Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

TWEE WEGEN.

XVI.

EEN SLECHT GENEESMIDDEL.

Op een morgen, enkele dagen later, zat Gilles in zijn kamer alleen met het groote boek voor zich, waarin hij aanteekening hield van de loopende zaken en opteekende wat ontvangen en uitgegeven werd. Zijn gezicht stond niet vroolijk, eer wrevelig.

Dat nu was geen wonder, want hij had zoo even een brief gekregen waarin stond dat een groote leverantie van boonen en meel hem was ontgaan en aan een ander gegeven. Daarmee nu verloor hij niet alleen een flinke som, maar ook moest hij zichzelf bekennen, dat het grootendeels zijn eigen schuld was. Immers hij had verzuimd zich naar het dorp te begeven, waar hij alles met een paar rijke boeren had kunnen bespreken, d^e over de zaak te zeggen hadden. Doch juist tegen den avond van den dag waarop hij gaan zou, hadden zijn zoogenaamde vrienden hem tot een partijtje genoodigd en hij had niet durven weigeren, temeer daar hij hoopte bij 't spel te herwinnen wat hij verloren had, of eigenlijk wijl het spel hem aantrok als een middel om zonder moeite weer een volle beurs te krijgen.

Zoo was hij dan thuis gebleven, en had een briefje geschreven om inlichtingen. Maar de boeren zeiden: als die Schravers het niet de moeite waard vindt, zelf te komen om over de dingen te spreken, kunnen wij het ook wel buiten hem stellen. En zoo ging het voordeeltje zijn neus voorbij.

En nu mocht onze Gilles bij zich zelf schimpen op de boeren die hem, van wien ze zoo vaak gekocht hadden, nu voorbijgingen, hij gevoelde toch ook dat het goeddeels zijn eigen schuld was, en dit juist maakte hem wrevelig. En dat bleef hij uren lang, zoodat nicht die aan tafel om twaalf uur wel bemerkte dat er iets aan schortte en daarnaar vroeg, erg bits ten antwoord kreeg: „Och dat kan ik u moeilijk vertellen; er zijn nu eenmaal dikwijls dingen die iemand juist niet vroolijk maken, mij althans niet.”

„Dan zou ik maar zien me in wat beters te verblijden, " zei nicht ernstig, „en intusschen mijn best doen de zaken te behartigen.”

Gilles voelde wel, dat er een les voor hem in die woorden lag, doch hij zei niets en ging na den eten eenige boodschappen doen. Niet lang was hij op weg, toen hij Wiebold ontmoette, die keurig gekleed en met een degen op zij liep te wandelen. Dit laatste was toen in de mode.

„Wel Gilles", riep Wiebold op hem toeloopend, „dat treft bijzonder. De heeren uit Den Haag hebben me opgedragen hier in Utrecht een paar zaken af te doen; maar er schiet wel nog eenige tijd over. Ga met me mee. Je zult straks bij ons thuis ook welkom wezen.”

Gilles aarzelde. Hij was iemand die moeilijk neen kon zeggen, al moest het eigenlijk. Hij vond er echter dit op, dat hij eerst zijn werk zou afdoen en dan bij Wiebold komen. Maar daar wilde deze niet van weten.

„Kom”, zei hij, „we zien elkaar "nu ''zoo weinig. Heb nu eens een middag voor mij over.”

„Heel graag", zei Gilles, „maar je weet: de zaken wachten niet.”

„Dat zeggen ze in Den Haag'ook", 'was het antwoord, „maar ik lach er om. Alles loopt toch wel.”

Was Gilles van alles op de hoogte geweest, hij zou geweten hebben, hoe zijn vriend Wiebold eigenlijk naar Utrecht was gezonden, omdat men in Den Haag geen raad met hem wist. Om zijn vader te believen, had ipen hem daar een postje gegeven dat heel weinig opbracht, maar ook zoo wat niets beteekende. Toch was het voor zoo'n volslagen luiaard als Wiebold nog te veel, en hij gedroeg zich dan ook zoo, dat de heeren er eindelijk maar op bedachten hem naar Utrecht te zenden, met de stille hoop, dat hij wel niet terug zou komen.

’t Eind van de zaak was, dat Gilles toegat en met Wiebold meeging, die lachend opmerkte: „Als je er nu al een tien gulden bij inschiet, welnu licht win je er bij de kaarten tweemaal zooveel in een ommezientje terug.”

In elk geval verteerden de beide heeren dien middag veel meer dan tien gulden. Want Wiebold was heel gul, wel te weten van zijns vaders geld. Heel den dag was Gilles verder bij zijn vriend te gast, en de wrevel week geheel nu hij weer gestreeld werd door de vriendschap van zulke aanzienlijke lieden.

Vrij laat in den avond was 't reeds, toen Gilles door zijn vriend vergezeld huiswaarts keerde. Deze laatste echter vond het nog wat vroeg daarmee, en zoo ging dan het tweetal nog even een „drinkwinkel" binnen om er zoo 't heette een pijpje te rooken, waarbij echter het drinken van zwaren wijn niet vergeten werd. Toen Gilles eindelijk, erg onvast opdebeenen, tehuis was beland, vond hij daar allerlei boodschappen van heeren, die op hem wachtten. Hij wilde er kennis van nemen, maar dat ging slecht. Hij begreep niet wat hij las, ja de letters draaiden hem voor de oogen. Hij moest ter rust gaan; morgen zou hij alles wel afdoen.

De morgen kwam, maar de lust tot afdoen niet. Eigenlijk gevoelde Gilles nergens lust toe. Hij had uit den Bijbel aan het ontbijt voorgelezen, maar was al aanstonds weer vergeten waarover het had geloopen. 't Brieven schrijven wou niet vlotten en de bediende had veel moeite om van zijn meester te weten te komen, wat er nu dien dag moest geschieden. Wel terecht zegt de Schrift, dat al wie den sterken drank lieftieeft daarin „dwaalt, niet wijs zal zijn".

„Ik had me niet door dien Wiebold moeten laten verleiden", zei Gilles bij zich zelf: „ik heb nu mijn tijd verloren en 't geld is ook iet binnen, 'k Wou dat hij maar weer in Den aag zat”.

Dat was niet dom gesproken, had Gilles aar niet vergeten den Heere te vragen hem voor e verzoeking te bewaren. Doch dit verzuimde ij: lietst dacht hij op 't oogenblik niet aan od en aan de dingen die boven zijn waar Christus is. Wie den Heere dienen wil moet het doen met een volkomen hart. Anders toch wordt hij afgetrokken en meegevoerd door de verleiding dezer wereld. Niet dat wij uit de wereld moeten gaan, ons als monniken of als nonnen in een klooster opsluiten, o neen. Maar wij moeten in de wereld en ons werk doende, toch niet van de wereld zijn. „Onze wandel is in de hemelen", zegt de apostel van allen die als hij in den Heere Jezus geloofden. Die dit doen zijn niet tevreden alleen met wat deze wereld geeft. Zij zoeken een vaderland een beter dan het beste hier op aarde, het hemelsche.

Dit vergat onze vriend, al had hij de woorden it den brief aan de Hebreeën vaak gelezen.

Hooggeachtte Redactie !

Twee vragen.

Vooreerst, zou het niet gewenscht en mogelijk zijn, dat alle vrienden der Vrije Universiteit, nu hare finantieele behoeften zooveel grooter worden, en opdat bij het a. s. 50 jarig jubilee wederom, en zonder groot bezwaar, een ton, of méér, haar als extra dankoffer kan worden aangeboden, terstond daarvoor geld uitzett'en; rente op rente, bij de Rijks postspaarbank of elders — om, wanneer ze nog eens iets extra's daarbij kunnen voegen, ook dat telkens te doen — terwijl, wanneer de som bijv. / 10 of / 25 bedraagt, deze zou kunnen worden gestort in een voor dit doel op te richten algemeen fonds, welks gelden weer op 't best en voordeeligst rendeerend konden worden gemaakt.

En ten andere, zou er, om de eenheid aller Gereformeerden in den lande, die ook zeker onze Vrije Universiteit ten goede zou komen, te bevorderen, niet eens een gemeenschappelijke bidstond van de Gereformeerde broeders en zusters in èa buiten onze Geref. kerken, bijv. te Utrecht of té Amsterdam kunnen worden gehouden, om van Hem, van Wien elke goede gave en alle volmaakte gifte afkomt, gezamenlijk alzoo in broederlijke liefde „samenwonend", naar Zijn Woord, een zegen over ons aller Vereeniging in den naam van onzen verheerlijkten Koning af te smeeken.

Met vriendelijken dank voor de plaatsing dezer regelen,

Met de meeste hoogachting,

Een vriend van de Vrije Universiteit. 20 October 1905.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1905

De Heraut | 4 Pagina's