De keerzijde der medaille.
Van den hooggestemden jubel over de reorganisatieplannen der Haagsche Synode zal, nadat nuchterheid de opgewondenheid verving, niet veel overblijven.
Van een werkelijke reorganisatie is tot dusverre geen sprake.
De provinciale en classicale besturen, waarin juist het hiërarchisch karakter der Hervormde Kerk het meest uitkomt, zullen ongestoord blijven bestaan.
De Synodale Commissie, die bij afwezigheid der Synode de Kerk bestuurt, verliest niets van haar gezag.
Alleen de Synode zal voortaan meer rechtstreeks door de Classicale vergaderingen gekozen worden en dus een getrouwer afspiegeling wezen van al de stroomingen en richtingen, die in de Kerk woelen en gisten.
En om geld te besparen, zal deze Synode voortaan om de twee jaar inplaats van alle jaren saamkomen. De subsidie, die de Regeering voor de saamkomsten der Synode geeft, zou anders te spoedig zijn verbruikt, De rijkste kerk van ons vaderland is te arm om zelf elk jaar een Synode te bekostigen.
Een dergelijk reorganisatieplan is dan ook weinig anders dan een noodsprong. Naar verluidt, voelden de Synodale heeren zich ditmaal weinig op hun gemak. Er was geen stuur, geen leidende gedachte. Uit den doolhof van kerkelijke moeilijkheden wist men geen uitgang te vinden. Men geloofde zelf niet dat men de Kerk „vertegenwoordigde". Zelfs moet er over gedacht zijn om de Synode maar op te breken en moedeloos naar huis te gaan. Het reorganisatievoorstel was een salto mortale om toch iets te doen. En de profeten, die geen brood eten, verwachten van de nieuwe saamstelling der Synode weinig anders, dan dat de partijstrijd nog heviger en de verwarring nog grooter zal worden.
Meer waarde dan dit reorganisatievoorstel had dan ook in ons oog hetgeen de Haagsche Synode besloot inzake den doop, de proponentsformule, het niet toelaten van vrouwen tot het predikambt en het strenger toezicht op het verblijf der predikanten in hun gemeente.
Maar al erkennen we dankbaar, dat de Haagsche Synode met name inzake den H. Doop en de proponentsformule strengere bepalingen maakte, toch blijkt zelfs bij deze besluiten, hoe het gemis van belijdenis en tucht de vlieg is, die zelfs de uitnemendste apothekerszalf bederft.
Het duidelijkst blijkt dit inzake den H. Doop.
Reeds op zich zelf is het natuurlijk voor een Christelijke kerk een schande, dat ze in haar reglementenbundel een bepaling moet opnemen, waarbij de doop verplichtend wordt gesteld. In vroeger tijden, toen dezelfde bepaling voorgesteld werd, is dan ook, niet het minst van orthodoxe zijde, daartegen protest aangeteekend. In een Christelijke kerk behoorde het vanzelf te spreken, zoo zeide men, dat niemand ten Avondmaal toegelaten werd dan die den doop ontvangen had. Niet één Christelijke kerk heeft dan ook een dergelijke bepaling in haar reglementen opgenomen. En het is wel een bewijs, hoe schrikkelijk het bederfis, dat in de Hervormde Kerk binnendrong, dat daar wettelijke bepalingen en voorschriften noodig zijn om den doop te handhaven.
Toegegeven echter, dat het verval der Kerk tot zulk een buitengewonen maatregel noopte, dan voelt toch ieder hoe deze bepaling, zooals ze daar staat, in plaats van het sacrament van den Doop hoog te houden, juist op een ontheiligen van het Sacrament uitloopen moet.
Er is hier toch sprake van den doop niet van kleine kinderen, maar van volwassenen. Volwassenen, die in de Kerk zijn opgevoed, wier ouders hun den doop niet lieten toedienen, en die nu op rijpe leeftijd gekomen, belijdenis des geloofs wenschen af te leggen, maar niet gedoopt willen worden. Ze willen ongedoopt lidmaten der Kerk zijn. Tegen dezulken nu treedt de Synod^e op; ze wil ze voortaan tot den doop noodzaken. Aanneming tot lidmaat mag niet meer plaats vinden, wanneer de doop er niet op volgt.
In een belijdende Kerk is deze bepaling zeker op haar plaats. Want zulk een belijdende Kerk eischt bij de aanneming als lidmaat instemming met de belijdenis der Kerk. Ze laat niemand toe, die niet vooraf beleden heeft te gelooven in den Drieeenigen God. En al kan de Kerk nietoordeelen over het hart, al kan ze alleen afgaan op de belijdenis der lippen, en al moet ze het oordeel over de oprechtheid dier belijdenis aan God overlaten, — een Kerk, die op grond van zulk een belijdenis, den Heiligen Doop toedient, ontheiligt het Sacrament niet.
Maar zoo is het in de Hervormde Kerk niet.
De zoogenaamde belijdenis des geloofs is niets dan een onderzoek naar de mate der verkregen kennis. Op grond van dwaling, ketterij of zelfs van beslist ongeloof mag de aannemeling niet worden afgewezen. Dat onderzoek geschiedt op tal van plaatsen door een modern predikant, die soms puur socialist, boeddist of atheïst is. Het zijn zijn leerlingen, die belijdenis komen doen, niet om te belijden wat hun hart gelooft, maar omdat aan de catechisatie toch een einde moet konden, omdat men anders niet van de bedeeling kan trekken, omdat het nu eenmaal gewoQnte is, dat men lid wordt van de Kerk voordat men trouwt, of wat andere redenen er ook zijn mogen.
Bij zulke „aannemelingen" wórdt van de beteekenis of waarde van den doop niets gevoeld. Het is in hun oog een zinledige plechtigheid, een dwaas vooroordeel. En 2e zijn in hun modern ongeloof te oprecht, om zich te onderwerpen aan wat voor hen niets dan een bloot waterbad is.
Tegenover dezulken nu maakt de Haagsche Synode de bepaling, dat ze voortaan niet meer als lidmaat aangenomen kunnen worden, of ze moeten verklaren den doop te zullen ontvangen.
Voelt men nu niet, hoe deze goedbedoelde bepaling tot niet anders leiden kan dan tot karakterlooze huichelarij en tot schrikkelijke ontheiliging van den doop ?
Want het gevolg zal natuurlijk zijn, niet dat deze moderne aannemelingen nu voortaan geen belijdenis des geloofs afleggen, maar dat ze met hun modern ongeloof toch den doop zullen ontvangen, al heeft die doop in hun oog alle beteekenis verloren, eenvoudig omdat ze anders geen lid der Kerk kunnen worden.
Als de hoveling van de koningin van Candacé den doop begeert te ontvangen, an zegt de evangelist Philippus: Indien ij van ganscher harte gelooft, dat Jezus Christus de Zoon van God is, dan is het eoorloofd. Dan, maar ook dan alleen.
Maar de Hervormde Synode zegt: wat e gelooft doet er niet toe. Ge kunt den hristus verwerpen, ge kunt zelfs betwijelen of hij ooit heeft bestaan. Maar gedoopt worden moet ge, anders kunt ge geen lidmaat mijner kerk zijn.
Zoo blijkt ook hier, hoe, het prqsgeven an de belijdenis der Kerk de kanker is, ie het leven der Kerk verwoest.
Indien de Synode eerst besloten had, dat ij de aanneming met de belijdenis des geoofs weer ernst moest gemaakt worden; at niemand mocht worden „aangenomen" an die den Christus Gods naar de Schriften eleed; dan zou de verplichting tot den oop rechtmatig zijn geweest.
Maar nu ze wel den doop verplichtend telde, maar niet vooraf onderzoek doet aar het geloof, heeft ze de leugen in de erk bestendigd, het heilige onheilig geaakt en gezondigd tegen het gebod des eeren.
En precies zoo is het met de proponentsormule.
Het jammerlijk gescharrel met deze roponentsformule en de veelvuldige wijziingen, die ze in den loop der tijden eeds ondergaan heeft, bewijzen dit. Want atuurlijk, zulk een formule is niets dan en phrase en zegt minder dan niets, zooang de Kerk bij het onderzoek der a. s. ienaren des Woords geen onderzoek doet aar hun geloofsovertuiging en straks, waneer ze de afgelegde belofte verbreken, hen iet uit hun ambt ontzet.
Zoo alleen heeft zulk een formule kracht, eet de gemeente dat ze tegen „wolven" n „schaapsvacht" gevrijwaard wordt, ligt aarin een slagboom voor degenen, die het mbt misbruiken om tegen de waarheid an Gods Woord in te gaan.
Maar wanneer diezelfde Synode beslist erbiedt om bij het examen onderzoek te oen naar de geloofsovertuiging der canidaten; wanneer ze de honderden predi-, anten, die het Evangelie van Jezus Christus aar luid der Schriften van het Oude en ieuwe Verbond verwerpen, toch ongetraft in hun ambt laat en zelfs geen poging anwendt om boeddistische leeraars als r. Bahler uit dat ambt te ontzetten; dan een ietwat verscherpte proponentsforule een nietszeggende fraaiigheid. Aan eders subjectief oordeel wordt overgelaten f hij deze formule onderteekenen kan en il. En de ervaring van bijna een eeuw eeft geleerd, dat geen moderne candidaat r een been in ziet die formule te ondereekenen, zelfs al werden er bij het „Evanelie van Jezus Christus" en „de Schriften es Ouden en Nieuwen Verbonds" nog even ooveel fraaie klinkende termen gevoegd.
Zelfs mag de vraag gesteld of de Synode ok hier, zij het dan onopzettelijk en tegen aar bedoeling in, de leugen niet in de and heeft gewerkt. Aan het feit, dat de oderne candidaten even goed als vroeger redikant zullen worden, verandert dit beluit der Synode niets. Alleen zullen ze ij de vroegere leugen nog een nieuwe heben te voegen. En nu zegge men niet, dat it niet de schuld is der Synode, maar van en, die toch zulk een belofte afleggen. ooreerst is het onzedelijk van iemand een elofte te vergen, wanneer ik vooruit weten an, dat hij toch die belofte niet vervullen an of wil. En ten tweede werkt de Synode elf die leugen in de hand door vóór de flegging dier belofte geen onderzoek te oen naar de geloofsovertuiging van den andidaat, en schending dier belofte, ook aar ze op de meest duidelijke wijze aan et licht treedt, ongestraft te laten voorturen.
Van deze besluiten der Haagsche Synode achten we dan ook in de practijk geen et minste heil. Het gevolg zal alleen zijn, at wat meer moderne lidmaten den doop ullen ontvangen en dat de moderne canidaten naar een nieuwe spitsvondigheid ullen moeten zoeken om de proponentsormule met een reservatio mentalis te unnen onderteekenen.
Zoo bewijst ook deze Synode dat Dr. oedemaker recht had met te zeggen: De eere beware ons voor een orthodoxe ynode.
Wat voor ons alleen hope biedt, is, dat n de gemeente zelf meer honger komt aar de zuivere prediking des Woords; dat e Calvinistische beginselen onder het volk eer doorwerken, en dat op Gods tijd dit eiden moet tot een breken met alle lapiddeltjes en onheilig knutselwerk, om tot e belijdenis onzer vaderen terug te keeren n de reformatie der kerk naar Gods Woord oort te zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1906
De Heraut | 4 Pagina's