Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze nieuwe letterkunde.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze nieuwe letterkunde.

5 minuten leestijd

Een schrijver, die zich zelf achter het masker van een pseudoniem schuil houdt heeft scherp en bitter gegeeseld, wat hij het Snobbisme noemt van Calvinistische recensenten, die naar zijn oordeel te kras den staf hebben gebroken over onze nieuwe letterkunde, zonder in staat te zijn het goede in de tegenwoordige richting te waardeeren.

Nu ontkennen we niet, dat de critiek soms welwillender had kunnen zijn. In het pogen der mannen van 1880 om aan de gezwollen rhetoriek, de holle phrase, de versleten beeldspraak te ontkomen, schuilt metterdaad een verdienste. En al zijn we niet blind voor de excessen en extravagantiën, waartoe deze woordkunst aanleiding gaf, al weten we ook uitnemend goed, dat het rijk gestikte woordenkleed niet zelden diende om de armoede aan oorspronkelijke gedachten te verbergen, toch ligt in het breken met de sleur iets heroïeks en kan deze nieuwe school roemen op menigen taaivirtuoos, die de fijnste klankkleuren op zijn palet wist te mengen en echt gouderts uit de mijn van onzen taalschat heeft te voorschijn gebracht.

Tegen de schier hartstochtelijke vereering dezer school van het woord gaat dan ook ons hoofdbezwaar niet. Wij Christenen, die gelooven dat God alle dingen door het Woord geschapen heeft, zullen de beteekenis van het woord niet licht onderschatten. En hoe fijner de greep is, die het wondere speeltuig der taal, dat God ons volk schonk, weet te bespelen en daaraan de welluidendste klanken weet te ontlokken, hoe dankbaarder we zullen zijn voor het talent onzer kunstenaars. Ook de overdrijving, uit reactie licht verklaarbaar, waaraan deze school zich schuldig maakt, zal door een gezonde critiek wel vanzelf verdwijnen. In den strijd tusschen de oude en nieuwe school, voorzoover deze' alleen over den vorm loopt, kiezen v/e noch voor de eene, noch voor de andere richting absoluut partij.

Maar wel geldt ons bezwaar tegen den inhoud dezer nieuwe letterkunde, die onder zoo schoonschijnend etiket aan den man wordt gebracht. Wanneer men met de leuze, dat de kunst aan geen religieuse of zedelijke normen zich te storen heeft, maar alleen te vragen heeft naar wat kunstgenot bieden kan, ons volk vergiftigt met de schrikkelijkste godslasteringen en met de meest realistische beschrijvingen van wat laag en gemeen is, dan misbruikt men de kunst om al wat hoog en edel is in de ziel van ons volk neer te trekken in het slijk der zonde. Zulk een kunst mag door ons niet geduld worden, maar moet als ongoddelijk, als satanisch worden wederstaan. Wanneer satan zich hult in de gedaante van een eagel des lichts, is hij juist het gevaarlijkst. En hoe menig jong hart, dat onder de bekoring dezer nieuwe letterkunde kwam, daarmede voorgoed zijn geloof heeft verloren en tot al schrikkelijker perversiiteiten op zedelijk gebied gekomen is, valt niet te berekenen.

Dat we met deze klacht niet overdrijven, weet ieder die deze nieuwe letterkunde kent.

Zelfs een zoo teergevoelige dichteres als Helene Lapidoth Swarth heeft zich niet ontzien in haar erotische sonnetten dingen te schrijven, die den Christen als godslastering in de ooren klinken. En het beruchte vers van Kloos gaat nog verder, waar hij in schier waanzinnigen hoogmoed het uitroept :

„Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, „En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon, „Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboon, „Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, „En als een heit van donker wilde machten „Joelt aan mij cp en valt terug, gevloón „Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon; „Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

Wanneer de litteratoren van onzen tijd zulke verzen als „trotsch en hartstochtelijk" roemen en ze met voorliefde in hun bloemlezingen opnemen, dan weigert niet alleen de Calvinist, maar elk Christen om meè den wierook te ontsteken voor een dichter, die zoo de eere Gods heeft aangerand. Geen schoonheid van vorm of woord pleit deze godslastering goed.

En niet alleen in de religieuse aberratie dezer school ligt haar gevaar. Wie de jongste roman van den gevierden grootmeester dezer school inzag, weet hoe de meest perverse zonde op zedelijk gebied, die onder christenen niet eens genoemd behoort te worden, daarin geteekend wordt met zulk een schitterend coloriet, met zulk een fijnheid van psychologische analyse, met zulk een afdalen in de walgelijkste bijzonderheden, dat alleen de meest verdorven smaak zulk een boek met genot doorlezen kan. Er is ook hier een snelle afgang der wateren, en wie omdat in de kunst alles geoorloofd is, met het realisme dezer school medegaat, eindigt met een apotheose van de Man-vrouw ziel, die in den verwijfden keizer Heliogabalus haar „goddelijke" openbaring vond.

Dieper niet. wegzinken kan deze letterkunde

Ze begon met de eere Gods aan het schepsel te geven.

En ze eindigt met dezelfde zonde te verheerlijken, waarvan de Apostel Paulus in Romeinen I als het oordeel Gods over de van Hem afgevallen heidenwereld gewaagt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Onze nieuwe letterkunde.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1906

De Heraut | 4 Pagina's