Droeve cijfers.
De crimineele statistiek is een thermometer, die ons vrij juist aanwijst, hoe het met de publieke zedelijkheid van ons volksleven staat. Want al dient men met deze cijfers zeer voorzichtig te zijn, en al kan alleen een deskundige de taal dezer cijfers lezen en vertolken, toch spreekt het wel vanzelf, dat stijging of daling van het aantal veroordeelingen, evenals het percentage, dat hiervan elk kerkgenootschap ten laste valt, ook een moreele beteekenis heeft.
Het pas verschenen jaarverslag, dat over 1903 loopt, is zeker niet ongunstig. Het aantal veroordeelingen wegens misdrijf daalde met bijna 5 pCt. en het aantal veroordeelingen wegens overtredingen steeg wel eenigermate, nl. 0.6 pCt., maar dit is in vergelijking met de voorafgaande jaren toch winste te noemen, waar de stijging in 1900 3.8 pCt, in 1901 6, 1 pCt. en in 1902 zelfs 19.5 pCt. bedroeg.
Wie hieruit echter zou afleiden, dat nu een betere toestand zou zijn ingetreden, wordt wel bitter teleurgesteld, wanneer hij de voorloopige gegevens voor 1904 raadpleegt. Daaruit blijkt toch, dat „in dat jaar door de rechtbanken in eersten aanleg 787 veroordeelende vonnissen (of 4 7 pCt.) meer, en door de kantonrechters 14075 (of 10 7 pCt) meer werden uitgesproken dan in 1903" gelijk het voorbericht van het jaarverslag meldt. Het feit, dat het aantal veroordeelingen wegens misdrijf in één jaar met meer dan 700 en dat wegens overtredingen met 14000 (zegge veertienduizend) klom, getuigt waarlijk niet voor duurzame verbetering.
Niet ten onrechte merkt de Nieuwe Rotterdamsche Courant, aan wie wij deze cijfers ontleenen, dan ook op, dat de Statistiek „de illusie heeft weggevaagd van hen, die zonder verder na te denken reeds zoo lang hebben gemeend, dat de jaar in jaar uit eentonig klepperende strafmolen gezond sociaal voedsel malen zou." Het aantal veroordeelingen klom van 1896 tot 1903 van 66000 tot 121.500 en is dus in den tijd van ruim zeven jaar bijna verdubbeld.
Nu geven we de Nieuwe Rotterdammer gaarne toe, dat deze schrikbarende vermeerdering voor een deel ten laste komt van „den aanwas der strafbepalingen in wetten en verordeningen". Het stelsel van strafbedreiging, dat in onze wetten zoo overvloedig wordt toegepast, blijkt in de practijk verre van gunstig te werken. De schande van veroordeeld te worden gaat er op die wijze af, en dit werkt op den duur demoraliseerend. De Staat heeft evenals een goed huisvader te' zorgen, dat de straf niet te veelvuldig wordt toegepast In dat opzicht heeft ons strafrecht zeker een wijziging te ondergaan.
Maar toch gelooven we, dat verbetering van ons strafrecht hier niet alleen helpen kan. Uit de enorme vermeerdering van het aantal veroordeelingen wegens overtredingen blijkt, dat de eerbied voor menschelijke wet en verordening steeds geringer wordt. En uit de stijging van het aantal veroordeelingen wegens misdrijven, dat ook de eerbied voor de Goddelijke wet bij ons volk eer achter-dan vooruitgaat.
Men kan, door de strafbepalingen te verminderen, wel een gunstiger statistiek krijgen; wanneer er in het geheel geen strafbepaling was, stond Nederland zelfs met een blanco register; maar daarmede is de zedelijke oorzaak van het kwaad niet weggenomen. En al erkennen we ten deele de juistheid van de opmerking der Nieuwe Rotterdammer, het getuigt toch van oppervlakkigheid, wanneer ze alleen van verbetering der rechtsspraak heil verwacht.
Onze liberalen worden niet gaarne herinnerd aan het woord van Modderman: verbeter de volksschool en ge kunt de gevangenissen sluiten. De uitkomst heeft maar al te droef geleerd, dat intellectueele ontwikkeling volstrekt niet altijd door moreele verbetering wordt gevolgd. De droeve toestanden op de Openbare School, zooals die nog onlangs te Amsterdam aan het licht kwamen, werken waarlijk niet meê den eerbied voor hèt gezag bij de kinderen hoog te houden. Is het wonder, dat een volk, op een godsdienstlooze Staatsschool grootgebracht en later vergif tigd door een letterkunde, die allen eerbied voor Goddelijke wetten van zich heeft afgeschud, op de crimineele Statistiek met steeds ongunstiger cijfers prijkt ?
Lang en ernstig genoeg is onzerzijds gewaarschuwd voor het gevaar om de volksopvoeding van de religie los te maken. Of de statistiek thans de wekker en roeper zal blijken, die wakker maakt en de oogen dwingt om het gevaar in te zien, zal de toekomst moeten leeren. Maar hoopgevend is het zeker niet, dat zelfs een deftig oud liberaal blad als de Nieuwe Rotterdammer, uit deze statistiek geen andere conclusie weet te trekken, dan dat de molen van ons strafrecht geen gezond sociaal voedsel maakt. Niet aan den molen ligt de schuld, maar aan het graan, dat op een bedorven akker opwies.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 februari 1906
De Heraut | 4 Pagina's