Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De tractementen onzer onderwijzers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De tractementen onzer onderwijzers.

11 minuten leestijd

IV. (Slot).

Op nog twee bedenkingen willen we antwoorden, om dan daarmede het debat over deze quaestie te sluiien.

Vooreerst merkt men ons op, dat door de nieuwe regeling den onderwijzers wel op 65 jarigen leeftijd een behoorlijk pensioen (2/3 hunner jaarwedde) wordt verzekerd, maar hiertegenover staat, dat de onderwijzers 7 pCt. van hun inkomen als premie voor dit pensioen zullen moeten bijdragen, terwijl bovendien de onderwijzers, die reeds op zekeren leeftijd gekomen zijn, nog tienmaal een zeker percentage van hun salaris hebben te storten als inkoopsom Al wordt het tractement dus verhoogd bijv. met 10 pCt., dan bedraagt deze verhooging toch feitelijk niet meer dan 3 pCt, , en rekent men de inkoopsom er bovendien af, dan komt de nieuwe regeling den onderwijzers aanvankelijk zelfs op verlies te staan. In dat opzicht staat de onder wijzer achter bij den predikant; want wel kunnen de predikanten eerst op 70 jarigen leeftijd emeritaat nemen en bedraagt hun pensioen nog geen 2/3 van hun jaarwedde, maar daartegenover staat daa ook, dat de predikant geen jaarlijksche premie heeft te storten maar zijn tractement geheel kan gebruiken.

De laatste opmerking is ten deele juist. Wat al mag niet vergeten worden, dat de predikant met zijn gezin jaarlijks door middel van de collecten wel degelijk mede bijdraagt in het pensioenfonds zijner Kerk, toch zal in den regel deze gave wel niet 7 pCt. van zijn inkomen bedragen en is in elk geval van een verplichte premiebstaling bij den predikant geen sprake.

Maar laten we de vergelijking met het pensioen der predikanten verder rusten, dan mag aan de andere zijde de zoogenaamde inkoopsom hier evenmin in rekening worden gebracht. Die inkoopsom is een overgangsmaatregel, waaraan niet het recht kan worden ontleend om het salaris blijvend te verhoogen. Hoogstens zou de vraag gewettigd zijn, of de schoolbesturen, met het oog op deze tijdelijke moeilijkheid, waarin de wet een deel onzer onderwijzers brengt, niet eenige jaren een extra gratificatie hebben uit te keeren. Maar de regeling van het salaris kan zich alleen baseeren op normale omstandigheden. Alleen de 7 pCt. komen hier dus in aanmerking. En de quaestie is deze, of de door den Staat gevorderde premie voor het pensioen der onderwijzers recht geeft op verhooging van hun salaris; of wil men de quaestie nog zuiverder gesteld hebben, of naar recht en billijkheid de onderwijzers zelf voor hun pensioen te zorgen hebben, dan wel of dit de plicht der schoolbesturen is.

Ook voor de beantwoording dezer vraag nu kan naar onze overtuiging geen algemeene regel gesteld worden. Op plaatsen waar de onderwijzers zich tevreden moeten stellen met het minimum-salaris, pleit er zeker veel voor, dat het schoolbestuur deze uitgave voor zijn rekening neemt. Maar de voorstelling alsof deze 7 pCt. premie eenvoudig ais tractementsverlies moet beschouwd worden en daarom door tractementsverhooging moet aangevuld worden, schijnt ons niet juist te zijn.

Vooreerst mag toch niet uit het oog verloren, dat de vaste regeling van het pensioen door den Staat een niet geringe fiiiantieele winst biedt, die thans ook het Christelijk onderwijs ten goede komt. Juist uit onze onderwijzerswereld is de dringende roepstem tot de Regeering uitgegaan, dat deze de pensioenregeling ter hand zou nemen. En waar onze onderwijzers uitnemend goed wisten, dat de Staat nooit pensioen uitkeert zonder een jaarlijksche premie te vragen, daar gaat het niet aan nu achteraf te zeggen, dat deze premie van het gewone salaris niet betaald kan v/orden. De jaarlijksche premiebetaling voor het pensioen is niet een extra-last, door het Rijk aan onze Christelijke onderwijzers opgelegd, maar geldt voor allen, die van het Rijk pensioen ontvangen, zoowel voor de openbare onderwijzers als voor de ambtenaren bij den staat in dienst. Nu is nog nimmer door de openbare onderwijzers of staatsambtenaren de eisch gesteld, dat deze premie door de eene of andere vereeniging van particulieren hun vergoed moest worden, opdat hun salaris weer op de normale hoogte komen zou. Bij alle staatsambtenaren wordt de premie van het salaris afgetrokken, en we zien niet in, waarom alleen de Christelijke onderwijzers hierop een uitzondering zouden moeten vormen. Wat wellicht tot dezen eisch aanleiding gaf was het feit, reeds door ons genoemd, dat de predikanten geen premie voor hun pensioen behoeven te betalen. Maar men vergeet daarbij, dat de pensioenen der predikanten niet door het Rijk, maar door de Kerk worden bijeengebracht en de positie van een predikant tegenover zijn gemeente een geheel andere andere is dan die van den christelijken onderwijzer tegenover den Staat. Was de regel juist, dat de premie van het pensioen niet als mindering van het salaris mag geheven worden, dan zou bij pensioneering der arbeiders door den Staat, de premie door den patroon en niet door den arbeider moeten betaald worden en kwam men geheel op de lijn der socialisten, die dat metterdaad als eisch van een goede pensioenregeling stellen. De gevallen staan volkomen gelijk; het schoolbestuur is de patroon of werkgever • de onderwijzer de arbeider aan de school, en de Staat treedt alleen regelend op om voor het pensioen te zorgen.

En hier komt in de tweede plaats bij, dat de onderwijzers, die dusverre geen uitzicht op eeii vast pensioen hadden, op andere wijze hebben moeten zorgen voor een onbekommerden ouden dag. En al weten we uitnemend goed, dat niet alle onderwijzers dit gedaan hebben, toch staan daartegenover tal van andere onderwijzers die door lid te worden van Barnabas of in een levensverzekering te gaan jaarlijks een niet zoo gering offer voor hun pensioen hebben gebracht. Daarbij kwam, dat verschillende schoolbesturen, die reeds op eigen gelegenheid de zaak der pensioneering ter hand hadden genomen, zich wel contractueel tot een pensioen verbonden hadden, maar daii ook jaarlijks een premie voor het pensioenfonds vorderden. Nu geeft ook hier de overgangstoestand zeker aanleiding tot moeilijkheden; de dusver gestorte bijdragen aan Barnabas en ievensverzekerir.gsmaatschappij of het pensioenfonds van een schoolbestuur kunnen niet in eens worden teruggegeven. Maar feit blijft toch, dat door de nieuwe pensioenregeling al deze bijdragen die tot dusver gestort werden, komen te vervallen en vervangen worden door de 7 pCt. premie aan het Rijk. Da voorstelling alsof deze 7 pCt. louter derving van salaris zouden wezen, kan dan ook uit dien hoofde niet juist worden genoemd. Al staan ons hier geen statistische cijfers ten dienste, we betwijfelen toch of het totaalbedrag van wat de onderwijzers dusver vrijwillig bijdroegen voor eventueel pensioen of levensverzekering zoo geheel gering zou blijken te zijn. Een zuivere rekening zou men eerst krijgen, wanneer men dit totaalbedrag aftrok van de jaarlijksche premie, voortaan door onze onderwijzers te betalen.

Een tweede opmerking, en die ons van meer belang toeschijnt, is deze, dat wel de hoofden der scholen in den regel een voldoend salaris ontvangen om daarvan met een gezin te kunnen leven, maar dat door ons te weinig gerekend is met de groote schare van hulponderwijzers, die wegens hun sober tractement aan geen huwelijk kunnen denken. In dat opdcht is de positie van een aanstaand predikant veel beter geregeld; zoodra hij aan het einde van zijn studie is en in een gemeente beroepen wordt, ontvangt hij als regel een tractement, dat hoog genoeg is om een gezin te kunnen onderhouden. Van een gedwongen coelibaat is bij onze jonge predikanten geen sprake, terwijl daarentegen tal van onderwijzers aan geen huwelijk kunnen denken.

Al zouden we hiertegen kunnen aanvoeren, dat men meestal op 18 a 19 jarigen leeftijd hulponderwijzer worden kan, terwijl de studie voor het predikambt veel langer voorbereiding eischt en de gelegenheid om te trouwen voor hem dus veel later komt; en ook al is het v^aar, dat door voortdurende uitbreiding van het Christelijk onderwijs en door vacatures, door sterfgeval ontstaan, wel een geregelde opklimming van hulponderwijzer tot hoofd der school mogelijk is; toch is daarmede het bezwaar zelf niet opgeheven. Niet alle hulponderwijzers heb'oen gave en talent genoeg om aan het hoofd eener school te staan, en het aantal scholen blijft in vergelijking met het aantal onderwijzers toch altoos te klein om lederen onderwijzer in de toekomst zulk een hooge positie te waarborgen. Blijft het salaris van de gewone onderwijzers, ook wanneer ze de dertig jaren naderen, te laag om te trouwen, dan worden ze dus metterdaad tot den ongehuwden staat veroordeeld.

Nu schuilt ongetwijfeld in dat coelibataire leven van onze onderwijzers een niet gering gevaar. Ook voor den onderwijzer geldt het woord Gods: het is niet goed, dat de mensch alleen zij. We doelen hierbij niet alleen op de sexueele zijde van het vraagstuk. Ook al weten we zeer goed, dat niet alle onderwijzers de gave der onthouding hebben en een gedwongen coelibaat allerlei gevaren meebrengt, toch is dat het eenige bezwaar niet. Een ongetrouwde man is, naar het kernachtige woord van Duitschland's grooten rechtsphilosoof, slechts een half mensch. Voor de rechte vorming en ontwikkeling van het karakter van den man is de omgang met de vrouv/, die hij liefheeft, de door God zelf gewilde oefenschool. Wie als ongehuwd man door het léven moet gaan, als kostganger hier of daar ingekwartierd, derft niet alleen zooveel liefde en hartelijkheid, waarmee alleen een trouwe gade hem bij zijn moeilijken arbeid steunen kan, maar loopt zoo licht gevaar van eenzelvig, heerschzuchtig, lastig van humeur, zelfzuchtig te worden. Het type van een „ouden vrijer" is waarlijk geen aanlokkelijk beeld. En waar we voor de opvoeding van onze kinderen mannen noodig hebben met een warm hart, met practische levenswijsheid, met geduld en lankmoedigheid, daar brengt het belang van de school zelf mede, dat de onderwijzer, zoodra hij op zekeren leeftijd gekomen is, in het huwelijk kunne treden. Ook voor onze hulponderwijzers — men vergeve on.s den ouderwetschen term — moet daarom de weg tot het huwelijk geopend worden.

Maar al beamen we de juistheid dezer opmerking ten volle, toch raag niet vergeten worden, dat Keulen en Aken niet op één dag zijn gebouwd en een dergelijk moeilijk vraagstuk niet met één slag kari worden opgelost door alle tractementen zóó te verhoogen, dat een gehuwd leven voor eiken onderwijzer mogelijk is. Eerst langzaam kan deze ideale toestand worden bereikt.

Een verblijdend teeken is het daarom, dat de meeste schoolbesturen reeds in

deze richting werkzaam zijn door het salaris geregeld te laten klimmen, bijzondere voordeelen aan het bezit der hoofdacte te verbinden en aan gehuwde onderwijzers een extra toelage uit te keeren, Ook de minimum-regeling der salarissen door het Rijk voor de bijzondere scholen verplichtend gesteld, brengt op dezen w«g ons een goeden stap verder. Een onderwijzer, die de hoofdacte bezit en drie-en-twintig jaar is, ontvangt boven het minimum salaris van vijfhonderd gulden nog tweehonderd gulden, terwijl bovendien wanneer hij achten-twintig jaar oud en gehuwd is, hem nog een tegemoetkoming in de huishuur ten bedrage van ten minste vijfdg gulden moet worden geschonken. Rekent men nu, dat de onderwijzer op acht en twiatigjarigen leeftijd reeds een tiental dienstjaren achter den rug kan hebben, dan komt men zelfs met het minimumsalaris tot een bedrag van 850 gulden; wat in vergelijking met een hoofd der school, die begint met 750 gulden plus vrije woning, niet zoo onvoordeelig is,

En daarbij komt in de twee plaats, dat de salarissen der gewone onderwijzers in den laatsten tijd veel meer gestegen zijn dan die der hoofdonderwijzers, omdat de vraag naar gewone onderwijzers bet aanbod verre overtreft. Bij de vacature voor een hoofd der school kan het schoolbestuur sollicitanten te kust en te keur krijgen, terwijl daarentegen de vacature van een gewoon onderwijzer slechts met moeite kan vervuld worden. Juist het gebrek aan gewone onderwijzers maakt, dat hun salaris niet onbelangrijk verhoogd is en vermoedelijk, bij de te wachten uitbreiding van het Christelijk onderwijs, eer nog stijgen dan dalen zal. Het gehuwd zijn is dan ook volstrekt geen privilegie van het hoofd der school alleen meer, maar tal van gewone onderwijzers zien zich reeds in staat, zij het dan ook pp bescheiden voet, eeneigen gezin te onderhouden.

We meenen hiermede de bedenkingen genoegzaam beantwoord te hebben. Aan onze onderwijzers brengen we dank voor hun welwillende critiek, omdat het daardoor mogelijk werd menig bezwaar, dat anders in stilte voortleven bleef, uit den weg te ruimen.

iVIet blijdschap zagen we, dat ook uit onze onderwijzerswereld zelf een protest opging tegen de o. i. overdreven eisenen van de Chr. onderwijzers-vereeniging, en dat het Schoolblad „De School met den Bijbel" in hoofdzaak met ons akkoord gaat, waar we op een andere regeling aandrongen.

Zij ten slotte onzen onderwijzers nog de verzekering geboden, dat hun belangen ook ons ter harte gaan en ons critiek geenszins ten doel had de schoolbesturen van een verhooging van hun salaris af keerig te maken. Verbetering van het onder wij zerstractement is eisch. Maar waar de gevraagde verhooging met 2/3 der meerdere subsidie te hoog was, liep men gevaar, dat de schoolbesturen geprikkeld zouden worden en ons Christelijk publiek, dat reeds zooveel het ft bij te dragen, geërgerd zou worden; wat den onderwijzers zelf alleen tot schade zou wezen. Om dat gevaar af te weren, hebben we gesproken. Een redelijk verzoek vindt een willig oor, maar wie het onderste uit de kan wil hebben, dien valt het lid op den neus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

De tractementen onzer onderwijzers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's