Uit de Pers.
Het Diaconaal Correspohdtntieblad bevat ditmaal het referaat, dat door Prof. Kuyper op de provinciale diaconale Conferentie in Dea Helder gehouden werd.
Het hoofddoel van dit referaat was, om bij de diakonie er op aan te dringen, dat zij niet alleen de tot armoede vervallen broedeis zou helpen, maar ook zorg zou dragen de armoïde zooveel mogelijk te voorkooaen.
Reeds Voeiius had op die taak der diakenen gewezen:
Reeds Voeiius, en ik meen dat het gezag van zijn woord ook in uw kring gelden zal, heelt in zijn meesterwerk over het Gereformeerde Kerkrecht er met nadruk op gewezen dat de taak der diakonie volstrekt niet opgaat in de uitdeeling van liefdegaven aan de armen, maar dat de diakenen even goed alle middelen hebben aan te wenden om de armoede in haar eersten oorsprong te stuiten. En om dien plicht nader aan te dringen gebruikt Voetius twee voorbeelden, die even treffend als juist zijn. Hei is beter zegt hij, een dreigende krankheid door geschikte middelen te voorkom.en, dan een uitgebroken ziekte te bestrijden. Het is beter een versleten kleed bij tijds te herstellen, dan te wachten tot het kleed in lompen uiteenvalt, de persoon naakt staat en een geheel nieuw stel kleeren noodig is. De practische zin van den Hollander spreekt uit tieide beelden u tegen; ze vertolken u wat de levenswijsheid ouzer vaderen kort en krachtig uitdrukt, dat voorkomen beter is dan genezen.
En indien die ptactische wijsheid voor u niet beslissend mocht schijnen, dan heeft Voetius een afdoend bewijs in het beroep op Gods eigen Woord. God de Heere, zoo gaat hij voort, heeft in Lev. 25 : 35 bevolen — en ik geef u de bedoeling van dezen tekst letterlijker en nauwkeuriger weer dan onze Statenvertalers dit deden — »Zoo wanneer uw broeder a n het verarmen toe is en zijn hand wankelt naast u, zoo zult ge hem staande houden". Met andere woorden, wanneer uw naaste — want «broeder" beteekent hier uw volksgenoot — in den strijd om het leven niet meer op eigen voeten staan kan, maar wankelend voortgaat en dreigt te bezwijken en te vallen, dan zult gij met uw hulp niet wachten tot hij gevallen is, om hem dan weer op de been te helpen, maar ge zult terstond toeschieten, met uw beide handen hem vastgrijpen onder de okselen zijner armen en hem zoo weer ophelpen uit zijn gevaarlijke houding. En waar dit hoog bevel Gods •— zoo gaat Voeiius voort — onder Israël gold voor alle geloovigen, daar geldt het te meer voor de Diakonie, het orgaan der barmhartigheid in Christus' gemeente. De Diakonie heeft niet alleen de gevallenen weer op te richten, maar ook de wankelenden te steunen, niet alleen de verarmden te helpen, maar ook de armoede te voorkoxen.
Na aangetoond te hebben, dat ook de nieuwere schrijvers over Diakonale zorg het met dat oordeel van Voetius eens zijn, wees de inleider er op, hoe juist hier de grenslijn ligt, die de Middeleenwsche van de Protestantsche armen zorg scheidt.
In weldadigheidszin en mildheid van gaven Staat de Roomsche Kerk zeker niet bij het Pro testantisme achter, maar het zedelijk motief, dat den Roomschen Christen tot geven dringt, is een ander dan het onze. Hij geeft, maar om zelf te ontvangen ; hij brengt een offer, maar om daardoor zich zelven van de zaligheid te verzekeren. Niet innerlijke ontferming met ellendigen, maar de verfijnde zelfzucht om door verdienstelijke wer ken den hemel te ontsluiten, is de prikkel, die hem tot weldadigheid drijft. Kras en scherp is het uitgedrukt door een der beroemdste predikers uit de Middeleeuwen: »Gij arme lieden kuntvroo lijk zijn. Willen de rijken het hemelrijk beërven, dan moeten zij het koopen met die deugd, die milddadigheid heet. Doen zij dit niet, dan zien zij het hemelrijk nooit of te nimmer'. En dat met alleen, maar wie gezondigd had en met name een doodzonde had begaan, kon de helsche straf alleen afkoopen door boete en goede werken, onder welke de aalmoezen wederom de eerste plaats innamen. Zoo doen de aalmoezen in de Middeleeuwen alles; zij bevrijden den zondaar van schuld en zonde, zij vermeerderen voor den vrome de genade, zij brengen tijdelijken en eeuwigen zegen, zij grijpen zelfs over den tijd in de eeuwigheid in, lenigen de smarten van het vagevuur en dooven den vuurgloed der hel. Hieruit volgt van zelf, dat het doel dezer barmhartigheid dan ook niet is om de ellende te bekampen en de armoede uit de wereld te krijgen, want wat zou men mceten beginnen, wanneer de armen verdwenen? Zonder armen geen gelegenheid om voor de zonden te boeten, geen kans om door eigen verdiensten den hemel te verwerven. Eigenlijk mocht men God danken, zegt Uhlborn snijdend scherp, dat er voortdurend armen waren. Maar vandaar dan ook dat geen enkele poging werd aangewend om de oorzaken der armoede tegen te gaan, het pauperisme te bestrijden of te voorkomen. Integendeel, armoede en bedelarij schijnen in de oogen des volks een gewettigd iets, een beroep om gemakkelijk te kunnen leven. »Een ieder, zingt een volkslied van die dagen, wil met bedelen aan den kost komen; want bedelen doet niemand kwaad En de Keik heeft hier mede schuld. De bedelmonniken die van huis tot huis om een liefdegave vroegen, gaven het voorbeeld aan de bedelaars en omringden de bede larij schier met een heilig aureool. Vrijwillige armoede was een hooge deugd. Aan de poorten der kerken hadden de bedelaars hun vaste aangewezen plaats; het bedelen was geen schande meer. Vandaar dat trots de schitterende voorbeelden van offervaardigheid, die de Middeleeuwsche Kerk ons biedt, de armoede hand over hand toeneemt. Want de armen zochten niet meer naar werk; ze wisten dat ze door de rijken mildelijk zouden worden gevoed, en de rijken hadden de armen noodig als sport op de ladder, die hen ten hemel voerde.
Tegenover dezen diep onzedelijken toestand, waartoe valsche barmhartigheid uit zelfzucht geboren aanltiding gaf, zijn de Kerken der Refor matie met alle k)ac|it opgetreden. De leer, dat de mensch niet door de goede werken en ook niet door aalmoezen, maar alleen door het geloof ge rechtvaardigd kan worden, sneed den zondigen wortel der zelfzucht weg en stelde als motief voor alle ware barmhartigheid de liefde tot God en de deernis met den naaste. En evenals het beginsel werd ook het doel der barmhartigheid veranderd. Elke barmhartigheid, die bedelarij, luiheid en ledigheid in de hand werkte, werd veroordeeld, bedelarij werd van haar heiligenkrans beroofd en werd een schande. Eerlijke handenarbeid om daarmede zijn brood te verdienen was voor elk Christenmensch plicht. Wie niet arbeiden wilde, zou ook niet eten. Niet een ziekelijk betoon van medelijden, waardoor de armoede juist bestendigd wordt, maar een gezonde barmhartigheid die de oorzaken der armoede wegneemt en den arme tot werken prikkelt, werd het doel. Vandaar dat de Protestantsche armenzorg niet alleen op genezing maar ook op voorkoming der armoede bedacht was en reeds in de oudste Kerkordeningen tal van middelen worden aangewezen, waardoor het gevaar van p .uperisme kan worden voorkomen. Aan het protestantisme is het te danken, dat de prophylaxis der Christelijke barmhartigheid is geboren.
Waar de diakonie aldus haar taak opvat, zal de uitkomst leeren, dat ook hier in het gebod des Heeren het leven te vinden is. Juist het wachten met hulp en steun totdat gebrek en ellende den drempel overschreden hebben, maakt de kwaal vaak ongeneeslijk. Armen, die met een klein bedrag waren te helpen geweest om bedrijf of nering voort te zetten en dan voor het pauperisme waren bewaard gebleven, bleken vaak niet meer te redden, toen zij eenmaal geleerd hadden van de diakonale kas te «trekken". Het zij zoo, dat het geen schande is voor - de armen om uit de handen der diakenen een aalmoes te ontvan gen, waar die gave in Christus' naam hun ge schonken wordt, maar de praclijk leert toch, hoe het gevoel van «bedeeld te worden" den prikkel tol arbeiden verstompt, demoraliseerend en ontzenuwend werkt in den strijd om het bestaan en de handen slap en de voeten traag maakt.
En nu weet ik wel, dat men ook hier is opgetreden onuer het vaandel der valsche lijdelijkheid; dat men gezegd heeft, dat het zonde was op Gods tijd vooruit te loopen, dat de Diaconie geen voor zienigheid had te spelen, dat men wachten moest tot het kwaad der armoede was uitgebroken, want dat alleen kranken den geneesheer van noode heb ben. Maar wie zoo spreekt of denkt kent toch Gods Woord niet. Of heeft God dan niet onder Israel in zijn heilige wet geboden, Deut. 22 : 5. dat om het platte dak der Ooste sche woning een leuning moest worden aangebracht, opdat geen onvoorzichtige naar beneden zou storten, en rekent Hij het niet als bloedschuld wanneer door schuldig verzuim van dezen voorzorgsmaatregel een ongeluk geschiedde? En zoa diezelfde God het dan afkeuren wanneer de Dienaren zijner Barmhartigheid een leuning bouwden voor den caaste, opdat de wankelende voorvallen en wegglijden in den afgrond van pauperisme werd behoed ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 januari 1906
De Heraut | 4 Pagina's