Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Tabernakel en de Moderne Theologie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Tabernakel en de Moderne Theologie.

6 minuten leestijd

Wanneer onze moderne theologen op hun vergaderingen het woord voeren, geschiedt dat steeds met een keurigheid van vorm, die bewondering afdwingt. Ruwe spotternij met wat anderen heilig is, wordt als contrabande streng geweerd. De polemiek neemt een wetenschappelijk hoffelijken vorm aan. En niet zelden beluistert ge op deze saamkomsten een toon van diepe smart over den religieusen en zedelij ken achteruitgang van ons volksleven, die toont, dat de nobeler geest van de oude moderne garde bij het jonger geslacht nog niet geheel uitgestorven is.

Maar zoodra is het deftige kleed der vergadering niet afgelegd, of in de pers komt weer de onvervalschte Pfafïenfresser voor den dag, en met de aanstellerij van den quasi-geleerde, die meent alle wetenschap in pacht te hebben, wordt over andersdenkenden het oordeel geveld.

Een kostelijke gelegenheid bood daartoe weer aan de tentoonstelling van Ds. Schouten's Tabernakel. Onze Nederlandsche theologen hebben te allen tijde voor Gods heiligdom onder Israël een bijzondere voorliefde getoond. In hun symbolische en typologische werken weidden ze breed over de beteekenis van dit heiligdom uit. Verschillende hoogleeraren besteedden schatten om een conterfeitsel van den Tabernakel te maken. Ze zagen in dien Tabernakel niet alleen een kostbare antiquiteit van Israel's religie, maar bovenal een heerlijk symbool van de genade en waarheid, die in Christus Jezus ons geschonken is.

Die vrome vereering onzer vaderen erfde op Ds. Schouten over. Zijn hart kleefde aan den Tabernakel. Geld noch tijd ontzag hij om het heiligdom van Israël af te beelden en al wat tot verklaring van Israel's eeredienst strekken kon bijeen te brengen. En al mag het aldus bijeengebrachte museum niet aan streng wetenschappelijke eischen voldoen, zijn kabinet bevatte toch een kostbare en kostelijke verzameling, die in niet geringe mate er toe bijdroeg om een duidelijke voorstelling van Israel's oudheden te geven. Zulk een verzameling is zelfs in het buitenland nergens te vinden en menig vreemdeling toog naar Utrecht om Ds. Schouten's Tabernakel te zien.

Nu door het sterven van Ds. Schouten deze collectie verkocht moet worden en het gevaar dreigt, dat deze „nationale merkwaardigheid" aan een rijken Amerikaan of Engelschman te beurt zal vallen, gevoelt toch zelfs onze liberale pers hoe jammer het zou wezen, wanneer dit gedenkstuk van Ds. Schouten's piëteit voor ons land verloren ging en dringt er daarom op aan, dat hetzij door onze geldmagnaten, hetzij door onze regeering met de familie onderhandeld zal worden om dit kleinood voor ons land te behouden.

Dat nu wekt den toorn op van de Hervorming, die zich haast om de liberale pers duidelijk te maken, dat de Tabernakel van Israël nooit bestaan heeft en daarbij haar goedkoope moderne geleerdheid in de volgende min fraaie taal lucht:

Welk een zonderlingen indruk ontvangt men, wanneer men het zich vertegenwoordigt, dat de tabernakel in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Wel is er (volgens een ouder bericht in Exodus) in de woestijn een eenvoudige Tent der samenkomst geweest, maar het ontwerp van den Tabernakel, zooals dit in Exodus 25 en vv. voorkomt, is de pure verdichting van een schrijver uit de zesde eeuw v. C, die daarin het model teekent, waarnaar hij den nieuwen tempel wenschte ontworpen te zien. Dat ontwerp is nooit verwezenlijkt, en nooit is er een Tabernakel geweest, die daaraan beantwoordde. Dat dit vanzelf spreekt, voelt men reeds, wanneer men de vraag stelt, vanwaar een Nomadenvolk, rondtrekkende in de „woestijn", al het materiaal zou halen, dat vorr den opbouw van zulk een Tabernakel zou noodig zijn, afgezien nog van de kunstvaardige handen, die het zouden moeten bewerken. Bedenkt men dit alles, dan ontvangt men een dergelijken indruk, als wanneer men in den dom te Keulen voor de overblijfselen der „Drie Koningen" wordt gebracht, die nooit hebben bestaan.

Het is ook onmogelijk van wat hier wordt te kijk gesteld den indruk te ontvangen van iets groots en verhevens. Hoe kinderachtig ziet alles er uit. Maar ook; wat te zeggen van de geslachte beesten, opgehangen als in een slagerswinkel; van die malle tafeltjes, waarop wat tafelgereedschap en een stuk vleesch, dat op een karbonade gelijkt! En terwijl al dit kleine en leelijke in het volle daglicht door af en aanschuifelende menschen bekeken wordt, voelt men hoever, eeuwen-ver, men met zijn gods dienstig voelen en denken staat, van wat hier vertoond wordt. Ontdaan van alles, wat er een nimbus van heiligheid aan kon geven, maakt het veel eerder een weerzin wekkenden indruk. Voeding voor den godsdienstigen zin geeft het niet; zelfs niet aan de godsdienstige verbeelding; wetenschappelijke beteekenis heeft de vertooning evenmin. Hoogstens levert zij hier en daar een illustratie van enkele bijzonderheden, die in Oud en Nieuw Testament voorkomen en tot de Joodsche „oudheden" kunnen gerekend worden.

Dat de moderne theologie nog altijd aankomt met het bakerpraatje, dat Israel inde woestijn een „nomadenvolk" is geweest, dat noch het materiaal noch de kunstvaardigheid bezat om zulk een kostbaar heiligdom te bouwen, is na al de ontdekkingen uit den laatsten tijd wel een bewijs, hoe weinig deze „moderne" heeren op de hoogte zijn van hun tijd. Ze zitten nog altoos vastgeroest in hun moderne dogma's van een halve eeuw geleden. Al het licht, dat sinds dien tijd uit het Oosten is opgegaan, heeft voor hen niet geschenen. Al weten ze wel, hoe hoog lang voor Mozes tijd de cultuur stond in Babel, Kanaan en Egypte, Israel is nu eenmaal gedoemd door de moderne theologie om het arme onnoozele volk te blijven, dat niet eens schrijven kon en zelfs geen heiligdom kon bouwen.

Dat de Hervorming bij het zien van dezen Tabernakel en al wat daarbij uit het Heilige land is saamgebracht, niet anders dan een „weerzinwekkenden indruk" krijgt, bewijst alleen hoe weinig haar waardeeringsvermogen ontwikkeld is voor wat een goed deel van ons volk nog als heilig vereert.

Een feit, dat te sterker spreekt, als men ziet met hoeveel sympathie deze zelfde moderne theologie vervuld is voor al wat op de afgoderijen der heidensche volkeren betrekking heeft. Vraag het maar aan de arme studenten, wier hoofd met de onzinnigste namen dezer afgoden wordt volgepropt, alsof ze daaraan iets hadden voor hun toekomstig ambt, terwijl ze van Israel's historie vaak nog minder weten dan een ontwikkeld catechisant. Ja, als Ds. Schouten met evenveel ijver een kabinet van zeldzaamheden had bijeengebracht met betrekking tot het Mohammedanisme of de religie van Buddha, de Hervorming zou ach en wee geroepen hebben, wanneer die collectie voor ons land dreigde verloren te gaan.

Maar nu het Israel's heiligdom en religie geldt, weet ze nauwelijks woorden genoeg te vinden om haar afkeer, haar weerzin uit te drukken. En wel geldt die afkeer in de eerste plaats het minder aesthetische in Ds. Schouten's nalatenschap, maar door die woorden heen vlamt toch tegelijk de haat u tegen tegen dat rotsvaste Bijbelgeloof van ons volk, dat zelfs voor de machtsuitspraken der moderne theologie niet wijken wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1906

De Heraut | 4 Pagina's

De Tabernakel en de Moderne Theologie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1906

De Heraut | 4 Pagina's