Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde.“

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde.“

9 minuten leestijd

O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde Psalm 8: 1o.

In een der laatste halleluja psalmen zingt het slot van „de kinderen Israels" als van „het volk dat nabij God is."

Er staat voluit: £n]Hij heelt den hoorn zijns volks verhoogd, den roem al zijner gunstgenooten, der kinderen Israels, des volks dat nabij Htm is." (Psalm 148 : 14). Ondersteld is hier alzoo, dat niet alleen de enkele ziel zich in nauwer verkeer, in engere gemeenschap, in volstandiger omgang met God bevindt, maar dit, in veel vager zin natuurlijk, ook van een gansche menigte onder bepaalde omstandigheden, tot zelfs van een geheel volk kon gelden.

Dit nu is tot op zekere hoogte ook toepasselijk op de bevolking van \ys, Xplatteland, in tegen stelling met de bevolking onzer, vooral groote, steden.

Het sprookje van den „tempel van ongekorven hout" verblijve daarbij onder het vonnis van zijn eigen onwaarachtigheid. Dat sprookje was in zijn schijnheiligheid nooit anders dan het poëtisch vrome praatje van wie op Zondag liever wandelen dan naar de Kerk ging.

Neen, gedoeld wordt hier op het bijna in alle landen waargenomen feit, dat de landelijke bevolking, over het geheel genomen, aan haar godsdienst gehecht bleef, terwijl omgekeerd de groote massa der stedelingen, althans onder wat protestantsch heet, aan allen huisgodsdienst en kerkedienst is afgestorven. Zelfs kan gezegd dat dit bedenkelijk verschijnsel toeneemt, naarmate de bevolking van eene stad zich meer uitzet.

Dit wil niet zeggen, dat er in deze groote steden ook niet een vrome kring overbleef. Soms is die kring zelfs zeer invloedrijk, staat hij veelszins hooger danjde landelijke vroomheid, vooral in doorzettendheid en veerkracht. Dit komt van de meerdere wrijving en heftiger strijd. Wie in zulke steden aan de heilige traditiën der vaderen getrouw bleef, deed dit onder verzet, had er om te lijden, moest er voor worstelen; maar wie in die worsteling boven bleef, kwam er dan ook geoefend, gewapend, gesterkt uit te voorschijn en voelde zich beter tegen ongeloof en indifferentisme opgewassen.

Maar deze, betrekkelijk altoos kleine, kringen daargelaten, valt niet te loochenen, dat de eerbied voor de religie ten plattenlande nog veel vaster is ingeworteld, en dat die eerbied in het stedelijk leven kwijnt; dan vooral, zoo er veel nijverheid, veel koophandel, en veel speculatie op de beurs is. Zeker, er zijn ook onder de fabrieksheeren en fabrieksarbeiders, er zijn ook onder de kooplieden en kantoorklerken, er zijn ook onder de beursmannen en renteniers innig vrome kinderen Gods, maar ze zijn witte raven onder de zwarte vlucht.

Wat hiertoe meewerkte is velerlei. Ten plattenlande is men met weer en wind, is men met oogst en misoogst, met vee-en landplaag veel afhankelijker van het rechtstreeksch doen Gods. Bij de nijverheid is 't meer de mensch, de machine uitvinding die heerschappij voert. Ook is de verleiding op het platteland minder brutaal uitgestald. De avonden zijn er korter en men is er vroeger op. Men kent elkaar per soonlijk, en daardoor is de tucht der publieke opinie er werkzamer. Het getal leden eener kerk is er kleiner en daardoor het toezicht van de kerk meer algemeen. Zoo zijn er tal van oorzaken, die hier saimwerken, maar onder deze oorzaken blijft toch steeds vooraan staan het leven op 't land zelf, en de daaruit opkomende invloed van de natuur, van de zichtbare scheppin Gods die den landbewoner omringt. Iets waaruit is af te leiden, dat wie de nabijheid van zijn God zoekt, een merkelijke kracht teloor laat gaan, zoo hij oog en oor niet opent voor den indruk, dien die zichtbare schepping ons van Grcds nabijheid geven kan.

Hoe dit openen van oor en oog daarbij noodig is, ziet ge wel aan die vele stedelingen die zomers naar buiten trekken, maar die er niets anders zoeken dan genot en frissche lucht, en even vervreemd van hun God terugkeeren als ze uittogen. Maar een feit blijft het, dat de stedeling de natuur mist. Parken en bolwerken vergoeden iets, maar de groote menigte, vooral de werklieden, komen pas naar huis als 't don ker wordt. En wel glinstert ook boven onze steden der sterren pracht aan 't firmament, maar wie die 's avonds door de drukke straten wan delt, ziet ge het oog opheffen naar boven, om aan te zien wie al deze dingen geschapen heeft, die in getal hun heir voortbrengt, en die ze bij name roept?

Op onze dorpen heeft men de natuur, of men ze wil of niet. Ze dringt er zich aan de bewoners op. In onze steden daarentegen is men van de natuur afgesloten, en vindt ze alleen wie ze boven of buiten de stad zoeken wil.

Op het land komt de stemme Gods van binnen en van buiten tot ons; in onze steden alleen van binnen, en weerklinkt luide op alle manier 's menschen stem, om de stem des Heeren, zelfs in zijn sterrenhemel en in zijn donder, te verdooven.

Bedaagden zoeken dan niet zelden, als hun levenstaak is afgesponnen, het platteland weer op om hun schade in te halen; maar veelal hebben ze dan de vatbaarheid om de natuur te verstaan, verloren, en blijven van hun omgeving geïsoleerd.

Neem daartegenover nu de Schrift.

De mensch komt op in een heerlijk paradijs, waar heel de natuur hem een zuivere sprake v van zijn God brengt. En ook na den val blijft h er in de gebroken natuur zooveel heerlijkheid a over, dat Gods onzienlijke dingen uit de schep­ a selen verstaan worden, beide zijn eeuwige macht en goddelijkheid. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt zijner handen werk, dag bij dag stort overvloediglijk sprake uit, en nacht aan nacht toont wetenschap. Daar is geen volk of oord, waar deze stem Gods niet gehoord wordt. Heerlijk is zijn Naam over de gansche aarde. De stem des Heeren is op de wateren, de God der eere dondert. De stem des Heeren is met kracht, de stem des Heeren is met heerlijkheid. De stem des Heeren breekt de cederen, de cederen vanden Libanon. En zoo gaat het heel den Psalmbundel door. Lees en herlees maar Psalm 104. En dan aan 't slot van den bundel een aangrijpende natuurteekening in Psalm 147 en 148. En reeds vóór den Psalmbundel is Job met zijn prachtige schildering van den Behomoth, van 't paard, en van 't zevengesternte. Alles één machtige roepstem om in de grootheid en pracht der natuur de heerlijkheid Gods te aanschouwen.

En zijt ge in de Schrift tot de verschijning van den Zoon des menschen genaderd, ook dan immers dat: Aanmerkt de leliën des velds, hoe ze wassen! „Aanziet de vogelen des hemels"; dat licht op de mysteriën des Koninkrijks geworpen uit wat in den zaaier, en den herder gezien wordt, en aan het eind die roerende vergelijking van Jerusalem met de klokhen, die haar kiekens vergadert onder haar vleugelen.

Heel de openbaring, heel de Schrift is van natuurgloed doortinteld. Gods oude volk was een landelijk volk, en het heilige land, dat God voor zijn volk besteld had, was toen, nu niet meer, een landouwe van ongeëvenaarde schoonheid.

Ook de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel zal een terugkeer van het paradijs zijn. De woestijn zal bloeien als een roos. En kent onze tijd de verheerlijking van den schilder, om de prachtige tafereelen die bij ons met diepte van gloed en leven voor oogen toovert, — wat stompheid van het geestelijk oog is het dan, dat diezelfde tijd geen oog, geen zin heeft voor het duizendwerf hooger schoon in het handen ­ werk van onzen God, den Oppersten kunstenaar?

Juist daarom echter doet het bevreemdend aan, als ge in vrome kringen vaak zoo gedaalden, zoo niet geheel bevroren zin voor de heerlijk heid der natuur vindt.

Ongetwijfeld, de stemme van den Bode des Vredes gaat hoog boven alle stemmen der natuur uit. „In zijn tempel, zegt de psalmist, na Gods almogendheid in de natuur geschilderd te hebben, in zijn tempel geeft Hem een iegelijk eere". En in den Hallelujah-zang van Psalm 147 is het slot, dat ver boven de natuurvolken Israël staat, omdat de Heere aan Jacob zijn woorden bekend maakt. En dan heet 't: „Alzoo heeft Hij geen volk gedaan, en zijn rechten die kennen ze niet. In de vergaderingen der geloovigen, als het Woord rechc uitgaat, is een geestelijk veel hooger schoon, dan 't schoon der natuur ooit geven kan.

Maar zullen we daarom eenzijdig zijn, en de helft glippen laten?

Uit twee middelen, : egt onze Belijdenis, kennen we onzen God. Uit zijn Woord zeer^zeker, maar ook uit de schepselen, die als letterkens zijn in het boek der schepping, om ons Gods almogendheid en majesteit te doen verstaan. Stichtelijke gesprekken, stichtelijke samenkomsten, stichtelijke boeken, o, het is alles uitnemend, maar moogt ge daarom het groote boek der schepping voor uw zielsoog gesloten laten ?

Het is ons toch om indrukken te doen, om indrukken op de collodionplaat van ons hart. Om indrukken, die hoog boven de indrukken van ons dagelijksch leren, en boven de indrukken die we van den mensch ontvangen, uitgaan.

We willen, we mogen niet onder een indruk leven, alsof het Goddelijke ooit kon inkrimpen tot de maat van het menschelijke. We willen niet onzen God tot onze'afmetingen verlagen en verkleinen, maar onszelven tot de maat der majesteit van onzen God opheffen. Niet een God naar ons beeld, maar wij naar het beeld van onzen God geschapen. Én dit nu geven u uwe boeken niet, dit geven u niet uwe onderlinge gesprekken.

Dat blijft alles binnen het perk en binnen de maat van onze kleine verhoudingen. Zoo heel anders als een opgaan of ondergaan van Gods Zon. Zoo heel anders als het licht van den bliksem of de donder die in de wolken dreunt. Zoo heel anders als de sterrenpracht die zich boven u welft. Zoo heel anders als 't machtige woud, of de leeuw die brult om roof.

Wat we zoo noodig hebben, is het verhevene en daarin juist is de Goddelijke uiting van het overschoone en heerlijke.

g Het verhevene! Een majesteit die verheven is boven de kleine afmetingen van onze huishouding en van ons maaksel. Dat ge weet en verstaat, dat ge niet met het knutselen van een mensch, maar met de heerlijk hooge kunst van den Schepper van hemel en aarde in aanraking komt.

Natuurlijk, die schitterende natuur kan uden weg der zaligheid, kan u de geestelijke mysteriën niet ontdekken.

Daarvoor heeft God in zijn ontferming u zijn Evangelie geschonken.

Maar wat de schittering van Gods almacht en Goddelijkheid in de natuur doet, het is, dat ze al uw voorstellingen spant, uitzet, opheft tot hooger sfeer dan uw eigen zien u geven kan.

Dit, dat ze uit het kleinmenschelijke u tot het Goddelijk-groote opheft.

Tot het verhevene!

En u zoo den Verhevene naderbij brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

„Hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde.“

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's