Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voet bij stuk.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voet bij stuk.

16 minuten leestijd

De heer Kwakman, Roomsch Katholiek prediker te Arasterdam, is met het door ons gegeven antwoord niet tevreden en zendt ons het volgende schrijven ter wederlegging van de door ons aangevoerde argumenten :

Mijnheer de Redacteur!

Zou ik nogmaals een beroep op Uwe gastvrijheid in De Heraut mogen doen ?

U vreest, dat ik de leer der Roomsche Kerk omtrent het „compellite intrare, " het dwingen om lid dier Kerk te worden, slechts ten deele juist heb weergegeven.

Ik heb natuurlijk niet de bedoeling gehad, een volledig antwoord te geven op alle vragen, die in deze zaak kunnen gesteld worden. Maar wat ik wél van de leer der Kerk heb weergegeven (n.l. dat zij geloof vordert, en dat zij onder „geloof" verstaat een zekere overtuiging), was voldoende om te bewijzen, dat „dwang om in te gaan'' met hare leer onvereenigbaar is en dus theoretisch niet door haar kan erkend worden als een geschikt en geoorloofd propagandamiddel.

U brengt daartegen in, dat ze practisch dat middel wel heeft toegepast ol tenminste tot het gebruik er van heeft aangespoord en het nooit veroordeeld.

De bewijzen echter die U geeft voor deze bewering, zijn geen van alle steekhoudend.

Uw beroep op de kerstening der Germaansche volken geldt niet. Immers het is heel iets anders van de vrijheid om te preeken, door veroveraars aan de Kerk gegeven, gebruik te maken, dan de veroveraars aan te sporen, dat zij de overwonnenen zouden dwingen zich op te geven als lidmaat der Kerk, ook zonder overtuiging. Dit laatste had U moeten bewijzen.

Uw beroep op de geschiedenis der Waldenzen en Albigenzen geldt niet. Al keurde immers de Kerk een kruistocht tegen hen goed, dit bewijst iet, dat zij met een gewelddadig Roomschaken instemt. Tegen menschen, die zóó ptraden als de Waldenzen, die door moorden n branden alle uitoefening van den Katholieken odsdienst onmogelijk maakten, was krachtig iptreden ter verdediging van de godsdienstige rechien en het leven der Katholieken hoogst oodzakelijk.

U zegt, dat de Kerk het gebruiken van j»weld als propagandamiddel nooit veroordeeld leeft. De Kerk heeft het wél veroordeeld. Ik ', al twee voorbeelden aanhalen, die wel volloende zullen zijn. Paus Nicolaas I verbood Michael, den Koning der Bulgaren, geweld te jcbruiken om afgodendienaars te bekeeren. Het vierde — veel gezaghebbende — concilie /an Toledo heeft het bevel gegeven niemand te dwingen tegen zijn zin Christen te worden. Op dat concilie waren alle bisschoppen van Spanje — nog wel van Spanje!—tegenwoordig. Wat Uw beroep op de handelwijze der Inquisitie in den tijd der R.2formatie, en op den Syllabus betreft, het volgende — ik moet kort, hoop toch duidelijk te zijn —:

Speculatief genomen zal U dit wel toegeven: Waarheid en dwaling hebben geen gelijke rechten. Alleen de waarheid heeft een absoluut en onbeperkt recht. De dwaling kan ook recht nebben, niet per se, krachtens haar eigen wezen, maar in zooverre ieder mensch den plicht en het recht heeft zijn zeker geweten te irolgen, ook als dit zich vergist. Dit recht ichter is beperkt.

Welnu, de Katholieke Kerk weet, weet ontwijfelbaar zeker, dat er niet meer dan ééne geopenbaarde leer bestaat en bestaan kan, niet .neer dan ééne door Christus gestichte Kerk lis leeraares. Ze weet ook ontwijfelbaar zeker, ioor vele argumenten, dat zij die openbaring bezit, die allen moeten gelooven, de leeraares IS, die alle volken moet onderwijzen. Ze is dus /erplicht te handelen volgens dit princiep, dal vat met hare leer strijdt, dwaling is.

Wat volgt daaruit; wat moet ze dan als haar ulicht beschouwen tegenover van de hare ifwijkende opvattingen?

Naar gelang van de omstandigheden zal haar optreden zeer verschillend zijn.

In een land, waar niet Katholieke Kerkge Qootschappen eenmaal gevestigd zijn, zou ze door de vrije uitoefening dier godsdiensten tegen te gaan of de andersdenkenden het land uit te zetten, zeer velen tegen hun geweten doen handelen, burgerstrijd enz. veroorzaken. Daarom acht zij die maatregelen ongeoorloofd

Maar in een geheel Katholiek land is het anders.

De Kerk erkent, dat ook daar een iedei inwendig datgene gelooven moet, wat hij VOOJ waarheid houdt.

Maar zij moet, en hier kan ze ook beter dan elders, waken over het geloof van haar eigen kinderen. Om hen voor afval te bewaren, heeft zij in die landen zich soms genoodzaakt gezien maatregelen te nemen; maatregelen die, jooals de geschiedenis bewijst, iedere godsdienst onontbeerlijk acht. Daarenboven was in landen, waar de Katholieke godsdienst de eenige Staatsgodsdienst was, het preeken in woorden of daden van een andere leer, ook een vergrijp tegen de Staatswetten, en ook als zoodanig strafbaar.

De Syllabus veroordeelt niet „de tolerantieidee", gelijk U zegt. Hij veroordeelt de bewering, dat aan de dwaling gelijke rechten moeten worden toegekend als aan de waarheid. Dat veroordeelt U, veronderstel ik, ook.

Bij Uwe herinnering aan pijnbanken enz. zet ik deze bemerking: geen Katholiek zal betwij felen, dat de Protestanten van onzen tijd, vooral m landen met gemengden godsdienst, God volgens hun geweten dienen. Maar de Kerk keet de bewijzen voor de waarheid van hare leer als zóó afdoende, dat ze in iemand, dit Katholiek opgevoed is en de Kath. leer met nare argumenten bestudeerd heeft, geen goede trouw kan veronderstellen, als hij die leer bestrijdt. Dit verklaart, waarom ze in den tijd der Reformatie niet alle maatregelen afkeurde, die ten doel hadden, door een herroeping det dwaling de gegeven ergernis te herstellen. De door ons nu veroordeelde hard: ieid dier middelen kwam voort uit de zeden dier tijden.

Tenslotte begrijp ik niet, hoe U de veroor deelde stelling uit de bul „Auctorem fidei" als bewijs heeft kunnen aanhalen voor de bewering, dat de Kath. Kerk het compellite intrare nog goedkeurt. In die bul is heelemaal geen sprake van intrare, van Roomsch-worden. De Paus spreekt alleen over de macht der Kerk om wetten te geven — dus aan hare onderdanen — en aan de overtredingen straffen te verbinden. Het recht om straffen te bepalen schrijft ook de SynodusContracta der N. H. K. zich toe, zooals blijkt uit de woorden van hare beslissing in de zaak Bahler.

Dieper in deze kwesties doordringen kan io een krant niet gebeuren. De stof is daartoe niet geschikt, de plaatsruimte te beperkt. En evenals U in het nummer van 29 October zouden ook wij het bloed onzer martelaren en andere dingen gaan zien, die het in de tegenwoordige omstandigheden beter is niet te zien. Ons aller aandacht is noodig voor het gemeenschappelijk gevaar, het ongeloof. Hattelijken dank voor de plaatsing,

Hoogachtend,

TH. KWAKMAN,

R.K. Pr.

Amsterdam, Vondelstraat 104a.

Op de quaestie zelve breedvoerig in te gaan, gedoogt noch onze plaatsruimte noch onze tijd. Bovendien, ook dit zijn we met den heer Kwakman eens, het weer ophalen dezer oude veeten is vooral in onze dagen niet dienstig, waar we een gemeenschappelijken strijd te voeren hebben tegen het on geloof. Het geding, waarover het hier gaat, kan ten principale alleen voor de rechtbank der historie beslist worden, en deze donkere bladzijden uit het verleden der Roomsche Kerk laten we liefst rusten, waar het ons juist te doen was om den ouden papenhaat te bestrijden.

Slechts eershalve geven we daarom een kort antwoord op dcse repliek, en we willen dit evenals de heer Kwakman sina ira et studio doen.

Vooreerst merken we op, dat de heer Kwakman den status quaestionJs niet zuiver heeft gesteld. In het geïncrimineerde artikel schreven we alleen, dat de Roomsche Kerk, al werd ze in de practijk milder, in theorie het „compellite intrare" nog altoos handhaafde. Handhaafde natuurlijk in dien zin, dat deze theorie nooit officieel is prijsgegeven óf afgekeurd.

De heer Kwakman maakt hiervan, dat volgens ons de Roomsche Kerk het zou goedkeuren, wanneer iemand door uitwendig eweld gedwongen zou worden tegen zijn vertuiging in Roomsch te worden. Dit is chter door ons niet gezegd, en alle polemiek egen deze stelling is daarom een vechten tegen windmolens.

Uit zedelijk oogpunt keurt de Roomsche Kerk evenals ieder Christen het natuurlijk af, wanneer iemand zonder van overtuiging veranderd te zijn geveinsdelijk, hetzij dan om lichamelijke straffen te ontgaan of om rijkdom en eere te verwerven, zich bij de Roomsche Kerk zou aansluiten. In dien zin hebben verschillende pausen en concilies, gelijk de heer Kwakman terecht opmerkt, het afgekeurd wanneer men heidenen dwingen wilde zich te laten doopen. Zelfs is meermalen het gevoelen uitgesproken, dat zulk een gedwongen doop niet eens geldig zou zijn. En de laatste Paus Leo XIII heeft in zijn Encycliek Immortale Dei in zooverre recht wanneer hij zegt, dat „de Kerk bovenal daarvoor gewoon is zorg te dragen dat niemand tegen zijn wil gedwongen wordt het Katholieke geloof aan te nemen, omdat, gelijk Augustinus wijselijk opmerkt, niemand gelooven kan tenzij gewillig (credere non potest nisi volens).

Het compellite intrare is dan ook in dien zin noch door Augustinus noch door een ander theoloog verdedigd. Maar al gaf Augustinus volmondig toe, dat niemand invitus, tegen zijn wil, katholiek kon worden, toch houdt hij staande dat dwang heilzaam is, in zoover die dwang mede helpt om de ketters van overtuiging te doen veranderen, de geestdrijvers tot bezinning brengt, de tragen opwekt en velen de gelegenheid geeft om zich bij de ware kerk te voegen (Dr. S. Dörner, Augustinus, p. 306).

Hoe schoon dit alles in theorie echter zijn moge, in de practijk leidt het wel degelijk tot het euvel, dat de Roomsche Kerk zelfveroordeelt. De intimis non judicat Ecclesia; over de innerlijke verandering van overtuiging kan de Kerk nooit oordeelen. Haar oordeel gaat alleen over de uitwendige handeling van zich te laten doopen, de plichten der Kerk getrouw waar te nemen enz. Zoodra dus de Kerk, of de Overheid op haar instigatie, ketters of heidenen voor de keuze stelt om of het leven te verliezen óf zich bij de Roomsche Kerk te moeten aan sluiten, dan spreekt het v/el vanzelf, en de practijk heeft dit ook afdoende geleerd, dat velen uit vrees voor foltering en doodstraf zich uitwendig aan de Kerk onderwerpen, maar zonder dit oprecht te meenen.

Ongetwijfeld nu heeft de Roomsche Kerk bij het gebruik maken van deze middelen van geweld steeds onderscheid gemaakt tusschen heidenen (daarbij gerekend Joden en Mohammedanen) en ketters. De heidenen stonden buiten de Kerk; tegenover hen kon de Kerk dus eigenlijk geen rechten doen gelden. Maar de ketters waren gedoopt; door dezen doop behoorden ze tot de Kerk, en de Kerk had dus recht tegenover hen met de jurisdictio coactiva, gelijk men dit noemt, op te treden.

Maar dit onderscheid, waarop de heer Kwakman terecht wijst, mag toch ook niet te sterk aangedrongen, want de Roomsche Kerk heeft zelfs tegenover de heidenen niet altoos éen weg bewandeld. Paus Nicolaas I heeft den Koning der Bulgaren verboden de heidenen met geweld te kerstenen, maar toen Keizer Karel de Groote de Saksers met geweld tot Christenen wilde maken en de rijksdag te Paderborn de meest draconische maatregelen tegen het heidendom nam, heeft de paus hem stil laten begaan. Het IV Concilie van Toledo gaf zeker last om geen joden te dwingen tegen hun zin Christen te worden, maar het XII Concilie te Toledo keurde de strenge maatregelen van den Koning tegen de Joden goed en drong op uitroeiing van het heidendom aan. En toen bleek, dat vele joden slechts in schijn Christen waren geworden om het leven te redden, heeft het XVII Concilie van Toledo, in plaats van deze gedwongen bekeeringen af te keuren, op de schrikkelijkste wijze tegen de Joden gewoed; de kinderen der Joden moesten met hun 7e jaar aan de ouders ontnomen worden en bij christelijke families worden opgevoed, enz. De Joden-vervolgingen in het Katholieke Spanje wedijverden in wreedheid met de Joden-slachting in onze dagen in Rusland. En die vervolging is niet van het volk, maar van de Katholieke vorsten en Katholieke Inquisiteurs uitgegaan. Dat de Joden zelf door hebzucht, woekerwinst en uitzuigen van het volk hiertoe aanleiding hebben gegeven, weten we zeer goed, evenals het feit, dat verschillende Pausen de gewelddadige bekeering der Joden hebben afgekeurd. Maar dat alles doet aan het feit, waarop we wezen, niets te kort.

Reeds tegenover heidenen en Joden blijkt dus het beginsel, dat de Roomsche Kerk niemand dwingt Christen te worden, ia de practijk uiterst plooibaar te zijn geweest; maar geheel anders staat het nog met de behandeling der zoogenaamde „ketters". De heer Kwakman ontkent dan ook niet, dat de Roomsche Kerk hier vaak met geweld is opgetreden. Wat hij daaraan toevoegt om die wreedheid te verontschuldigen, zullen we gaarne ten deele laten gelden, maar ook hier toont hij toch, hoe moeilijk het voor een Roomsche valt objectief de historie te beschrijven. Wanneer hij de arme Waldenzen, op wier levenswandel niets viel aan te merken, als brandstichters en roovers voorstelt, dan slaat hij de historie in het aangezicht. Zelfs een der jongste roomsche leerboeken der Kerkgeschiedenis van Prof. Alois Knöpfler in 1902 uitgegeven, op grond van de Academische voorlezingen van Dr. Karl Joseph von Hefele bisschop van Rottenburg, weet aan de Waldenzen niets anders ten laste te leggen, dan dat zij „de rechtmatigheid van de kerkelijke hiërarchie en het priesterdom bestreden, de kerkelijke leer van het vagevuur, de voorbede voor afgestorvenen enz. verwierpen." (p. 406). En even onhoudbaar is de uitvlucht, dat verandering van religie een politiek misdrijf was en daarom door de Overheid des lands moest gestraft worden. Wie het Corpus Documentorum Inquitisionis van Prof. Fredericq inziet, vindt daar schier op elke bladzijde, hoe juist Pausen en Conciliën begonnen zijn met te verklaren, dat elke ketter moest ter dood worden gebracht, en de Overheid met den banvloek gedreigd hebben, wanneer ze dit doodvonnis niet uitvoerde.

Slechts één middel was er om aan dit onnis te ontkomen: dat men zijn ketterij fzwoer en tot de Roomsche Kerk terug, eerde. Aan de Waldenzen werd een tijd egund van 3 maanden om Roomsch te woren, anders wachtte hun de brandstapel. Zeker, ook hier handhaafde de Roomsche Kerk in theorie, dat niemand tegen zijn wil gedwongen mag worden ; in de besluiten der Conciliën staat telkens, dat de terugkeer tot de Roomsche Kerk sponte d. i. vrijwillig moet geschieden. Maar voor deze „ketters", die voor de bange keuze stonden om óf op de gruwelijkste wijze gemarteld te worden, óf tot de Roomsche Kerk weer te keeren, schijnt dat sponte sua ons niet anders dan een bespotting te zijn. Een roover, die u het piste ol op de borst zet met een: uw geld of uw leven, mag er aan toevoegen, dat ge uw geld slechts vrijwillig behoeft af te staan, maar geen rechtbank zou dien roover vrijspreken, wanneer hij achteraf volhield, dat ge niettegenstaande die pressie vrijwillig hem uw geld hadt gegeven.

Gold dit alles nu alleen het verleden, an zouden we de Roomsche Kerk onrecht andoen met te beweren, dat ze ia theorie et compellite intrare handhaafde, al werd e milder in de practijk. Maar juist hierin igt het principieel verschil tusschen ons n de Roomschen. We ontkennen geen ogenblik, dat ook de Protestanten gemeend ebben, dat dwang tegenover ketters georloofd was, en niet alleen de brandstapel an Servet, maar ook de vervolging van e Roomschen in ons eigen land ea elders it dat beginsel voortvloeide. In zooverre an hier van een „erreur du siècle", een waling van die eeuw, worden gesproken. aar als Protestanten weten we, dat de erk dwalen kan en gedwaald heeft, toen ij de Overheid als plicht voorhield om met eweld de afgoderij uit te roeien; we bereuren de maatregelen van geweld tegen e Roomschen genomen, en we hebben niet eaarzeld om elk stuk uit de belijdenis, dat aaraan herinnerde, als strijdig met Gods Woord weg te nemen. Maar de Roomschen kunnen dat niet. Volgens hen is de Kerk onfeilbaar, kan ze niet dwalen, en daarom, al is de practijk veranderd, in theorie moet worden vastgehouden, dat de Pausen en Conciliën geleid werden door den Heiligen Geest, toen ze gelastten om eiken ketter ter dood te brengen.

Om dat te bewijzen wezen we op de krasse uitspraak in de bul Auctor fidei van 1794, waarin uitdrukkelijk geleerd werd dat de Kerk macht heeft om met uiterlijke middelen gehoorzaamheid aan haar bevelen af te dwingen, en op den Syllabus van 1864, waarin Paus Pius IX alle tolerantie uitdrukkelijk veroordeelde.

De heer Kwakman verklaart niet te begrijpen, wat de bul Auctor fidei met de protestanten of ketters te maken heeft, en meent, dat daar alleen geleerd wordt wat elk protestant toestemt, dat de Kerk disciplinaire straffen op ontrouwe leden mag toepassen. De heer Kwakman vergeet hier echter twee dingen. Vooreerst, dat de Protestansche Kerken wel geestelijke straffen gebruiken, maar geen lichamelijke, terwijl de Roomsche Kerk wel degelijk van oordeel is, dat ook lichamelijke straf op de ketters moet worden toegepast. En ten tweede houdt de Roomsche Kerk staande, dat de Protestanten krachtens hun doop rechtens aan de jurisdictie der Roomsche Kerk zijn onderworpen. Buiten de Kerk is volgens Rome geen zaligheid, en voorzoover de Roomsche toch erkent, dat ook Protestanten zalig kunnen worden, wordt dit steeds bepleit door er zich op te beroepen, dat de Protestanten als gedoopten deel van de Kerk uitmaken.

En precies zoo staat het met den syllabus. Wanneer de heer Kwakman beweert, dat de Roomsche Kerk alleen veroordeelt, dat aan de Protestanten gelijke rechten worden toegekend als aan de Roomsche Kerk, maar dat daarmede niet het tolereeren der Protestantsche Kerken veroordeeld is, dan komt hij met de woorden van de Syllabus zelf in strijd. De Syllabus veroordeelt toch uitdrukkelijk de stelling, niet dat men aan de Protestanten gelijke rechten, maar dat men hun de publieke uitoefening hunner religie behoort toe te staan. Natuurlijk is ook ons niet onbekend, dat de diepe ergernis, die deze uitspraak wekte, aanleiding heeft gegeven, dat Paus Leo XIII in zijn encycliek Immortale Dei deze uitspraak heeft verzacht en haar aldus heeft uitgelegd: „Al houdt de Kerk vol, dat het niet geoorloofd is aan de verschillende vormen van godsdienst dezelfde rechten toe te kennen als aan den waren godsdienst, toch veroordeelt ze daarom niet die bestuurders van gemeenebesten, die hetzij om eenig groot goed te verkrijgen hetzij om eenig kwaad te voorkomen, in de practijk geduldig dragen, dat elk dezer godsdiensten in den Staat zijn eigen plaats inneemt, " De tolerantie, door den Syllabus veroordeeld, wordt hier toegelaten, maar alleen uit utiliteitsgronden en om erger kwaad te voorkomen; niet omdat Rome ei kent, dat de Overheid van Godswege geroepen is haar onderdanen vrij te laten in de uitoefening van hun godsdienst,

We meenen, dat hiermede over en weer het geschil thans genoegzaam is toegelicht. Het debat over deze quaestie kan hiermede gesloten worden. Vooral omdat de heer Kwakman, in plaats van rechtstreeks onze stelling te bestrijden, de discussie afleidt op tal van punten, die oorspronkelijk niet door ons waren aangeroerd.

We wenschen voet bij stuk te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1905

De Heraut | 4 Pagina's

Voet bij stuk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 november 1905

De Heraut | 4 Pagina's