Buitenland.
Duitschland. Een beslissing van den Opperkerkeraad.
De Oberkirchenrat der Pruissische Landskerk heeft uitspraak gedaan in de zaak van den Licenciaat Romer. Deze was, gelijk wij reeds mededeelden, als predikant van Remscheid beroepen. Daar hij in zijn proefpredikatie zich als een beslist moderne had doen kennen, werd tegen dit beroep bij het Consistorium van Rijnland bezwaar iogebracht. Dit bestuurslichaam besloot het beroep van Romer niet te approbeeren, daar het de ingebrachte bezWaren voor wettig hield. Nu beriepen zich de voorstanders van den Licenciaat Romer op den Oberkirchenrat, en dit hoogste bestuur stede het Rheinisch Consistorium in het gelijk. Het overwoog, dstt de Licenciaat Romer geheel over het'hoofd zag, dat de prediking bestemd is voor den opbouw der geheele gemeente, toen hij zich verleiden liet om van zijne Theologische rich ting en zijne wetenschappelijke overtuiging rekenschap te geven. In plaats daarvan had hij van den grond zijns geloofs aan Christus, als Zijn Heer en Heiland zoowel als van de gemeente, een het geloof opwekkend en versterkend getuigenis moeten geven.
Afgezien van de vraag of zijne uitlatingen wetenschappelijk juist mogen genoemd worden, waren deze in het eerste deel zijner prediking onbetamelijk en moesten in den boezem der gemeente tot tegenspraak prikkelen.
Ergerlijk was de prediking van den Licenciaat Romer, dat hij de geboorte des Heeren uit de Maagd Maria, die in de Heilige Schrift wordt gemeld en in de aloude Geloofsbelijdenis der Christenheid beleden wordt, niet alleen op één lijn stelde met Heidensche sagen van Herkules, Romulus, Alexander den groote en anderen, maar deze ook uitdrukkelijk afleidde uit het overdragen van naturalistische en mythologische voorstellingen op den persoon van Christus. Dit ging veel verder (Èin de in de Theologie ondernomen pogingen om het geloof aan het Zoonschap van God van den Christus in overeenstemming te brengen met de historische opvatting van zijn menschelijk leven; het beteekende voor de geme'ente eene verachtelijke behandeling van datgene, wat de kerk als uitdrukking van haar geloof belijdt. Dit werd nog verscherpt door het ongepaste wij zen op het kruis en den dwang die velen dienaren des Woords opgelegd wordt, wanneer zij de door het agenda voorgeschreven apostolische geloofsbelijdenis moeten voorlezen.
De Oberkirchenrat verwijt daarom Romer misbruik van den kansel, waaraan echter niets veranderd wordt doordat het tweede deel in een warmeren, meer stichtelijken 'toon gesteld is. Maar het staan blijven bij de erkenning der zuiver menschelijke trekken van Christus, en het voorbijzien van datgene, wat Christus voor de menschheid tot verlossing van de schuld en macht van de zonde geworden is, was niet geschikt, den in het eerste deel der prediking gegeven aanstoot weg te nemen.
Deze uitspraak noemt de Allgem. Ev. Luth. Kirchenzeitung „verblijdend": Wij hadden wel gewild dat zij beslister geweest was. Doch met het oog op de samenstelling van den Oberkirchenrat, was dit niet anders te verwachten.
Frankrijk. De uitvoerige bepalingen op de wet van kerk en staat.
Eindelijk zijn de uitvoeringsbepalingen van de wet van 5 Dec. 1905, waarbij kerk en staat gescheiden worden, verschenen. De staatsraad heeft daarvoor drie maanden noodig gehad. Over het algemeen genomen zijn zij nog al medege vallen; voor de radicalen zijn zij echter te zwak, terwijl de Roomschen ze wel voor te scherp zullen houden. Een oogenblik heeft men van Roomsche zijde gevreesd, dat het kleine ge meenten zou verboden worden zich met andere tot het houden van gemeenschappelijke Godsdienstoefeningen te verstaan, doch dit is niet geschied. Integendeel, de kerkeraad van een cultusvereeniging, d. w. z. eener gemeente, mag zijn vermogen met dat van het consistorium vereenigen, en omgekeerd mag een consistorium zijne bezitting aan een cultusvereeniging toevertrouwen. De cultusvereenigingen mogen zich vrij vormen, als zij slechts door 7, 15 of 25 personen, naar de grootte der bevolking, aan de regeering bekend gemaakt worden. Hun roerend en onroerend vermogen zal niet, gelijk voorgesteld werd, jaarlijks door de regeering geïnventariseerd worden, maar slechts door hen zelven. Het bestuur der kerkelijke geldmiddelen zal echter staan onder gestrenge controle van den staat. Dit is niet te verwondeten, daar het doel van de scheiding van kerk en staat niet alleen is, om de tractementen der bisschop pen en andere ambtsdragers in de staatskas te houden, maar om te verhinderen dat de Roomsche kerk kracht zou kunnen ontwikkelen. Wanneer toegelaten wordt dat genoemde kerk haar geldelijk vermogen vermeerdert, zoo vreezen de Fransche liberalisten van allerlei gading, dan zal zij steeds gevaarlijk voor den staat blijven.
Wat zal de paus nu doen ten opzichte van de Cultusvereenigingen? Zal hij toestemming geven tot het oprichten van zulke gemeenschappen, al zijn deze eene openbare miskenning van het karakter der kerk des Heeren ? Niemand weet het. Evenmin is bekend waartoe de Fransche bisschoppen zullen besluiten, die denkelijk niet vóór het Paaschfeest zullen saamkomen.
Tot het midden van Maart is het verzet tegen de inventarisatie van het kerkegoed op het platteland eer toe-dan afgenomen. De bevolking wordt vindingrijk ten opzichte van de middelen die aangewend moeten worden om de militaire macht te bestrijden, welke afgezonden wordt om het inventariseeren door staatsambtenaren mogelijk te maken, In één gemeente werden bijenkorven onder de Gendarmen geworpen, in een andera werd op hen geschoten. Het nieuwe ministerie zal om zich te handhaven het inventariseeren der kerken moeten doorzetten, al biedt de bevolking daarbij ook grooten weerstand.
Hoe jammer dat de Roomsche staatspartij, toen zij in Frankrijk den boventoon had, niet het voorbeeld gegeven heeft van het eerbiedigen van het groote beginsel van vrijheid van conscientie. De radicalen en socialisten doen hetzelfde wat eenmaal Lodewijk XIV aan de Fransche Gereformeerden deed, ja zij treden heel wat gematigder op dan de herroepers van het Edict van Nantes in deXVIIdeeeuw. Ook onder de regeering van Napoleon III genoten de Fransche Gereformeerden niet dezelfde voorrechten als de Roomschgezinden, Maar dit verontschuldigt het doen der tegenwoordige bovendrijvende partij niet, al heeft deze ook de banier der vrijheid opgeheven.
Italië. Het Protestantisme in Italië. Van eene „los van Rome" beweging, gelijk die in Oostenrijk gevonden wordt, kan in Italië geen sprake zijn. Maar wel kan gezegd dat de ontwikkelde mannen zich steeds meer van de Roomsche kerk afwenden, terwijl de vrouwen en de min ontwikkelde bevolking, voor zooveel die nog niet door de sociaal democratie is bedorven, nog steeds goed Roomsch is.
Het Protestantisme maakt er geen vorderingen, terwijl het ook een feit is dat menige poging om Italië te evangeliseeren of te reformeeren, mislukt moet genoemd worden.
Zoo is de „Italiaansche nationale kerk" van den gewezen Dominicaan Luigi Prota Giurleo, verdwenen.
De reform, beweging van graat Compello is op niets uitgeloopen.
De „Evangelisch-Italiaansche kerk" is verdwenen.
Desniettegenstaande zijn er nog Evangelische gemeenschappen genoeg, ja meer dan genoeg, hetwelk dit nadeel heeft, dat de Evangelische beweging weinig kracht kan openbaren. Waldenzen, Methodisten, Baptisten, Adventisten, het Leger des Heils en vele andere gemeenschappen betwisten elkander het terrein en trijden met onvoldoende middelen tegen de Roomsche kerk. Velen richten ook op eigen hand gemeenten op, zonder in verband tot eenige kerk te komen. Deze verbrokkeling van krachten kotnt vooral uit in de Protestantsche Evangelische pers, zoodat er in Italië, in plaats van een flink blad, twintig Protestantsche blaadjes verschijnen.
Ook werkt het schadelijk, dat de Methodisten, bij het ijveren voor hunne leer, zich veel met de oplossing van de sociale quaestie inlaten, zoodat zij door sommigen voor propagandisten der sociaal-democratie gehouden worden.
Toch kan men niet zeggen dat het Protestantisme in Italië terrein verliest, In de steden is het tot stilstand gekomen, doch op het platteland, vooral in de Abruzzen, Calabrië en Apulië, neemt het toe. Er zijn namelijk in die streken menschen, die naar N, - Amerika geëmigreerd waren, naar hun moederland wedergekeerd. Het ging die Italianen gelijk zoovele Ieren die naar N.-Amerika verhuisden: zij bleven de Roomsche kerk niet getrouw en gingen tot de een of andere Protestantsche gemeenschap over. Die wedergekeerden zijn op menige plaats het middelpunt geweest van de vorming eener Protestantsche gemeenschap, wanneer een predikant daar kwam evangeliseeren.
Het meest arbeiden in Italië de Waldenzen, Eigenlijk moest alle evangelisatie in dit land van de Waldenzen uitgaan, omdat deze van oude tijden af de kandelaar van Gods Woord aldaar hebben laten schijnen. De Waldenzen hebben zich in 1901 met de Methodisten en Baptisten verbonden tot het instandhouden van velerlei instellingen. Gemeenschappelijk onderhouden de kerken een diakouessehuis in Turijn, een tehuis voor Roomsche priesters die de Roomsche kerk willen verlaten, een Evangelisch tehuis voor studenten te Rome, Evangelische hospitalen in Florence, Genua en Milaan, een weeshuis te Florence, een asyl voor gevallen meisjes, zoowel als een gebouw der Christelijke Jongelings-vereenigingen te Rome.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 april 1906
De Heraut | 4 Pagina's