Uit de Pers.
Gaarne nemen we hier ook over het woord van hartelijke waardeering, dat Prof. Honig in de Bazuin, naar aanleiding van het feest der Vrije Universiteit, deed beluisteren :
Telkens weer is het in den loop der eeuwen gezien, dat machtige gebeurtenissen op religieus gebied haren invloed ook deden gelden op het terrein der wetenschap. Vergenoegde de jeugdige kerk van Christus zich aanvankelijk met alom te prediken het Evangelie der behoudenis, toen zij in kracht en invloed won en zij zich tegen de aanvallen der heidensche geleerden te verdedigen had, haastte zij zich met het oprichten van Theo logische Scholen, opdat de aanstaande dienaren des Woords eene wetenschappelijke opleiding zouden ontvangen. En hiertoe bepaalde zij zich niet. Allengs rijpte het inzicht, dat op heel het erf der wetenschap beginsel tegenover beginsel moest worden gesteld, en in Augastihua stond naar Godes aanbiddelijk bestel de man op, die door een niet orthodox geleerde onzer dagen »der wahre Aristoteles emer neuen Wissenschaft' genoemd is.
Hetzellde verschijnsel herhaalde zich in de eeuw der groote Reformatie. Aanvankelijk ging het over de zoo gewichtige vraag: Wordt de zondaar ge rechtvaardigd door het geloof of door de werken der wet? Maar lang duurde het niet, of in Duitschland werden de Universiteiten gereformeerd, in Geneve werd door Calvijn het «College de Geneve' gesticht, en Prins Willem schonk aan de Nederlanden een Universiteit.
In den zooveel kleiner kring van ons eigen vaderland vertoonde zich in de vorige eeuw, welke haar voorgangster zoo verre in belangrijkheid overtreft, een zelfde schouwspel. Toen de Geest leven blies in de doodsbeenderen en de kerk des Heeren uit haar slaap ontwaakte, spande men zich eerst allerwege in, om toch maar van stad tot stad en van dorp tot dorp de verkondiging der waarheid, die naar de godzaligheid is, te brenj^en. Daarna richtten de vrijgemaakte Kerken de Theologische School, die in het vortge jaar haar gouden eest vieren mocht, op, en vestigde men van Nederlandsch-Hervormde zijde het oog vooral op de Theologische Faculteit. Zeker waren er toen ook reeds mannen, die inzagen dat men nog verder gaan moest. In zijne magistrale rede »De eerste vijf-en-twintig jaren der Vrije Universiteit" heeft nog onlangs Prof. Woltjer aan de hand van het rijke boek «Voorheen en Thans" van zijn ambtgenoot Fabius er aan herinnerd, dat Groen van Prinsterer in 1844 aan da Costa schreef: Eene gunstige uitwerking zou de afwijzing i) kunnen hebben, indien wij wat minder traag en slaperig waren; (e weten, ÏOP de onmogelijkheid om op openbare inrichtingen Christelijke beginselen te brengen, de noodzakelijkheid van eigene inrichtingen deed inzien". Maar weerklank vonden zulke stemmen destijds nog niet. De oven der verdruk king moest nog heeter worden gestookt, alvorens in breede rijen de belijders van den Christus van de noodzakelijkheid eener vrije Gereformeerde Hoogeschool overtuigd waren.
De wet op het hooger onderwijs van 1876, welke de theologische faculteit misvormde in eene faculteit voor godsdienstwetenschap, gaf aanleiding tot het feit, dat men de hand aan den ploeg sloeg Ook nu ging het weer naar den wondervoUen regel, dien Jozef eenmaal aldus onder woorden bracht: Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht. In Dr. A. Kuyper verwekte de alwijie God den man, wiens machtige geest de beginselen op wetenschappelijk terrein tot in hunne diepste wortelvezelen toe wist blooi te leggen, en wiens heldenmoed zelfs niet voor de stichting eener Universi telt terugdeinsde. En naast hem zette dezelfde goede God een geleerde, dien gij schier nimmer kunt hooren spreken, of de vraag komt bij u op, of deze professor niet alleen Theologiae Doctor maar ook een Juris Doctor is?
Het optreden van deze pleitbezorgers in de pers en in vergaderingen vond binnen en buiten den kring der Hervormden (wie vergeet de hartelijke sympathie, wa rmede o. a. van Velzen en brummelkamp de jeugdige stichting verwelkomaen? ) warme instemming. Meerdere mannen van positie gaven hun naam en hun goud. De kleine luyden bleven waarlijk niet achter. En zoo kon op den 20sten October van hef jaar 1880 de Vrije Universiteit geopend worden.
In velerlei opzichten is de weg, waarlangs zij te gaan had, niet gemakkelijk geweest. Het pad voerde wel eens door de diepte. Soms werd ook aan haar vervuld het woord van onzen dierbaren Heiland: Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op en volge Mij. Smartelijke ervaringen hebben hare hoogleeraren, hare directeuren, hare curatoren, hare studenten en hare talrijke vrienden en vriendinnen nu en dan opgedaan. Maar zij ontving dit alles uit 's Heeren hand met het woord des geloofs op de lippen: Zoude ik het goede ontvangen en ijet kwade niet? Zij liet zich hierdoor niet ter neer werpen Ï f tot doffe moedeloosheid verlokken, maar bleef staande door Hem, in Wiens Naam hare hulpe van den aanvang af geweest is. Zij vroeg om verootmoediging en vergeving, maar ook om telkens nieuwe blijken van Gods gunst.
Welnu, die gunst is haar in ruime mate bewezen. Straks liggen achter haar «vijf-en-twintig jaren niet zonder leed maar toch meer nog van geluk en voorspoed, rijke getuigen van de goede gunste Gods over haar" 1). Hoe hevig ook aangevochten, toch won zij, vooral door den wetenschappelijkenj arbeid harer hoogleeraren, allengs in aanzien en invloed. Maar kon haar, ook op wetenschappeliik terrein, niet voorbijgaan, maar zag zich gedwongen kennis te nemen van hetgeen harerzijds verscheen en het zwaard tegen haar te wetten. Meermalen hebben geleerden van andere richting haar den lol hunner hulde geboden. Voor het leven van kerk en volk, van staat en maat schappij is zij van groote beteekenis geweest. En door hare leerlingen werkt zij op verschillend gebied van het leven en draagt zij in ons volks leven in de beginselen, waarop zij rust.
Waar ik zelf het groote voorrecht mocht hebben een harer discipelen te zijn, daar zal ieder 't verstaan hoe hartelijk ik de Vrije Universiteit liefheb en hoezeer ik mij verblijd in de omstandigheid, dat onlangs in beginsel ook op 't gebied van het Hooger Onderwijs rechtsgelijkheid verkregen is. Verstaan ook, dat ik in deze dagen onwillekeurig meermalen terugdenk aan de jaren, waarop ik de lessen volgde.
In September 1884 werd ik in het Album Studiosorum ingeschreven. Dus nog vóór het begin der Doleantie. In den tijd, toen er 'voor de studenten in de Theologie nog geen vooruitzicht was. Hoe trof ons de christelijke openhartigheid, waarmede de Hoogleeraren ons hierop wezen. Hoe waardeer ik nog steeds (ja nu nog meer dan op jeugdiger leeftijdj de trouw, waarmede ons op onze conscientie gebonden werd, dat wij toch wel zouden weten, wat wij deden, wanneer wij ons leven aan deze stichting verbonden. Alsof ik haar pas gisteren hoorde, zoo luide klinkt mij nog in de ziel de toespraak, waarmede in 1885 (toen de Synode der Nederl. Herv. Kerk h d geweigerd de candidaten der Vrije Universiteit toe te laten tot het proponents-examen) de lessen ia de theologische faculteit werden geopend. Wie mijner studiemakkers is de rede vergeten, die toen gehouden werd, nadat eerst uit de H. Schrift Lukas 9:58 (En Jezus zeide tot hem: e vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd nederleggej en Psalm 37:25 (Ik ben jong geweest; ook ben ik oud geworden, maar heb nies gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood) gelezen waren?
Al de professoren der Universiteit achten wij boog. Zelfs bleven wij soms niet geheel vrij van eene vereering, die de perken overschreed. En niet slectits om hunne kunde, maar ook om hunnen ernst, hunne toewijding, hun geloof en hunne Godsvrucht. Veel zijn zij dan OOK voor ons geweest. Niet slechts door hun onderwijs, maar ook door de wijze waarop zij en hunne gaden (die, met uitzondering van Mevrouw Kuyper, in het leven gespaard mochten blijven!) ons ia hunne woning ontvingen.
Wij zijn waarl., k aan de Universiteit gevormd. Niet «afgericht". Maar gevormd.
Wij zijn ingeleid in de beteekenis van de gereformeerde begiLselen voor elk studievak en be kwaarad voor onze toekomstige roeping. En wat ik van niet minder gewicht acnt: door het exem pel onzer leermeesters gingen wij onder den zegen Gods tot onzen arbeid in met het besef, dat ons toekomstig leven vaak moeilijk zijn zou; dat wij om Christus' wil ons in liefde en zelfverloochening met Oi; s gansche hart aan kerk en volk hadden te geven; dat wij zouden zoeken onder alle standen harten te winnen, die aanvankelijk voor ons gesloten waren; dat wij ijverig hadden te studeeren en te arbeiden; dat wij altoos moesten vol harden bij het ideaal; ten slotte — dat wij touden zien op de vergelding des loons.
Mij allerminst komt t toe te beoordeelen, hoe verre wij beneden dit heerlijk wit onzer roeping gebleven zijn. Het zal mijnen academiebroeders wel eenigermate gaan als mij, dat wij ons van veel ontrouw bewust zijn.
Van harte verheug ik mij op de feestdagen, die komende zijn. Eene vxeugde, die nog te grooter is, wijl — vooral na de vereeniging der bekende kerkengroepen — het getal harer vrienden verdubbeld is geworden, en zoovele mannen van studie, die niet aan haar werden opgeleid, haar liefkregen, gelijk wij discipelen der Vrije Universiteit op onze beurt steeds meer leerden waardeeren de kostelijke gave, welke God aan zijne kerk en aan de theologische wetenschap schonk in de Theologische School. Een vreugde, die slechts door deze wolk (welke ook nog door de Zonne der Gerechtigheid worde weggevaagd!) beneveld wordt, dat zoovele gereformeerden buiten onzen kerkdijken kring zich terughouden, waar to h hun gebed en hun steun verwacht mochten worden en dankbaar zouden worden gewaardeerd.
Zij onze God in het midden der feestvierende broeders en zusters!
Heilige Hij aller vreugde en were Hij eiken wanklank!
Ruste gedurende het tweede vijt-en-twintigtal jaren zijn vaderlijk oog in liefde op de Vrije Universiteit, die tot in lengte van jaren met die be scheidenheid, welke den Christen betaamt, maar ook met eere en met het heroïsme des geloofs eene plaats besla op universitair terrein!
En worde door hare studenten steeds ter harte genomen het gulden woord, waarmede Dr. Bavinck onlangs 2j|ne keurige rede over «Geleerdheid «n Wetenschap"' besloot: «Wat ik daarom U en mijzelven toewensch, is iets van die brandende waarheidsliefde, waardoor naar zijn eigen zeggen een Augustinus werd verteerd: rapimur amore indagandae veritatis. Dan zal aan ons bevestigd worden het woord der Schrift: welgelukzalig is de mensch, die wijsheid vindt, en de mensch die verstandigheid voortbrengt Het geluk des levens bestaat in vreugde over de waarheid, beata vita est gaudium de veritate!
1) Groen doelt hier op het voorstel van Prof Bosscha om Da Costa tot buitengewoon hoogleeraar in de letterkundige faculteit van het Athenaeum te Amsterdam te benoemen, welk voorstel door den gemeenteraad der hoofdstad verworpen werd.
2) Dr. J. Woltjer, t. a. pi., blz. 29.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 oktober 1905
De Heraut | 4 Pagina's