Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De tractementen onzer onderwijzers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De tractementen onzer onderwijzers.

9 minuten leestijd

I.

Nu de zaak der onderwijzers-tractementen eenmaal aan de orde is gesteld, spreekt het wel vanzelf, dat van alle zijden de raadgevers aankomen. Ons artikel: „Geen eenzijdige bevoorrechting" bezorgde ons tal van ingezonden stukken, meest van onderwijzers zelf afkomstig, waarin of sympathie met ons streven of critiek op onze voorstelling gevonden wordt.

Natuurlijk kunnen we er niet aan denken al deze stukken op te nemen. Een blad met beperkte ruimte, dat eenmaal per week verschijnt, moet karig zijn met de plaatsing van ingezonden stukken. Bovendien komen de aangevoerde argumenten vrijwel bij de meesten op hetzelfde neer en kunnen we dus met een resumptie volstaan, waaraan we dan tevens ons eigen oordeel toevoegen.

Vooraf vergunne men ons echter een tweetal opmerkingen.

Vooreerst dat, hoe dankbaar we ook zijn voor critiek en hoezeer we ook geiooven, dat de onderwijzers, wier belang het hier geldt, in de eerste plaats recht hebben om gehoord te worden, onze redactie toch geen oogenblik in den hoek wil gedrukt worden, alsof we de minimumsalarissen door de Unie gesteld, voldoende achten en onzen onderwijzers geen verbetering van tractementen zouden gunnen. Integendeel. Al oefenen we critiek op het ingediende voorstel en al achten we dat èn om practische redenen onuitvoerbaar èn in strijd met de duidelijk uitgesproken bedoeling van den wetgever, we hebben tevens een beteren weg aangewezen, nl, dat de Christelijke onderwijzersvereeniging zich in contact zou stellen met de groote vereenigingen voor de behartiging van ons Christelijk onderwijs. Deze raad was in de eerste plaats in het belang der onderwijzers zelf. Want wie onze schoolbesturen kent, weet hoe het thans ingediende verzoek van de onderwijzers alleen, juist een omgekeerde uitwerking zal hebben, terwijl een voorstel van de Oaderwijzersvereeniging in overleg met Christelijk Nationaal, de Unie of den Schoolraad veel meer kans op slagen zou bieden.

Maar hoezeer we ook de belangen van onze onderwijzers wenschen te behartigen, we wenschen ons daarbij te spenen aan elke idealistische voorspiegeling, die practisch toch niet te verwezenlijken is en alleen ontevredenheid en misnoegen kweekt. Of de socialistische propagandisten, om de gunst der arbeiders te winnen, hun al verzekeren, dat zij recht hebben op een ongevallen-, ziekte-en ouderdomsverzekering, waarvoor ze geen cent hebben bij te dragen, op een werktijd, die niet langer dan acht uren duren mag en op een minimumloon dat door den Staat moet worden voorgel b g V a w s h V f S d n steld, — onze arbeiders worden met zulke schoone beloften al even weinig geholpen als met het bekende „pond biefstuk en glas wijn", dat den arbeider toekomt als menschwaardig bestaan; en een Regeering, die zulke beloften trachtte te verwezenlijken, zou morgen den dag voor een staatsbankroet staan. Zoo zou, wanneer het ons alleen om de gunst der onderwijzers te doen was, niets gemakkelijker zijn dan hun toe te roepen, dat zelfs heel de subsidie nog veel te weinig was; dat elk hoofdonderwijzer behalve vrije woning wel f 1200 a f2000 tractement per jaar moet hebben om fatsoenlijk te kunnen leven; maar wie den toestand op schoolgebied kent en rekent met de draagkracht van ons Christelijk publiek, zal zich wel wachten om onze onderwijzers met zulke hooge verwachtingen te vleien. Daardoor wordt alleen ontevredenheid gekweekt en komt men geen stap verder. Wie het onderste van de kan wil hebben valt het lid op den neus.

Voor salaris verhooging ijveren we dus mee, maar we doen dat met nuchteren en practischen zin. We zullen geen oogenblik vergeten, dat onze Christelijke scholen evenals alle arbeid op Christelijk gebied voor een goed deel betaald moeten worden door een kleine groep, die uit niet vele edelen en aanzienlijken bestaat. En elke eenzijdige opdrijving van de onder wij zerstractementen waardoor schade zou worden gedaan aan de Kerk, de Zending, de Universiteit, de stichtingen van Christelijke Birmhartigheid enz., is uit dien hoofde reeds te veroordeelen. Of men dus al zegt, dat de quaestie van de onderwijzers-tractementen niets te maken heeft met de tractementen der predikanten en daarvan geheel afgescheiden moet behandeld worden, is onjuist. Ten slotte is het hetzelfde Christelijke publiek dat voor beide te betalen heeft, en waar de stroom te veel in één bedding geleid wordt, lijdt de andere bedding van zelf schade.

Gaan we na deze inleidende opmerkingen tot de quaestie zelf over, dan geven we voetstoots toe, dat we in ons artikel in enkele uitdrukkingen ons minder juist hebben uitgedrukt. We schreven, dat de onderwijzers als eisch stelden, dat drievierden van de subsidie hun salaris ten goede zou komen. Men merkt ons op, dat niet de onderwijzers hoofd voor hoofd, maar de Christelijke onder wij zersvereeniging als geheel dit voorstel heeft aangenomen; dat het geen ezsck was, maar een verzoek tot de schoolbesturen gericht, en dat niet drievierden, maar twee derden van de subsidie was gevraagd. Ai is het verschil nu niet bijster groot, —het bedraagt slechts één twaalfde —de opmerking zelf is juist, en sinds ons bleek, dat verschillende onderwijzers zelf het voorstel van de onderwijzersvereeniging afkeurden, willen we gaarne ons algemeen oordeel terugnemen. Terwijl ten slotte het woord eisch natuurlijk niet in juridischen zin door ons gebruikt was, maar alleen als „eisch van billijkheid". Indien de onderwijzersvereeniging niet meent dat de gevraagde subsidieverhooging eisch van billijkheid was, maar alleen een verzoek, een vraag zonder eenig zedelijk recht, dan zou heel dit voorstel in nog bedenkelijker licht komen te staan.

Opmerkelijk nu is, en daarmede eindigen we dit artikel, dat in al de ingezonden stukken met geen woord gerept wordt van onze bedenking, dat de Regeering de voorgestelde subsidie schonk niet om de salarissen te verhoogen, maar om de kosten van het onderv/ijs geringer te maken. Ook de heer De Savornin Lohman, die toch wel geacht kan worden de bedoelingen der Regeering en van de Staten-Generaal te kennen, wijst hier met nadruk op:

Nu schijnt bij velen de meening te heerschen, dat de verhoogde bijdrage eigenlijk gegeven wordt ter verhooging van het salaris van onderwijzers, en daarvan uitgaande, meenen zij dat een zeker deel van die verhooging aan het schoolpersoneel moet worden afgestaan.

Ons komt dit on: uist voor. De bijdrage uil de openbare kassen is nimmer gevraagd op grond dat de bijzondere onderwijzers te laag werden bezoldigd, — dit ging het Rijk feitelijk niet aan — maar enkel en alleen op grond dat het onrechtvaardig is de openbare school te bekostigen uit schoolgeld en de publieke kassen, terwijl zij, voor wie dat onderwijs niet bruikbaar is, voor alles wat boven schoolgeld noodig is verwezen worden naar de kas van particulieren.

De bijdrage ontlast dus in de eerste plaats de voorstanders der bijzondere school van de noodzakelijkheid om die school uit him zak te bekostigen.

Nu is het zeker gemakkelijk dit argument geheel links te laten liggen, maar daarmede versterkt men zijn positie niet.

Men vergete toch niet, dat de fi.nantieele druk door de Bijzondere school op de Christen-ouders uitgeoefend, niet gering is geweest. Het is o zoo gemakkelijk, te zeggen, dat de onderwijzers de grootste contribuanten voor de Christelijke school waren, omdat ze minder salaris ontvingen dan bij het Openbaar onderwijs. Maar met evenveel recht zou men kunnen zeggen, dat de Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit de rootste contribuanten zijn van de Vereeniing voor Hooger Onderwijs, omdat ze aarlijks ƒ1000 minder salaris ontvangen an hun ambtgenooten aan de stedelijke niversiteit. Men vergeet echter bij zulke edeneeringen, dat een geringer salaris van emand, die van een school of stichting eeft, niet op één lijn te stellen is met de ijdrage, die door derden aan die school egeven wordt.

Die bijdragen nu zijn niet zoo gering. ooreerst heeft ieder ouder, die niet b.jpaald rm is, den kostenden prijs van het onderijs te betalen, terwijl hij aan de openbare chool voor niets terecht kan. Dan betaalt ij contributie voor de Schoolvereeniging. ervolgens draagt hij bij voor het Suppletieonds voor kinderen die niet betalen kunnen. traks komt de kerkelijke collecte, die voor e arme kinderen der eigen gemeente opieuw een offer vraagt. En eindelijk reizen o d p de collectanten voor scholen, die zich zelf niet bedruipen kunnen, land en stad af en kloppen soms drie of vier per week aan uw deur aan. Op vijfderlei manier moet ons christenvolk dus voor de School met den Bijbel bijdragen, en wie alles saamstelt wat door onzen burgerstand op die manier per jaar aan de school gegeven wordt, komt tot een waarlijk niet zoo klein bedrag.

En toch is dit nog het ergste niet.

Wie voor dit alles bijdraagt kan geven. Maar er zijn tal van ouders, die te trotsch zijn om hulp aan te nemen en voor wie het schoolgeld toch uitgezuinigd moet worden op een karig weekloon. Vooral wanneer de kinderen talrijk zijn, gelijk meestal bij onze Gereformeerde gezinnen, loopt dit schoolgeld al spoedig op en vormt een niet onbeduidende post op het huiselijk budget.

En eindelijk, al helpen suppletiefonds en diakonie, er zijn toch tal van arme gezinnen, die, hetzij omdat ze niet bij de Gereformeerde Kerk zijn aangesloten of omdat ze voor geen bedeeling in aanmerking wenschen te komen, hun kinderen naardekostelooze openbare school blijven zenden. Dat nu is een schade voor ons volk. Onze Christelijke school moet steeds meer de volksschool worden; moet alle kinderen omvatten; mag niet éen kind buiten sluiten alleen om des gelds wille. De subsidie, die het Rijk schenkt, dient daarom in de eerste plaats besteed te worden voor dit doel. Voor onze onderwijzers zullen we ook zorgen; maar zij evenals wij hebben nooit te vergeten, dat de School met den Bijbel er niet is om hun in de eerste plaats een goed salaris te bezorgen, maar om als propagandaschool dienst te doen voor de christelijke beginselen onder ons volk, Dat is de onvergankelijke glorie van het onderwijzers geslacht, dat den schoolstrijd heeft aangevangen en mee doorgemaakt, dat ze leefden voor dat heiüg ideaal. En al mogen de tijden veranderd zijn, de hulpbronnen voor de schooi milder vloeien en de onderwijzerstractementen in verband daarmede verbeterd kunnen worden, voor de onderwijzers dient toch de eerste vraag te blijven, niet hoe komen wij aan beter salaris, maar hoe kan onze christelijke school tot een zegen gemaakt worden voor heel ons volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1905

De Heraut | 4 Pagina's

De tractementen onzer onderwijzers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 december 1905

De Heraut | 4 Pagina's