Onze Martelaren.
Tusschen de Nieuwe Courant en het Centrum heeft het in de laatste dagen op voet van oorlog gestaan. De Nieuwe Courant was met de oude beschuldigingen van vervolgingszucht, de Spaansche Inquisitie, bloeddorst enz., de Roomsche Kerk te lijf gegaan. En het Centrum, als getrouw paladijn opkomend voor de eere der Moederkerk, trachtte in een reeks artikelen de Roomsche Kerk van al deze vlekken vrij te spreken. Voor degenen, die dit persduel uit de verte aanzagen, was er althans deze moraal uit te trekken, dat men niet zonder zeer deugdelijke wapenen Rome moet aanvallen. Tegenover het machtige arsenaal, waarover de Roomsche polemiek beschikt, komt ge met kanonnen van verouderd kaliber niet ver.
Ongeroepen en ongenood ons in dit twistgeding te steken, is dan ook ons voornemen niet. Voorzoover de Nieuwe Courant in haar antipapistischen ijver te ver ging, had ze een afstraffing wel verdiend.
Slechts op één punt mogen we, omdat dit de historie onzer eigen Kerk raakt, de critiek van het Centrum niet zonder tegenspraak laten voorbijgaan. De Nieuwe Courant had beweerd, afgaande op Lecky, dat in ons land meer dan 50000 martelaren om hun geloof waren ter dood gebracht. Het Centrum kwam hier ijlings tegen op en beweerde, dat slechts enkele honderden waren gemarteld en dan nog meest, omdat ze ook op politiek gebied zich vergrepen hadden. Het beriep zich daarbij niet alleen op Roomsche historieschrijvers, maar ook als onwraakbaar getuige op Prof. Blok, die metterdaad in zijn Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, Dl. II, blz. 174 zegt, dat het getal der martelaren zeker de duizend niet te boven is gegaan. Het getuigenis van dezen protestantschen historicus deed volgens het Centrum de deur toe, en de Nieuwe Courant boog dan ook voor het gezag van dezen Leidschen hoogleeraar.
Nu zal de vraag, hoe groot het getal der martelaren in ons land geweest is, wel nooit met zekerheid zijn uit te maken. Officieele statistieken werden er destijds niet gehouden. De globale cijfers, door sommige tijdgenooten opgegeven, hebben weinig waarde. En gelijk nu wel vanzelf spreekt, dat de protestanten van vroeger tijd het cijfer eer te hoog dan te laag opgaven, zoo ligt het ook in den aard der zaak, dat de roomsche historieschrijvers van onzen tijd het getal liefst zooveel mogelijk verkleinen. Hetzelfde ziet men ook op het gebied der Algemeene Kerkhistorie. Terwijl de oude geschiedschrijvers de vervol-gingen onder de Romeinsche Keizers als verschrikkelijk schilderen en van het groot aantal martelaren gewagen, neigt de tegenwoordige ongeloovige historiographie er toe, om deze vervolgingen uit gansch andere oorzaken dan religiehaat te verklaren en het aantal martelaren als betrekkelijk zeer klein voor te stellen. Hoe tendentieus deze critiek èn van het rationalisme tegenover de eerste Christelijke Kerk èn van de Roomsche geschiedschrijvers tegenover onze martelaren ook is, ze levert toch deze winste op, dat de traditie nauwkeuriger onderzocht wordt, de overdrijving wordt afgesneden en de historische oor waarheid beter wordt gekend.
In zooverre het Centrum opkwam tegen de overdreven voorstellingen van Lecky, Motley en anderen, waarop de Nieuwe Courant afging, heeft hét Roomsche persorgaan volkomen gelijk. Onze kundigste historiekenners, een Bakhuizen van den Brink, een Fruyn e. a., zijn het volkomen eens, dat de getallen door Prins Willem in zijn Apologie, van Reijd in zijn Oorspronck ende Voortganck der Nederlandsche oorloghen en Hugo de Groot in zijn Annales et Historiae de rebus Belgicis genoemd en die tusschen de 50 en 100.000 varieeren, veel te hoog zijn. Maar wanneer het Centrum nog verder gaat en zelfs op Prof Blok zich beroept om te constateeren, dat alles te zaam nog geen duizend martelaren op onze erve ter dood zijn gebracht, dan zondigt dit Roomsch orgaan weer evenzeer per defectum, als de vroegere historieschrijvers per excessum, en toont het van de jongste onderzoekingen op dit gebied geen nota te hebben genomen.
Het beroep op Prof. Blok baat hier niet, want deze Leidsche hoogleeraar heeft van deze quaestie geen bepaalde studie gemaakt en schreef eenvoudig over, gelijk uit de verwijzing in de noot blijkt, wat de heer W. Wilde geleerd had in de Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied. Nu dagteekent deze studie van en heer Wilde uit het jaar 1877. Wat na ien tijd als vrucht van het nauwkeurigst
onderzoek in de Bibliographie des Martyrologes Protestants Neerlandais 1890 endoor Prof. Rutgers in zijn rectorale rede : Calvijn's invloed op de Reformatie in de Nederlanden, blz. 147—^52» °^^'' ^'* P*^*** geschreven is, heeft wel genoegzaam aangetoond, dat de resultaten, waartoe de heer W. Wilde kwam, onjuist zijn. Bovendien, de heer W. Wilde, die de eenige autoriteit voor Prof. Blok is geweest, behoort tot de bekende school van Roomsche historiographen, die, op het voetspoor van Dr. Nuyens, van de noodige objectiviteit en onpartijdigheid weinig blijk hebben gegeven, zoodra het om de verhouding van Roomsch en Protestant in ons vaderland ging. Zou men dezen heeren geloof schenken, dan zou ons land bijna geen martelaren hebben gehad; de meeste zoogenaanide martelaren gestraft zijn niet om hun religieuse overtuiging, maar om politieke misdrijven, en de eigenlijke en ware martelaren de Roomschen zijn geweest, die later door de Gereformeerden werden ter dood gebracht. Al is het nu wel te begrijpen, dat een Roomsch geschiedschrijver tot zulk een averechtsche voorstelling komt, toch spreekt het vanzelf, dat deze voorstelling al even ver van de waarheid verwijderd is als de vroegere opgaven van Protestanten, en wij twijfelen niet of Prof. Blok zal bij een tweede uitgave van zijn Geschiedenis wel voorzichtiger over dit punt zich uitlaten. In elk geval kan Prof. Blok, die alleen en uitsluitend op een Roomschen historicus afging, hier kwalijk als onpartijdig Protestantsch historieschrijver dienst doen.
Vraagt men nu tot welke resultaten het nieuwe onderzoek geleid heeft, dan zijn het deze. Men heeft vooreerst de martelaren opgeteld, die in de verschillende martelaarsboeken met name genoemd worden, en dan komt men reeds tot een totaalsom van 8; / martelaren, waarvan 226 onder Keizer Karel, 648 onder Koning Philips en 3 onder Albertus en Isabella ter dood gebracht zijn. Toch spreekt het wel van zelf, dat dit getal volstrekt niet volledig is, daar alleen de meest bekende martelaren in deze martelaarsboeken een plaats hebben gevonden. De schrijvers van de reeds genoemde Bibliographie des Martyrologes hebben om dit punt tot evidentie te brengen, de registers te Antwerpen en te Gent nagezien en zijn aldus tot het resultaat gekomen, dat terwijl de Martelaarsgeschiedenissen voor Antwerpen 173 en voor Gent iio martelaren opgeven, deze getallen in werkelijkheid 293 en 158 zijn geweest; dus alleen voor Antwerpen 120 martelaren meer. Uitgaande van de veronderstelling, dat de verhouding overal dezelfde is geweest als te Antwerpen, zou dit voor heel het land reeds een getal van 1400 martelaren geven.
Volkomen terecht heeft Prof. Rutgers er echter op gewezen, dat deze schijnbaar juiste berekening toch feitelijk onjuist is, omdat bij deze waarschijnlijkheids-rekening twee belangrijke factoren uit het oog zijn verloren. Vooreerst, dat de executies te Antwerpen, een der brandpunten der Reformatie, veel meer de aandacht trokken dan elders en dus ook veel vollediger in het Martelaarsboek vermeld werden. Adriaan van Haemstede, de opsteller van ons Martelaarsboek, was predikant te Antwerpen en had hier het rijkste bronnen-materiaal tot zijn beschikking. En ten tweede, dat de Overheid te Antwerpen vaak oogluikend de ketterij toeliet en de placcaten slechts slap heeft toegepast, terwijl dit in andere steden lang niet in die mate het geval was. Uit Antwerpen bezitten we dus wel een zeer groot aantal martelaarsgeschiedenissen, maar daaruit mag volstrekt niet worden afgeleid, dat daarom het getal martelaren te Antwerpen zooveel grooter was dan elders. Het tegendeel staat veeleer vast.
Met een enkel voorbeeld moge dit worden aangetoond. Daar Antwerpen 173 martelaren heeft van de 877, die de martelarenboeken vermelden, bedraagt dit juist een vijfde. Toch kan deze verhouding niet juist zijn. Volgens Bakhuizen van den Brink heeft een onderzoek der registers hem getoond, dat in het jaar 1535 te Antwerpen 7 martelaren gedood zijn, terwijl in Amsterdam in datzelfde jaar minstens 40, in Leiden minstens 20 en in 's-Gravenhage in 1534 en 1535 minstens 60 martelaren ter dood zijn gebracht. In drie steden van Holland dus reeds honderd martelaren tegenover Antwerpen met 7. Past men hier den regel van drieën toe, dan zou men, daar Antwerpen alles te zaam 293 martelaren heeft gehad, voor Amsterdam, Leiden en Den Haag reeds tot een totaalcijfer van 4000 komen. Nu zeggen we niet dat dit cijfer juist is. Maar wel blijkt uit het aangehaalde voorbeeld, dat het aantal martelaren te Antwerpen betrekkelijk gering is geweest en men uit Antwerpen niet tot de andere steden concludeeren kan.
Het historisch onderzoek over dit punt is zeker nog niet afgesloten. Nauwkeurig onderzoek der registers kan hier alleen meer licht brengen. Maar wel staat reeds zooveel vast, dat even onjuist als de vroC' gere overdreven cijfers zijn, even onjuist de voorstelling van de tegenwoordige room sche geschiedschrijvers is.
De waarheid zal ook hier wel blijken in het midden te liggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1906
De Heraut | 4 Pagina's