Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Rijkssubsidie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rijkssubsidie.

9 minuten leestijd

Tot dusverre hebben de Gereformeerde Kerken met heilige jaloerschheid over het beginsel gewaakt, dat voor den arbeid der Kerk geen de minste subsidie van den Staat mag worden aangenomen.

Nauwelijks en met schroom is voor onzen zendingsarbeid in Indiö een uitzondering gemaakt. Maar al oordeelden onze Kerken dat voor den medischen dienst en de scholen in Indië eenige subsidie van den Staat mocht worden aanvaard, omdat de Overheid bij dezen arbeid in haar koloniën rechtstreeksch belang heeft, voor ons eigen land werd stipt aan den regel vastgehouden, dat de Kerken op geenerlei wijze of manier financieel van de Overheid afhankelijk wilden worden.

De bittere ellende, die juist de „zilveren koorde" over de Hervormde Kerk bracht, strekte ons ten afschrikwekkend voorbeeld. We willen ons protest tegen een volkskerk, die grootendeels door staatsbijdragen in stand wordt gehouden, niet verzwakken door zelf mee te eten van de staatsruif. Bovendien, staatssubsidie leidt zoo licht tot staatstoezicht en staatstoezicht tot staatsalbemoeiïng en we willen voor geen schotel linzenmoes onze duurgekochte vrijheid prijsgeven. Het is onze eer, dat we als vrije Kerken leven alleen van wat vrijwillige liefde offert op Gods altaar, en we zijn te trotsch om bij de Overheid te bedelen om een aalmoes.

We konden het daarom volkomen billijken, dat toen in 1902 het gerucht de ronde deed, dat de Overheid aan de Vrije Universi teit niet alleen den eüfectus civilis, maar ook een subsidie schenken zou, de Kerken bezwaar maakten haar theologische school met de theologische faculteit der Vrije Universiteit saam te smelten, wanneer niet vaststond, dat de Theologische faculteit financieel geheel onafhankelijk van den Staat blijven zou. Het waren vooral de Kamper hoog leeraren, die dit bezwaar in 't midden brachten, en de Heraut heeft zich toen gehaast te verklaren, dat de Vrije Universiteit het hiermede geheel eens was en er niet aan dacht voor haar Theologische faculteit eenige subsidie van den Staat te e aanvaarden.

Eenigermate bevreemdend is daarom het bericht, dat de hoogleeraren der Theologische school — met uitzondering van Prof. Linde^ boom — aan Curatoren hebben voorgesteld voor het kerkelijk gymnasium te Kampen rijkssubsidie aan te vragen, en dat Curatoren op dit voorstel zijn ingegaan.

Een dergelijk besluit is natuurlijk te belangrijk, dan dat het door onze pers met stilzwijgen zou mogen worden voorbijgegaan. Curatoren hebben hiermee een stap gedaan, die van ver-strekkende gevolgen kan zijn En nu dit besluit door het Curatorenverslag aan alle kerken is meegedeeld, hebben deze r zich wel rekenschap te geven van het belang dezer beslissing. Ligt in dit besluit een afwijking van het dusver gehandhaafde beginsel van de onafhankelijkheid der Kerk van den Staat, dan mag een woord van broederlijke critiek niet achterwege blijven.

Met alle waardeering voor den belangeloozen arbeid der curatoren en hun ver boven onzen lof verheven ijver voor de School onzer Kerken, meenen we toch niet te mogen verbergen, dat dit besluit van Curatoren ons toeschijnt formeel en mate rieel niet in den haak te zijn. Formeel niet, omdat aan Curatoren de bevoegdheid ont breekt om dit besluit te nemen. Materieel niet, omdat dit besluit metterdaad een afbuiging is van de dusver gevolgde gedragslijn onzer Kerken.

Het eerste bezwaar geldt bij ons niet het minst.

Curatoren zijn niets anders dan «/^^/wto/'tfw, door de Generale Synode benoemd voor de uitvoering van bepaalde besluiten der Synode, en hun macht en bevoegdheid strekt dus niet verder dan de instructie, die de Synode hun gaf. Al kan om practische redenen niet vermeden worden, dat tusschen de Generale Synodes deputaten worden aangesteld voor bepaalde doeleinden. Zending, Theologische ­School, verband met de Overheid, — toch hebben onze vaderen steeds levendig gevoeld, dat in deze deputaatschappen een gevaar school voor hiërarchische overheersching der kerken en daarom de bevoegdheid dier deputaten streng beperkt moest worden tot den last door de Synode hun gegeven.

Nu is op de jongste Synode te Utrecht wel over het Kamper gymnasium gehandeld en zijn Curatoren gemachtigd onder bepaalde voorwaarden het gymnasium aan een vereeniging over te doen; maar de Synode schonk hun geen last of macht om voor dit gymnasium Rijkssubsidie aan te vragen. Toch was de Wet op het Hooger Onderwijs, waarin deze subsidie geregeld werd, reeds vóór de Utrechtsche Synode tot stand gekomen en hadden de Kerken, indien zij voor haar gymnasium van deze subsidie gebruik wilden maken, gelegenheid te over gehad, om daarover een beslissing te nemen.

Nu dit niet geschied is en Curatoren zelfs verzuimd hebben de meening der Synode over dit punt te vragen, kan kwalijk ontkend worden, dat Curatoren geen de minste macht of bevoegdheid hebben om, nog wel uit naam der Gereformeerde Kerken, officieel bij de Hooge Overheid om subsidie te gaan aankloppen. Curatoren kunnen nooit handelend optreden dan op last der Kerken. Waar die last ontbreekt, hebben ze geen macht of autoriteit. Curatoren zijn dus, natuurlijk ter goeder trouw, hier geheel buiten hun boekje gegaan, en de Kerken zullen wel doen met hierop streng toezicht te houden. Sluipt de gewoonte eenmaal in, dat deputaten zonder last van de Kerken zelfstandig besluiten gaan nemen en handelend optreden, dan loopen we gevaar dat de beginselen van ons Gereformeerd Kerkrecht worden aangetast en we weer bestuurscolleges in de Kerken krijgen die boven de Kerken gaan staan. Hier geldt: principiis obsta, en al was het besluit zelf ook volkomen juist, dan zou de Synode toch om des beginsels wille zulk een handelwijze van Curatoren niet kunnen goedkeuren.

Dit formeele bezwaar klemt echter te meer, nu we ook tegen den inhoud van dit besluit geen geringe bezwaren hebben.

Indien onze Kerken getoond hadden van rijkssubsidie niet afkeerig te zijn, dan konden Curatoren wellicht geacht worden wel niet uitdrukkelijk, maar dan toch stilzwijgend gemandeerd te zijn om in dit speciale geval te handelen zooals de „gewoonte der kerken" meebracht. Maar nu dit niet zoo is, nu de Kerken juist omgekeerd telkens verklaard hebben geen subsidie van den Staat te willen, stond het niet aan Curatoren, maar aan de Kerken alleen om te beslissen of ze voor dit geval een exceptie wilden maken. Thans plaatsen Curatoren de Kerken eenvoudig voor een fait accompli. De subsidie wordt uit naam der Kerken aangevraagd zonder dat de Kerken hierover gehoord zijn. En al kan een volgende Synode natuurlijk het besluit der Curatoren wraken en de aanvrage om subsidie terugnemen, intusschen is de aanvrage reeds geschied en de subsidie reeds ontvangen.

Ook de vraag of het wenschelijk is, voor het kerkelijk gymnasium rijkssubsidie aan te vragen, meenen we in ontkennenden zin te moeten beantwoorden.

Volgens het ofiScieele verslag van de Curatoren was het hoofdargument voor de aanvrage der subsidie, dat de fïnantieele toestand der School verre van gunstig was en „de rijkssubsidie aan de kas dus wel te stade zou komen". Een opportunistisch argument, dat den toets der beginselen kwalijk kan doorstaan en tot zonderlinge consequenties zou voeren.

Het is bekend genoeg, dat de kas onzer meeste kerken niet al fe wel gevuld is en onze dienaren des Woords van een minimum tractement moeten leven. Is het argument voldoende „dat rijkssubsidie de kas wel te stade komt", dan zullen onze plaatselijke kerken straks met evenveel recht bij de Overheid om hulpe mogen aankloppen. Of zou de Kerk meer te zorgen hebben voor het tractement van de leeraren van een kerkelijk gymnasium, dan voor haar wettige Dienaren des Woords? Mag de generale kas der Kerk bij noodstand wèl doen, wat aan de plaatselijke Kerk bij nog veel schreiender behoefte niet is geoorloofd ? De ongerijmdheid hiervan springt in 't!oog.

Wellicht zal men de opmerking maken, dat beide gevallen niet gelijk staan. Dat de Dienst des Woords behoort tot de Goddelijke roeping der Kerk en dat het kerkelijk gymnasium slechts een hulpmiddel is voor de theologische school, buiten den eigenlijken dienst der Kerk staat en niet tot de roeping der Kerk behoort. Dat de Kerk daarom wel uit eigen middelen te zorgen heeft voor het onderhoud van haar predikanten, maar dat ze voor het gymnasium desnoods de subsidie van het Rijk aannemen mag ?

De juistheid dezer onderscheiding wordt voetstoots toegegeven. Het is volkomen waar, dat de gymnasiale opleiding geheel buiten het terrein der Kerk ligt; dat er noch in Gods Woord noch in de Belijdenis ook maar eenige aanwijzing te vinden is, dat de Kerk een eigen gymnasium in stand te houden heeft. Maar al stemmen we dit alles grif toe, daaruit volgt nog niet, dat de Kerken, waar ze zulk een niet-kerkelijken arbeid verrichten, waartoe ze van Godswege niet geroepen zijn, daarvoor wèl subsidie bij den Staat mogen aanvragen.

Integendeel. Indien eenerzijds als beginsel hoort te gelden, dat de Kerk in geen enkel opzicht financieel van den Staat afhankelijk mag zijn, en anderzijds de ervaring leert, dat de Kerk niet in staat is uit eigen middelen een gymnasium in stand te houden, dan volgt hieruit logisch alleen, dat dit gymnasium hoe eer hoe beter behoort opgeheven te worden.

Behoefte aan zulk een kerkelijk gymnasium is er niet.

Nu we in ons land reeds tal van christelijke gymnasia hebben, te Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Zetten, en plannen worden beraamd om te 's-Gravenhage en Groningen eveneenseenchristelijkgymnasium op te richten, is er geen de minste reden om van wege de Kerken het gymnasium te Kampen in stand te houden. Het eigen gymnasium kost aan de Kerken jaarlijks niet alleen schatten, maar drijft ons bovendien nu nog den weg der rijkssubsidie op, en die weg is niet zonder gevaar.

Het is toch een bekend feit, dat alleen de eerste stap moeite kost. Wie nooit gebedeld heeft, komt er haast niet toe. Wie eenmaal leerde de hand uit te steken, leert het bedelen niet meer af. Thans drijft de nood van de kas der Theologische school om subsidie aan te vragen'; straks wordt subsidie aangevraagd voor nieuwen kerkbouw, voor tractementen van predikanten, voor ondersteuning van armen. Als de sluis eenmaal open is, keert ge den stroom nifit meer.

We gelooven dat Curatoren daarom wijs zullen doen met op het genomen besluit terug te komen en de beslissing der volgende Synode af te wachten.

Kerkrechtelijk is dat de eenig juist^ weg. En onze Kerken moeten dan zelf weten, i f ze ter wille van een gymnasium, dat voor de Kerken een overtollige weelde is breken willen met een beginsel, dat dusverre nzen Kerken in aller oog tot een eere en en sieraad was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Rijkssubsidie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1906

De Heraut | 4 Pagina's