„Bij bezit alle natiën”.
Sta op, o God, oordeel het aardrijk; want Gij bezit alle natiën. Psalm 82 : 8.
Het gaat in het groote Verlossingswerk ziel voor ziel. Kind voor kind wordt tot het Vaderhuis toegeleid. Reeds de uitverkiezing drukt op elk uitverkorene een persoonlijk stempel. En gelijk in de natuur geen twee bloemknopjes aan eenzelfde struik, geen twee bladen aan eenzelfden boom en geen twee starren aan het ééne firmament gelijk zijn, zoo ook zijn er onder de vrijgemaakten des Heeren geen twee volmaakt eender.
De rijkdom, de overvloedige heerlijkheid van de mogendheid onzes Heeren schittert in het eindeloos anders-zijn van zijn schepselen, in de nooit eindigende schakeering van wat uit zijn hand voortkwam, in een altijd nieuw-zijn, een iets afzonderlijks, en eigens zijn van al wat aan Hem als Oppersten Kunstenaar zijn oorsprong en bestaanswijs dankt.
De „hartstocht der zielen, " gelijk men het genoemd heeft, ontleent hieraan zijn bestaansrecht. Vooral in de dagen van heilig réveil was het steeds te zien, hoe die dorst om een ziel voor Jezus te winnen, schier een ieder aangreep; en hoe groot ook de afdoling van het Methodisme moge zijn geworden, in die drijfjacht om zielen voor Christus te vangen, vond het steeds en vindt het nog zijn glorie.
Jammer slechts, dat onze menschelijke beperktheid ons altoos in het ééne of andere uiterste doet overslaan. Waar die dorst om zielen voor Jezus te winnen, leeft, stuit ge bijna onveranderlijk op onverschilligheid voor kerk en volk, voor maatschappij en vaderland. Maar ook omgekeerd, waar de heiligheid voor kerk en land de harten beheerscht, wijkt zoo licht heilige jaloerschheid, om wie nog van verre staat naar Jezus te lokken.
2oo ontbreekt beide malen de rijke, volle harmonieëerende ontplooiing van het geestelijk leven.
Wie zielezoeker van professie is, kan nauwelijks met iemand in aanraking komen, of zijn eerste nieuwsgierigheid is te weten, of hij zijn Heiland belijdt; om, bleek dit niet zoo te zijn, onverwijld, vaak onbescheiden en overmoedig, hem tot bekeering op te roepen, en juist daardoor soms af te stooten.
Hier is gloed, maar een gloed die niet zelden zengt en afstoot, in plaats van te koesteren en daardoor te winnen.
Maar het omgekeerde doet nog pijnlijker aan. In hem die op de zielen jaagt, moge een ijver zonder verstand verteren, maar de heilige ijver is er dan toch. Er is actie voor Jezus. Er is een rusteloos bezig zijn, om den kring van wie Hem belijden, te doen dijen. Er is besef van hetschriklijke, als een ziel voor eeuwig verloren gaat, en daarom een instinctief uitwerpen van het reddingskoord, om een ziel te redden van het verderf.
Bij hen daarentegen, die opgaan in kerkelijke vraagstukken en in dogmatische fijnheden, stuit ge, wat de redding der zielen aangaat, niet zelden op ijs. Weken, maanden, jaren lang zullen ze op en neer gaan met mannen en vrouwen, die nog aan alle bezielend geloof vreemd zijn, zonder dat het ooit in hen opkomt, om ze voor Jezus te winnen. Ze weten opperbest, dat al die personen nog verre van hun Heiland staan. Ze erkennen dogmatisch dat ze zoo stervend, een eeuwig verderf tegemoet gaan. En toch steken ze geen hand uit, om ze uit het verderf te redden. Soms zelfs kwam er nooit een woord over hun lippen, om hun de liefde van den Christus voelbaar te maken aan hun hart.
Zoo staan de uitersten tegenover elkander. Hier ijver zonder verstand, daar veel verstand maar zonder ijver. Verbroken harmonie. Gedeeld wat één moest zijn. En in de wrijving tusschen die twee eenzijdigheden lijdt de zaak des Heeren, lijdt het Koninkrijk der hemelen onnoemlijke schade.
Dit zij onomwonden op den voorgrond gesteld, opdat niemand wane, dat het jagen op de enkele ziel geen hooge waardeering zou verdienen, noch ook zich inbeelde, dat het koud en onverschillig verwaarloozen der enkele zielen, ooit verschoonlijk voor den Kenner der harten zou zijn.
Wie zelfs een dienstbode in zijn huis kan zien komen, en er weer uitgaan, zonder dat althans een poging gewaagd is, om haar ziel te treffen, zal 't te laat in den dag des oordeels ervaren, hoe ook het bloed van die ziel van zijn hand zal geëischt worden.
We staan voor een ieder met wien we in aanraking komen, verantwoordelijk, en hoe er zelfs geloovige ouders kunnen zijn, die rustig op het ongeloof van hun kind kunnen toezien, blijft voor wie nog aan ouderliefde gelooft, een volstrekt onoplosbaar zielkundig raadsel.
Onbesuisdheid moge onhandig, kieschheid en teederheid cisch zijn, maar het bevroren hart kan nooit aan schuld ontkomen. Het komt te kort èn in liefde voor zijn Heiland èn in liefde voor zijn naaste. Alleen maar, met die liefde voor de enkele ziel, hoe diep-heilig ze ook werke, zijn we er niet van af. God de Heere bezit niet alleen de enkele zielen als zijn kunstwerk, maar ook de natiën en volkeren zijn Zijns.
In de geslachten, familiën en gezinnen wordt die band reeds voelbaar. Hier heerscht de Verbondsgedachte. Heele geslachten door één gouden draad van geloof saamgevlochten, en daarnaast andere geslachten, familiën en gezinnen, waarin geen geloof blijkt te kunnen doordringen.
Neen, het zaligmakend geloof is geen erfstuk dat de vader of moeder aan het kind vermaakt. Maar wel heeft het Gode beliefd de lijn van het Verbond, den gouden draad der toebrenging, aan geslachten en familiën te verbinden. Het „U en uwen zade" aan Abraham toegezegd, gaat ook onder de bedeeling des Nieuwen Verbonds door. En zelfs in familiën, waaruit voor een tijdlang het geloof wegstierf, en waarin het daarna terugkeert, bevindt ge bij onderzoek bijna altoos, dat er in het tweede of derde geslacht dat er achter ligt, een vrome moeder of vrome vader is geweest, die den zegen des Heeren voor die kinderen en kindskinderen heeft afgesmeekt.
Gods werk dringt tot in het diepste wezen der enkele ziel door, maar de enkele zielen die Hij redt, vormen niet een zandhoop uit losse korrelen, maar een heerlijk gevlochten netwerk, dat met onzichtbare draden het voorgeslacht met wie nu leven, en wie nu leven met elkaar verbindt.
Gods kunstwerk schittert niet uitsluitend in de enkele zielen, maar tenminste evenzeer in het onderling verband, dat ze houdt saamgevlochten, en juist door die saamvlechting ontstaat een nieuw schoon, een nieuwe heerlijkheid, waarin de rijkdom der genade overvloeit.
En dit nu gaat ook tot 01^ de natiën Aoor. Ook de deeling en splitsing der menschenkinderen in natiën en volken is Gods werk. Moge al in de vorming van landen en staten veel kunstmatigs en toevalligs hebben meegewerkt, de vorming van het eigen karakter der natiën is zijn doen, zijn schepping, zijn wonderbaar kunstproduct.
Niet alleen de enkele ziel, en het enkele geslacht, ook elk volk en elke natie heeft van Hem een eigen stempel, een eigen grondkarakter, eigen gaven en talenten, en daarmee een eigen roeping ontvangen.
Geslachten komen en sterven weg, maar wonderbaar blijft in eenzelfde natie, eeuw in eeuw uit, eenzelfde grondtype zichtbaar. En daarom hoort ook het nationale leven, als in Hem zijn oorsprong vindend, Hem toe. Hij bezit de natiën, zooals een kunstenaar zijn beeldengroep, een schilder zijn verzameling schilderstukken bezit.
Hij heeft er zijn Goddelijk kunstmerk op afgedrukt. Hij houdt in de natiën dat kunstmerk in stand. Wat Hij er in legde, slijt niet uit, sterft niet weg. Hij houdt 't in stand. Hij ontplooit het. En Hij stelt niet alleen aan de enkele personen en ge , zinnen, maar ook aan de enkele natiën zijn Goddelijken eisch van wat ze voor zijn Koninkrijk en voor de eer zijns Naams wezen moeten.
Maar ook hierin is eindelooze verscheidenheid. Geen twee natiën zijn eender, geen twee rassen of stammen gelijken volkomen op elkander. En ook dit verschil komt sterk uit, dat de ééne natie dienst doet buiten, de ander in den Voorhof, terwijl er slechts enkelen zijn, die hij oproept tot dienst in het Heilige, terwijl tot in het Heilige der Heiligen nooit en nimmer een geheel volk of een geheele natie is toegelaten.
Ge ziet dit verschil heel de historie door, en ge wijst ze met den vinger aan, de natiën die blijkbaar werden opgeroepen, om haar geheel bestaan in den strijd voor de zake des Heeren te doen opgaan.
Zoo was het eens met Israël, daarna met Juda, en ook in de latere historie trekt zich keer op keer de strijd voor de zake Gods in zeer enkele natiën saam, wier grondtrek van karakter op het zeer diep doorleven van de heiligste gewaarwordingen was aangelegd.
Zoo nu geldt het ook voor onze natie, dat heel ons nationaal bestaan van meetaf op het innigst met de sake van Gods Koninkrijk wassaamgevloi-jten. Niet, alsof allen in onze natie dat ooit persoonlijk meêgevoeld en meêdoorie' *^1 hebben, o. Ze waren er steeds bij duizenden en bij tienduizenden die, al vloeide het Neêrlandsch bloed hen door de aderen, nooit iets van die heerlijke zuiging in hun eigen zielsbestaan ontwaard hebben. Bij massa gingen ze er zelfs tegen in.
Maar dit neemt niet weg, dat de stroom van het nationale leven, in oogenblikken van hooge spanning, altoos weer door de heilige bedding vloeide, en dat er zeldzame overvloed van geestelijke genade over alle rangen en standen der maatschappij als met versche zalving werd uitgegoten.
Doch juist dit legt dan ook aan de dienstknechten en dienstmaagden des Heeren, die uit ons volk gesproten, op onze erve wonen, telkens opnieuw de heilige verplichting op, om voor de heiliging ook van he nationale leven rusteloos den strijd aan te binden.
Het is een worsteling als tusschen twee geestelijke machten, met de vraag, aan welke van die twee in ons nationale leven de zegepraal verblijven zal. Een worsteling onzerzijds om, na elke afdoling, ons nationaal bestaan weer op den weg onzes Gods te leiden. Een worsteling waarvan we nooit kunnen aEaten, zal de diepste en heiligste grondtrek van ons nationale wezen tegen versterving worden gevrijwaard.
Ieder voelt dat die strijd, beslister dan ergens elders, ook nu weer op onze erve is uitgebroken.
De uitkomst van die worsteling is ook nu in Gods hand; maar ook nu zijn het de kerken Gods in deze landen, en zijn het de geroepenen des Heeren op onze erve, die daarbij als instrument in de. hand des Heeren trouw en dapperheid hebben te betoonen.
God bezit de natiën; ook ons nationale wezen is Zijn eigendom.
En daarom komt tot u, belijders des Heeren, in al uw kringen en kerken en gezinnen de heilige roeping, om te waken en toe te zien, dat Gode dit zijn eigendom niet worde ontroofd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 augustus 1905
De Heraut | 2 Pagina's