Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voorzichtigheid eisch.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorzichtigheid eisch.

9 minuten leestijd

Amsterdam 12 Jan. 1906.

De dogmatische ontwikkeling onzer Kerken mag niet stilstaan. Hoe rijk en hoe heerlijk de schat ook is, door onze Vaderen ons overgeleverd, hoe trouw we dien schat ook wenschen te bewaren, we gelooven toch dat de Heilige Geest Zijn Kerk steeds verder in alle waarheid leiden zal. Een versteend Confessionalisme is voor alle kerkelijk leven de dood. Wie steeds bij de eerste beginselen staan blijft en niet den heiligen drang in de ziel voelt om voort te varen tot de volmaaktheid, verstaat des Christens roeping niet.

De Heraut heeft dan ook aan dit doode en doodende Confessionalisme nooit de hand geboden. De ware Schriftgeleerde weet uit den schat der Schrift oude en nieuwe dingen te voorschijn te brengen. Voor zoover dit moest, hebben we zelfs niet geaarzeld met de Schrift critiek op de Confessie uit te oefenen, en van valsche behoudzucht zal wel niemand ons beschuldigen, waar juist van onze zijde het sterkst geprotesteerd is tegen het onveranderd handhaven van een stuk onzer Confessie, dat naar het gemeen gevoelen van schier alle Protestantsche Christenen, niet in overeenstemming was met Gods heilig Woord, En niet alleen dat we zoo, waar dieper inzicht in de waarheid dit eischte, critiek hebben geoefend op de Belijdenis, maar we hebben ook getracht op het fundament door onze Vaderen gelegd, verder voort te bouwen, opdat de gemeente Gods steeds dieper mocht worden ingeleid in de kennisse der waarheid, die naar de Godzaligheid is.

Ook van Christus' Kerk geldt het woord des Apostels, die na eerst te hebben getuigd, hoe hij alle dingen schade en drek achtte om de uitnemendheid der kenni.sse van Christus Jezus zijnen Heere, terstond er op volgen laat: „Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben". En wanneer zelfs de Apostel van Christus erkennen moet, dat hij de volmaaktheid dezer uitnemende kennisse niet bereikt heeft, hoe veel te minder zal dan Christus' Kerk, zoolang ze haar pelgrimsreize op aarde voortzet, kunnen roemen, dat het wit der roeping Gods door haar gegrepen is.

Met groote wijsheid en voorzichtigheid heeft dan ook de Generale Synode onzer Kerken, toen ze geroepen werd over zekere „leergeschillen" uitspraak te doen, eiken schijn vermeden, alsof ze de dogmatische ontwikkeling aan banden wilde leggen. AI trok ze zekere grenzen, ze wachtte zich wel uitspraak te doen over gevoelens, die in onze kerken steeds broederlijk zijn ge dragen, en ze handhaafde met nadruk de zoogenaamde „libertasprophetandi, " de vrijheid om te profeteeren, op grond van wat Gods Woord zelf zegt in I Cor. 14; Phil. 3:15 enz. En niet het minst daarom is deze beslissing der Synode in binnen-en buitenland met vreugde en dankbaarheid begroet.

Maar hoezeer we met de Synode voor deze vrijheid der dogmatische ontwikkeling opkomen, toch mag nooit uit het oog verloren worden, dat deze ontwikkeling aan bepaalde wetten, door God verordineerd, gebonden is. Vrijheid is geen losbandigheid. De geesten der profsten moeten aan de profeten onderworpen blijven.

De eerste eisch hierbij is voorzichtigheid en wijsheid. Niet elke fonkelnieuwe gedachte en niet elke tot dusver ongehoorde terminologie, hoeveel bekoring ze ook voor den ontdekker hebben moge, behoort zonder nadere keuring aan de gemeente te worden voorgesteld. Vertrouwen is een teére plant, en wie het vertrouwen eenmaal geschokt heeft, krijgt het in geen jaren terug. Vooral op het gebied der leer heeft de gemeente zulke fijne voelhorens, en al wat noodeloos het gevoel der gemeente kwetst of schrijnt, kan zoo licht een ontstemming te weeg brengen, die tot verdeeldheid en verbittering leidt. Zeker, het gevoel der gemeente alleen beslist niet. Het kan noodig zijn, tegenover ziekelijke toestanden met ernst en met kracht op te treden. Maar wie waarlijk teeder leeft voor God en de gemeente liefheeft, zal toch alles vermijden wat noodeloos aanstoot geven kan, en voor alle dingen zich afvragen, of de kennisse, die hij brengt, sticht of ontsticht. Wat voorde practijk der godzaligheid geen de minste winste afwerpt, behoort althans niet met een Jehu's ijver te worden gedreven.

Te ontkennen valt het helaas niet, dat menig jong predikant deze les der voorzichtigheid niet altoos genoeg heeft betracht. Er zijn tal van uitdrukkingen gebezigd, die wel niet zoo kwaad waren bedoeld, maar die toch door hare hardheid aanstoot hebben gegeven en door hare eenzijdigheid terecht aanleiding gaven tot critiek. En al beweren we niet, dat deze critiek altijd even broederlijk was en het verzet soms niet uit gansch ongereformeerde beschouwingen van de gemeente, het verbond der genade en de beteekenis der sacramenten voortkwam, dit alles verontschuldigt toch niet het kwaad waarop we wezen. Elke eenzijdigheid roept reactie te voorschijn en draagt zelf van deze reactie niet weinig de schuld.

De bittere broedertwist, die daardoor ontstaan is en jarenlang onze kerken verdeeld heeft, heeft aan onze geestelijke ontwikkeling geen geringe schade gedaan. Terwijl in normale omstandigheden deze divergentiën elkaar in evenwicht houden en het leven der gemeente voor uitersten behoeden, werden ze nu zoo op de spits gedreven en geaccentueerd, dat soms het gevaar van scheuring dreigde. Onze vijanden lachten en spotten met onze verdeeldheid. De vrome kinderen Gods buiten onze kerk hielden zich verre van ons, omdat ze de werking des Geestes in ons midden niet bespeurden. En in onderling krakeel ging zoo menige kracht verloren, die zoo uitnemend voor beter en heiliger doel kon worden gebruikt.

De Synode van Utrecht, die aan dezen twist een einde heeft gemaakt, is daarom met zulk een luiden jubel door al wieSion liefheeft begroet. Het „Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't als zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen, " klonk met een zucht van verademing door alle kerken, toen de uitslag der Synode bekend werd. En sinds is in tal van gemeenten, die bitter onder deze verdeeldheid te lijden hadden, een rust en vrede weergekeerd, waarvoor God niet genoeg kan gedankt worden.

Des te ernstiger is de roeping en plicht onzer predikanten, om, nu dit dreigende ge vaar door Gods genade afdreef, de les der voorzichtigheid, die de synode gaf, toch wel ter harte te nemen. Vooral jonge predikanten, die kersversch de Akademie verlaten hebben, moeten niet terstond met allerlei nieuwe leervoorsteUingen optreden, die wederom tot beroering der gemeenten aanleiding kunnen geven. Wie waarlijk door God meent geroepen te zijn om onze dogmatische ontwikkeling verder te brengen of op nieuwe paden te leiden, beginne eerst vTiet een nauwkeurig onderzoek van Gods Woord, vrage zich af of hij metterdaad voortspint aan de lijn, die God zelf in de geschiedenis onzer kerken trok, en wachte zich voor elk overhaast op de markt brengen van stellingen en onderstellingen, die den toets eener ernstige critiek niet kunnen doorstaan.

En naast dezen eisch der voorzichtigheid meenen we, dat een tweede mag gesteld worden, die niet minder klemt. Wie de gangen Gods in de geschiedenis Zijner Kerk nagaat, weet dat de dogmatische ontwik keling altijd geschiedde door tegenstelling met de ketterijen en de valsche dogma's der philosophic, die in een bepaald tijdperk op den voorgrond traden. Zoo heeft de strijd met Arius geleidt tot vaststelling van het dogma van Christu's godheid. Zoo heeft de dwaling van Pelagius aan Augustinus de gelegenheid geschonken om de eere Gods in het werk der genade te handhaven. Zoo is de afwijking der Roomsche kerk het motief geweest, dat de Kerken der Reformatie tot klaarder belijden der waarheid Gods bewoog. Zoo hebben onze Kerken in haar bloeiperiode tegenover het semipeiagiaansche drijven der Arminianen de souvereiniteit Gods geëerd. De ontwikkeling van het dogma werd steeds door de antithese bepaald. Door de schaduw der ketterij werd het licht, aan Gods Kerk geschonken, tot rijker ontplooiing gebracht.

Door die les der historie geleerd, meenen we dat een gezonde dogmatische ontwikkeling zich bij voorkeur te richten heeft op die stukken onzer belijdenis, die door de moderne wereldbeschouwing het felst in gedrang worden gebracht. Het leerstuk der erfzonde, om slechts een voorbeeld te noemen, is door*de psychologische studiën van onzen tijd, met name door het atavisme van de Ifaüaansche school, een der brandende quaestiën van den dag geworden — en wie als wetenschappelijk man een poging waagt om met de feiten en hypothesen dezer school zich „aus einander zu setzen" gelijk de Duitscher het noemt, verdient zeker ten volle waardeering. Maar wie, nu de vijand zijn scherpste geschut op onze hoofdvesting richt, met al de kracht van zijn denken zich gaat werpen op tal van splinterige vraagstukken, die door onze uitnemendste theologen nog nooit tot oplossing zijn gebracht en wier practisch nut bovendien uitermate twijfelachtig is, verspilt niet alleen zijn kracht, maar loopt bovendien gevaar in de fout der Middeleeuwsche Scholastiek te vervallen, die het dogma als een rekstok gebruikte voor haar gymnastische denkoefeningen. Vragen zoo onzinnig als : hoeveel engelen er dansen kunnen op de punt eener naald, of Christus ook als een vrouw had kunnen geboren worden, of Adam met een navel geschapen is enz. werden door deze scholastiek met een scherpzinnigheid ontleed en uitgeplozen, alsof de zaligheid der ziel er aan hing, terv/ijl de groote vragen van het leven onbeantwoord bleven en het hart van Gods volk er bij bevroor.

Wie op den ernst der tijden acht geeft, weet dat er gewichtiger en heiliger arbeid te verrichten is, dan in deze scholastieke quaesties zich te verdiepen, die allicht een nieuwe twistappel zouden kunnen worden in den boezem onzer Kerken, en waardoor al'eeri schade zou worden aangericht.

Aan de libertas prophetandi wenschen we dus niet tekort te doen, en een verdere ontwikkeling van het dogma achten we zelfs broodnoodig. Maar moge bij die ontwikkeling de voorzichtigheid, die vooral op zoo heilig gebied eisch is, niet vergeten worden en wachte men zich daarbij voor een curieuse nieuwsgierigheid, gelijk onze vaderen het noemden, die zelfs de diepste mysteriën wil onderzoeken. Ook hier zal de geloovige theoloog acht geven op de gangen Gods in de historie en de kracht van zijn denken in de eerste plaats beproeven op die vraagstukken, die Goie 1 f door den tegenstand onzer vijanden op onzen weg plaatst. Dan zal die ontwikkeling vrucht afwerpen voor de gemeente des Heeren en strekken tot eere van Gods heiligen Naam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Voorzichtigheid eisch.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's