GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Gij proeft mijn hart dat ’t met U is.“

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Gij proeft mijn hart dat ’t met U is.“

9 minuten leestijd

Maar Gij, o Heere, kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat bet met U is. Jeremia 12: 3a.

Storingen in uw verborgen omgang met uw God kunnen meer dan éen oorzaak hebben.

De meest geheimzinnige voor uw vroom gevoel is wel, als het aangezichte Gods zich terugtrekt, om u, door het gemis, tot sterker dorsten naar God te prikkelen. De meest voorkomende is, als de aardsche zaken u zóo innemen en bezighouden, dat uw ziel er als in verstrikt zit. En de meest uw ziel ergerende is, als er een begane zonde in den weg kwam, en die zonde niet alleen de gemeenschap met uw God brak, maar ook u een hinder bleef, om in de nabijheid van den Heilige terug te keeren.

Alleen van een begane zonde is hier sprake. Van een woord, van een daad, waarvan ge, toen ge er voorstondt, voeldet, dat 't u zonde zyn zou, en waarvoor ge toch niet uit den weg gingt.

Een zondige neiging, een zondige stemming, vooral een zondige begeerte "kan ook zeer zeker storend op uw gemeenschap met uw God inwerken, maar daarbij is de werking toch eén andere. Immers aan deze zijde van het graf zal dat zondig inmengsel u steeds bijblijven, en toch belet dit, op zichzelf, en mits ge het niet koestert, uw verborgen omgang met uw God niet. Uw verborgen on gang met uw God is steeds in Christus, en dit spreekt juist uit, dat ge niet als een heilige, maar in u zelf als een zondaar tot uw God komt.

Maar met een zonde die ge begaan hebt, Btaat het heel anders. Dan was er inwilliging, toegeven, er toe overgaan; en dan verschiet op eens het licht van Gods vriendelijk aanschijn, dan wordt het voor u donker naar den kant van uw God toe, en komt er eer een neiging in u op om uw God te ontvluchten, dan om nabij uw God te zijn.

Duidelijk ontwaren we die kentering in onze zielsstemming terstond en op 't allerpijnlijkst, zoo het een zonde was die ons aangreep; een zonde die, eens begaan, ons zelf ontroerde, en waarvoor we wat liefs gaven als we de vlek ervan onmiddellijk weer van onze ziel konden afnemen. Als het, om eens laag menschelijke taal te spreken, een erge zonde was.

Want in niets komt ons /aa^ zedelijk standpunt zoo bitter droef uit, als in het zoo goed als geen weet hebben van onze kleine dagelijksche zonden. Verzuimde plichten; onliefheden; uitingen van egoïsme, van hoogmoed, van zinlijkheid; kleine onwaarbeden, kleine oneerlijkheden, en wat dies meer zij.

Dit is nog heel iets anders dan wat David noemt: „de verborgen afdwalingen". Dat zijn afdwalingen, die wel een vlek op ons kleed geven, maar nog te fijn, dan dat ons grof oog ze ontdekken zou.

Dit doelt op zonden waarvan we nog geen weet hebben, en waarvan we eerst bij meer gevorderde zielsontwikkeling de zonde zullen inzien.

Maar van onze „niet zoo erge" zonden hebben we die weet wel. Alleen maar, we raakten er aan gewoon. Ze ontrusten ons niet meer. Onze ziel reageert er niet meer op. En ook van die soort zonden geldt het nu zeer zeker, dat ze uw verborgen omgang met uw God belemmeren, maar ze storen niet. Ze breken niet af wat bestond, maar hebben alleen tengevolge dat uw verborgen omgang met. uw God een zeer gebrekkige, een omgang op een afstand blijft, en dat ge tot de rijker genieting van dien omgang niet doordringt.

Van storingen in die gemeenschap met uw God door uw zonde is dan eerst sprake, als ge gemeenlijk nabij uw God leeft. Hem kent in al uwe wegen, en in het heilgeheim zijt ingewijd, en dat er nu een zonde door u begaan wordt, die u ontroert en aangrijpt, en teweeg brengt, dat er een donkere wolk voor uw hemel trekt, en ge op uzelven woidt teruggeworpen, en voelt dat ge uit den lieflijken omgang met uw God uit zijt geraakt.

Van zulk een storing gewaagt David in Psalm 32, en hij komt er voor uit, dat die storing aanhield, omdat hij' zweeg.

„Toen ik zweeg was uwe hand dag en nacht zwaar op mij."

Maar eindelijk verbreekt hij dat zwijgen.

„Ik zeide, ik zal belijdenis doen voor den Heere".

Dit doet hij, en uu op eens is de storing weggenomen. Nu zoekt en vindt hij zijn God weer, en nu jubelt hij; „Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd. Gij omringt mij met vroolijke gezangen van bevrijding". Ja, nu ontmoet hij zijn God weder, en die God stoot hem niet af, en niet terug, maar zaliglijk hoort hij 't zich in de ziel fluisteren: „Ik zal u raad geven, mijn oog zal op u zijn."

En metterdaad ligt in deze Davidische zielservaring de eenig juiste diagnose, en het eenig doeltreffend medicijn.

Als we zo: > zwak, neen zoo slecht waren, om willens en wetens een zonde te begaan, dan is de eerste indruk, die 't op ons maakt, dat we voor onzen God willen schuilen, dat we bang zijn om weer voor zijn aangezicht te verschijnen, en dat we ons met de bittere heugenis van onze zonde in onszelven terugtrekken.

Niet uit vijandschap, maar uit vreeze. Niet uit onwil, maar uit beschaming. We weten dan wel dat we weer naar onzen God terugmoeten, maar we stellen het uit. We zouden willen bidden, maar we laten er liefst wat tijd over heen gaan.

We zwijgen.

En juist in dat doffe, dat zielbeklemmende zwijgen, raken we steeds verder van onzen God af.

Dat is de diagnose, d. w, z. de juiste ver klaring van de wonde, waaraan onze ziel op zulk een oogenblik bloedt.

En het eenig juiste medicijn is, dat ge onmiddellijk uw zwijgen afbreekt, dat ge er geen gras over laat groeien, dat ge op staanden voet de eenzaamheid zoekt, in die eenzaamheid op de knieën valt, en, zonder u-zelf te sparen, klaar en open uw begane zonde voor uw God belijdt, en Hem aanroept om vergiffenis, ja, Hem smeekt, dat Hij zijn Heiligen Geest niet van u wegneme.

Het is zoo, dat kost stsijd, daartoe moet ge uzelf op zoo'n oogenblik geweld aandoen; ge gevoelt dan de scherpte van Gods toorn, en ge moet, door dien toorn heen, naar de genade grijpen.

Maar de uitwerking ervan is altoos verrassend. Juist zooals David het uitsprak. Het breekt opeens den ban dien uw zonde over uw hart sloeg.

Er smelt iets in uw ziel, en in die smelting komt de bevrijding, komt de verlossing, komt de verzoening, en uw God nadert u in zijn trouwe, zooals Jezus het ons in den herder met het verloren schaap voorhield. Ja, het is of uw God u in zulk oogenblik nader dan ooit nabij komt, om u in zijn oneindige ontferming te doen gelooven.

Satan fluisterde u in: „Blijf van uw God af', maar uw Vader in de hemelen riep u toe ; „Neen, kom tot Mij, mijn kind."

In die toenadering van uw schuldbelijdend hart tot uw God, en van uw God tot uw ziel, is de storing die intrad, te niet gedaan.

En het is u weer goed, o, zoo onuitsprekelijk goed, weer nabij uw God te zijn.

En wat is nu van die genezende zielswerking het geheimnis?

Ligt het niet in wat Jeremia uitriep: „Heere, Gij kent mij. Gij ziet mij. Gij proeft mijn hart dat het met U is." ?

Wat bij Psalmist en Profeet de zielsuiting zoo ontroerend maakt, is, dat heel hun leven en heel hun existentie gevat is in het kader van een strijd voor of tegen God.

Een strijd tegen God van satan, een strijd tegen God van de onheilige machten der wereld, een strijd tegen Gods heiligheid in elke zonde. Nooit bij hen de zwakke, laffe taal van een zich ontwikkelend en inzinkeud zedelijk leven Neen, maar alles rechtstreeks n> et God, als aller dingen middenpunt, in levend verband gezet.

Een strijd van alle zonde en ongerechtigheid tegen God, en een strijd van God tegen alle zonde en alle ongerechtigheid.

Een strijd der eeuwen, van 't paradijs af, en voortgaande tot de voleinding der eeuwen, als God in Christus over den laatsten vijand triomfeeren zal.

En in dien strijd een ieder van ons gemengd en betrokken. Zoo we zonde begaan, aan de zijde van satan tegen God, en zoo we uit het gploof leven, aan de zijde van God, met God tegen satan.

Zoo is der profeten en der apostelen levensopvatting, en zoo moet ook de onze zijn, de diep aangrijpende levensopvatting van elk kind van God.

En wat is nu een zonde die we begaan? Wat anders, dan dat we in een boos oogenblik de macht der boosheid tegen onzen God steunen, en met satan tegen onzen God ingaan ?

En is dit zoo, wat is belijdenis van uw zonde doen dan anders, dan dat ge, dit inziende, ijlings, onmiddellijk, de slagorde van satan weer verlaat, om naar de slagorde van uw God terug te keeren, smeekcnde of ge weer verwaardigd mocht worden, om weer in zijn slagorde, cm weer met uw God te strijden ?

Én nu komt het beroep van uw hart op de alwetende kennisse van den Go 3 aller ontfermingen.

Hadt ge dat bedoeld, om uit de slagorde van uw God naar satan over te loopen? Neen, en driewerf neen.

Ge hadt er niet op gedacht; de gedachte aan zulk een boosheid was niet in u opge komen. Ge liet 'u verrassen. Ge gleedt uit zonder 't ontzettende van uw daad te verstaan.

En nu, nu ge 't indenkt, dat het dit toch was wat ge deedt, nu doet ge op uw God zelf een beroep.

Neen, in het diepste van uw hart hebt ge uw God niet willen verlaten; en uw zieleleed, uw berouw, uw zelfverwijt is veeleer, dat ge nochtans aan een daad van vijandschap tegen uw God u hebt schuldig gemaakt.

En daarom pleit ge nu, 't Hem, den Kenner van uw hart, afvragend, of Hij die uw hart proeft, dat hart niet zóó ziet, en zóó kent, dat het in zijn diepsten grond toch «if/Hem en tegen satan is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

„Gij proeft mijn hart dat ’t met U is.“

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 april 1906

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken