar die Heilige Geest zelf, aan te bidden in het Drieëenig Wezen als de derde hoogheilige Persoon.

Maar dit is het onderscheid: die Geest wordt in zijn heiligheid, wordt als heilige Geest niet gekend noch aangebeden dan onder de creaturen die zelve geestelijk van aard zijn, en zich van hun geestelijk karakter bewust zijn geworden. Daarboven de engelen Gods, hier op aarde de kinderen der menschen.

Een ster aan het firmament is brute stof en weet van geen heiligheid. Een plant is buiten heilig besef. En al wordt in de Schrift aan het dier een ziel toegekend, en al heeft het soms zeker vernuft en wilskracht, ook het dier staat toch buiten de sfeer, waarin de heiligheid des Heeren bekend wordt.

Aansluitend besef van de heiligheden des Heeren wordt hier op aarde alleen in den mensch gevonden.

Niet terstond na de geboorte. Het kindeke in de wieg leeft nog enkel vleeschelijk; heilige gewaarwordingen kent het nog niet. Eerst onder het verder opgroeien begint dat besef allengs te ritselen. En ook dan duurt het vaak nog lange jaren, eer hooger zedelijk besef van de heiligheden Gods althans zoover ontwaakt, dat de conscientie veerkrachtig tegen het onheilige dezer wereld inwringt.

Maar ook zoo ligt het alles nog buiten de heilige sfeer van ons Pinksteren.

De Pinkstergenade is iels wat alleen de Gemeente kent. |Ze is het hoog-heilig privilegie van de gekochten des Heeren. De wereld kent die genade niet en ziet ze niet. Ze heeft er zelfs geen flauw vermoeden van, wat die genade zijn zou.

Maar juist daarom moet er zoo streng tegen gewaakt, dat de gemeente, op grond van dat privilegie, zich niet ga inbeelden, alsof de Geest in die nog niet geredde wereld niet werkte, en althans aan de natuurkracht in de stoffelijke, onbewuste schepping geheel vreemd zou zijn.

In te mystieke, te overgeestelijke kringen steunt men maar al te vaak op die dwaling. En daarom moet het telkens weer beleden en herinnerd: De 'Geest is in alle creatuur, de Heilige Geest werkt in alle creatuur dat een redelijk leven bezit, maar de gemeenschap des Heiligen Geestes, die het Pinksterwonder bracht, wordt alleen gekend en gesmaakt in de Gemeente des Heeren.

In dat onderling verband moet ge de werking van den Geest, de actie van den Heiligen Geest, en de gemeenschap van dien Heiligen Geest, als in één bundel saambinden.

Anders laat 't kind van God, zonder ontferming, de onbekeerde wereld varen, en komt in regelrechten strijd met de bede des Heeren: „Ik wil niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaartin de wereld"!

En nu het tweede punt, dat ge scherp in het oog zult vatten.

De Heilige Geest is op den Pinksterdag voor het eerst en voor eens uitgestort, en bleef van die ure af in de Gemeente wonen, verlaat haar nimmermeer, en zal eeuwig in en bij haar blijven.

Maar.... en dit wordt maar al te vaak vergeten, wat in de Gemeente bestaat, is daarom volstrekt nog niet altoos in een ieder aanwezig die tot die Gemeente gerekend wordt.

De wezenlijke Gemeente des levenden Gods is het lichaam van Christus, het mystieke lichaam, waarvan Hij het Hoofd is; en in dat mystieke lichaam woont de Heilige Geest, eerst in het Hoofd, en bezielt van uit dat •Hoofd, langs alle geledingen en weelsels en aderen, al wat als levend lid in dat Lichaam is ingezet en met dat Lichaam meeleeft.

Het zijn niet een eenling hier en een eenling daar, die elk op zichzelf den Heiligen Geest ontvingen, en die nu, door vereeniging, het Lichaam van Christus vormen. Een lichaam ontstaat niet zóó, dat er eerst de leden zijn, en dat daarna die enkele leden tot een lichaam worden saamgevoegd. Het lichaam wordt ontvangen en geboren met de aanzetsels en beginsels er in voor elk lid, dat er later aan uit zal komen. Zelfs de baard, die eerst op later leeftijk om de kin uitkomt, wordt er niet van buiten aangebracht, maar komt op uit een kiem, die hel kindeke reeds bij de geboorte met zich bracht.

En in dat lichaam is het leven. Niet in een lid op zichzelf. Een afgezet been is dood. En zelfs kan men een arm, die nog aan het lichaam zit, doodleggen, en die arm wordt dan eerst weer levend, als uit het lichaam het bloed weer toevloeit.

En zoo nu is het ook in het Lichaam des Heeren, hetwelk de Gemeente der Heiligen is. Het hoofd van dat Lichaam is onaantastbaar. Christus is in de heerlijkheid. Uit en van Hem wijkt de Heilige Geest nooit. En wijl nu Christus als het Hoofd, van het Lichaam onaf scheidelijk is, is de Heihge (Jeest, is het leven der Gemeente, in dat heihge Hoofd altoos verzekerd en gewaarborgd.

Hoever het leven ook uit de leden van het Lichaam op een gegeven oogenblik wegsterft, uit het Hoofd stroomt het toch weer met onweerstaanbaren aandrang aan de leden toe. En zelfs oefent het straks weer die wondere assimileerende kracht, die in elk Reveil zoo heerlijk uitkomt.

Natuurlijk is die Gemeente niet identiek met de zichtbare kerk. Maar toch ook 'die zichtbare kerk leeft niet anders dan door den Heiligen Geest, die, uit het Hoofd van het onzichtbare Lichaam des Heeren overvloeiende, ook die kerk juist zoolang levend houdt, als de band, de levensband met dit onzichtbaar Lichaam, door de kerk niet wordt verzaakt.

En dit nu is de uitwerking van dat inwonen van den Heiligen Geest in de Gemeente, dat wie als levend lid met die Gemeente organischgeestelijk verbonden is, een gemeenschap met het Drieëenig Wezen kent en smaakt, als daarbuiten niet bestaat.

Ook daarbuiten, onder de onbekeerden, wordt wel zeker besef van Gods aanzijn gevonden. Ook wel zeker gevoel van afhankelijkheid van een hoogere macht. Conscientie-spraak wordt ook in hun hart beluisterd. Aan wat er na den dood zal komen, denken ze vooral op gevorderden leeftijd zeer dikwijls.

Niet allen. Op verre na niet. Zelfs'mag niet verheeld, dat het getal steeds toeneemt van wie zich ganschelijk niet meer, zoo min om God als om hun zonde en om hun lot na den dood, bekommeren.

Maar dit neemt niet weg, dat zoowel in Christen-als in Heidenlanden nog altoos een breede kring leeft, die zekere algemeene Godsdienstigheid in eere houdt.

Hetgeen daarentegen deze kring geheel en ganschelijk mist, dat is niet de conscientie werking van, maar wel de gemeenschap met de Heiligen Geest. En gemeenschap met den Heiligen Geest is natuurlijk niets anders dan gemeenschap met God zelf.

Gemeenschap met God, nu niet bedoeld als de gemeenschap van de kudde met den Herder, niet de uitwendige aanraking met Gods bestel in ons levenslot, niet als alzijdige afhankelijk heid van God, neen, maar bedoeld als de onmiddellijke ontmoeting tusschen het Ik van God en het ik van ons hart in de mystiek der genade.

Ge hebt van den heihgen apostel gehoord, en ge hebt zekere gemeenschap met den man van Tarsen bij het lezen van zijn brieven. Maar het zou u toch nog geheel iets anders zijn, als ge met Paulus een jaar lang kondt saam leven.

Welnu, dat zelfde verschil geldt het hier.

Ge kunt van God gehoord hebben, van zijn wonderen, van zijn deugden, van zijn krachten en mogendheden, en dat toch die God u vreemd bleef.

Maar dit nu geeft de gemeenschap des Geestes, dat zij uw ziel vergunt dien God persoonlijk te ontmoeten, dien God persoonlijk te leeren kennen, met dat Eeuwige Wezen persoonlijk om te gaan, en alzoo als een kind met zijn vader, met dien Drieëenigen God te verkeeren.

En dat nu brengt u het verwachten van den Heere.

Een vriend ontmoet zijn vriend, en straks scheiden ze weer. Maar het kind verwacht zijn vader, omdat het bij zijn vader hoort, en zijn vader mist als hij er niet is. En zoo ook is het in deze gemeenschap met God door den Heiligen Geest.

Wie eenmaal daartoe gekomen is, dat hij persoonlijk God als zijn Vader heeft leeren kennen en in zijn verborgen gemeenschap is ingeleid, die blijft daarom niet aldoor in die gemeenschap. Dat laat de veelbezigheid van onzen arbeid niet toe. Daar gaat de verstrooiing der wereld tegen in. Dat snijden we zelve gedurig af door zondige opwellingen uit ons onrein gemoed. En ook onttrekt de Heere ons deze zijn gemeenschap niet zelden, om het verlangen naar die gemeenschap opnieuw en weer sterker te prikkelen.

Maar, en dit is het kenteeken, een kind van God, een geloovige, die deze gemeenschap eerst genoot, en nu ze verloor, die mist ze, die voelt een leegte, die heeft geen rust eer ze teruggevonden is; en zelfs als hij uit zijn slaap in den morgen ontwaakt, is zijn eerste zielsdrang om die gemeenschap weer terug te erlangen.

Van tweeën één: df het kind van God heeft deze gemeenschap, óf hij verlangt er naar, hij bidt er om, hij verwacht ze al den dag.

In de ure der bekeering is het een zoeken van wat men nog niet bezat. Daarna een terugzoeken van wat men verloren had.

En ook hier geldt het: Wie zoekt die vindt, wie klopt, dien wordt opengedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1905

De Heraut | 4 Pagina's

„U verwachten wij den ganschen dag.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 juni 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren