Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Zendingsconsulaat.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zendingsconsulaat.

9 minuten leestijd

De benoeming en uitzending van Dr. C, W. Th. Baron van Boetzelaar van Dubbeldam als zendingsconsul naar Batavia, heeft de vraag doen opkomen, waarom alleen onze Gereformeerde kerken aan deze uit zending geen deel hebben genomen.

Deze vraag, publiek gesteld, dient ook pU' blisk beantwoord te worden. Te meer, omdat geen oogenblik de schijn mag ontstaan, alsof de oorzaak dezer onthouding zou schui ien in mindere waardeering onzerzijds van wat baron Van Boetzelaer voor onze zending doen wil, of in een opzettelijk voorbijgaan van onze Gereformeerde kerken door hen, die tot deze uitzending het initiatief hebben genomen.

Geen van beide is juist.

Het plan is, gelijk men weet, uitgegaan van het bestuur van het Nederlandsch Bijbelgenootschap, en dat bestuur heeft met groote onpartijdigheid alle zendingsvereeni gingen en ook de generale deputaten door onze Synode voor de zending benoemd, tot een voorloopige saamspreking uitgenoodigd, Aan deze uitnoodiging is door een tweetal deputaten onzerzijds voldaan, die hun be langstelling in en waardeering van dit plan hebben uitgesproken, maar tegelijk niet hebben nagelaten, te wijzen op de schaduw zijden aan een generaal consulaat verbonden. Op deze saamkomst werd aan het bestuur van het Bijbelgenootschap opgedragen een plan van saamwerking voor dit doel te ont werpen, en dat plan is ook aan onze zen dingsdeputaten toegezonden, maar te laat om nog op hun voorjaarsvergadering te worden behandeld. Toen de gewone najaarsvergadering in September daagde, was de zaak reeds tot beslissing gebracht door de zendingsgenootschappen, en de instructie van den consul reeds vastgesteld. Wel konden de Gere^ formeerde kerken zich nog aansluiten, maar de zendingsdeputaten oordeelden terecht, dat zij daartoe geen bevoegheid hadden, wijl de Gereformeerde kerken, zelve in Synode vergaderd, over zulk een belangrijk voorstel hadden te beslissen. Ze hebben dit aan het bestuur medegedeeld, er bij voegende, dat zij gaarne in voorkomende gevallen, wan^ neer de zendingsconsul hiertoe bereid was, van zijne hulp zouden gebruik maken.

Gelijk men ziet, is hier over en weer volkomen correct gehandeld. Van een voor bijgaan of miskennen der Gereformeerde kerken is geen sprake geweest. Onze zendingsdeputaten zijn van meet af op de saamkomsten uitgenoodigd, en hun medewerking is uitdrukkelijk verzocht. Het be^ stuur van het Bijbelgenootschap en baron van Boetzelaer van Dubbeldam waren zoo welwillend mogelijk. En ook deputaten onzerzijds hebben met waardeering de uitnoodiging ontvangen, aan de saamsprekingen deel genomen, en op de meest heusche wijze laten weten, waarom zij op dit plan niet kondeji ingaan. Natuurlijk konden deputaten niet anders handelen. Ze waren gebonden aan hun lastgeving. Ze mochten niet uit naam van de Gereformeerde kerken een vaste verbintenis aangaan, die ook finantieele offers vroeg, zonder door de Synode daartoe gelast te zijn. Ze verwezen daarom volkomen terecht naar de Generale Synode, die alleen te beslissen had. In plaats van blaam, verdienen deputaten om deze onthouding eer allen lof.

Het is zeker te betreuren, dat de Generale Synode eerst over twee jaren saamkomt en de zaak tot zoo lang hangen blijft, maar hieraan is nu eenmaal niets te doen. Een Generale Synode om de drie jaar is — De Heraut wees er reeds vroeger op — een leemte in ons kerkelijk leven. Gewichtige beslissin-^ gen worden daardoor noodeloos vertraagd, I Daarom werd onzerzijds er op aangedrongen, dat de Synode elk jaar zou bijeenkomen. Ook voor ons tuchtrecht ware dat veel beter. Maar nu deze raad nog geen gehoor vond, hebben we dit ongemak met geduld te dragen. En in geen geval mag dit aanleiding worden, dat deputaten vast gaan doen, wat „der Synode is, " bij zich zelf denkende, dat de Synode, voor een fait accompli geplaatst, achteraf hun handelingen wel zal goedkeuren.

Bovendien, met dit uitstel is niets verbeurd. Indien de Synode over twee jaren besluit op dit.accoord wel in te gaan, zal daartegen bij den zendingsconsul wel geen overwegend bezwaar bestaan. En indien niet, dan behoeft de Synode niet een reeds aangegane verbintenis weer te niet te doen; wat allicht tot een geprikkelde verhouding aanleiding zou geven.

Intusschen twijfelen we niet, of de Synode zal niet alleen de deputaten wegens hun voorzichtigheid loven, maar ook zich wel tienmaal bedenken voor ze een verbintenis aangaat, waarvan de voordeden zeker niet tegen de nadeelen opwegen.

Het doel van zulk een zendingsconsulaat is, een vast orgaan te hebben, waardoor degenen, die zending drijven in Indië, hun belangen bij de Overheid kunnen doen behartigen. Zulk een zendingsconsul wordt dan de officieele tusschenpersoon tusschen de zendende Kerken en de Regeering. Hij brengt de wenschen der Kerken aan de Regeering over, licht die toe en ondersteunt ze door zijn invloed en woord. En omgekeerd heeft de Regeering, indien ze over zendingszaken advies wil hebben, een officieel persoon, tot wien zij zich wenden kan.

Op zich zelf is er zeker veel in dit denkbeeld, wat toelacht. Ook de Kerken in ons vaderland hebben officieele deputaten, die bij de hooge Overheid uit naam onzer Kerken optreden. Dat onze Synode in gelijken zin deputaten te Batavia aanstelt om voor de zendingsbelangen te zorgen, is volkomen in den haak. Zelfs de ietwat vreemde naam van zendingsconsul, ook al is die naam meer aan het politieke dan aan het kerkelijke leven ontleend, levert geen bezwaar. En waar een man van hooge geboorte, die door positie en stand allicht meer invloed bezit dan een gewoon burger, zich voor dit doel geven wil, is dit zeker hoogelijk te waardeeren. Bovendien, Baron Van Boetzelaer schreef een uitnemende dissertatie over de geschiedenis onzer zending, die niet alleen van historische studie blijk gaf, maar ook van liefde voor onze aloude Gereformeerde Kerken. En wie persoonlijk hem ontmoeten mocht, ontving geen anderen indruk dan van een waarlijk Christelijk edelman, die zonder partijdigheid of voorkeur heel de Protestantsche zending dienen wil. Indien we op het zendingsconsulaat critiek oefenen, dan blijft de persoon van den zendingsconsul hier geheel buiten spel.

Tegen het zendingsconsulaat, zooals het thans georganiseerd is, hebben we daarentegen wel bezwaar.

Reeds het feit, dat éen zendingsconsul is aangesteld, die alleen alle verantwoordelijkheid te dragen heeft, schijnt ons bedenkelijk. Onze Gereformeerde Kerken hebben van oudsher den regel gevolgd, dat ze nooit éen, maar steeds meerdere deputaten benoemden. En ze deden dat met opzet, omdat, gelijk ons bevestigingsformulier terecht opmerkt, wanneer de macht niet bij velen maar bij éen staat, licht de hiërarchie weer binnensluipt. Zulk een groote macht aan éen persoon toe te kennen, leidt in de praktijk altijd tot een soort superintendentschap, een bisschoppelijk gezag. De zendingsconsul staat door zijn eminente positie boven de andere zendingsdienaren, terwijl deze min of meer van hem afhankelijk worden. En al gelooven we graag, dat in Baron Van Boetzelaer geen grein van hiërarchische heerschzucht te vinden is, het vertrouwen in zijn persoon mag ons niet doen afwijken van de beginselen, die onze Kerken steeds hebben hooggehouden.

Hierbij komt in de tweede plaats, dat de Gereformeerde Kerken altijd den regel hebben gevolgd, dat ze haar deputaten kozen uit de leden van haar eigen Kerken. Niemand zou er aan denken, in ons vaderland als deputaat bij de Hooge Overheid een man aan te wijzen die niet tot onze kerken behoorde. Zoolang de nood er niet toe dringt, mag op dezen regel ook voor Indië geen uitzondering gemaakt worden. De andere zendingsgenootschappen, die geen officieele kerkelijke kleur dragen, zijn zeker in de keuze van haar vertegenwoordiger bij de Overheid vrijer. Ook spreekt het wel van zelf, dat deze genootschappen, wier arbeid vaak verre van Batavia ligt, in sterke mate behoefte gevoelen aan een man, die in de residentie van het Bestuur hun belangen behartigen kan. Maar voor onze Gereformeerde Kerken staat de zaak geheel anders. Als vast deputaat bij de Overheid een persoon aan te wijzen, die geheel buiten onze kerkelijke gemeenschap staat, schijnt niet geraden. En dat te minder, waar we in Batavia zelf een Gereformeerde kerk bezitten met een ijverigen predikant en invloedrijke gemeenteleden, die zeer goed in staat zijn bij de Overheid voor onze belangen te waken.

Terwijl eindelijk het feit, dat verschillende zendingsvereenigingen en kerken, wier belangen lang niet altijd met elkaar overeenkomen, door een en denzelfden persoon bij de Oi/erheid optreden, geen geringe moeielijkheden met zich medebrengen kan. Een van de belangrijkste punten, waarover de kerken met de Regeering te handelen hebben, is de openstelling van bepaalde terreinen voor de zending. Gesteld nu, dat van een dier terreinen, b.v. Solo, zoowel de Salatigazending als onze kerken de openstelling verzoekt, dan zullen beide den zendingsconsul in mandaat geven, dit verzoek aan de Regeering over te brengen. Daar de Regeering de gewoonte volgt, om die openstelling ^^w..o, .w.....g slechts ^..^^..^o voor .^.v^. ééne ^^..^ zending , cv..> "»b — te verkenen, zal de consul als officieel orgaan

de Regeering moeten voorlichten, voor welk van beide vragende partijen de openstelling het meest gewenscht is. Feitelijk zal de beslissing over een zoo belangrijk punt daardoor in handen van den zendingsconsul gelegd worden, en zijn persoonlijke voorkeur den doorslag geven. Dit eene voorbeeld moge volstaan om duidelijk te maken, niet alleen in welke moeilijkheden de zendingsconsul daardoor komen kan, maar ook welk een belangrijke macht zoodoende in zijn handen wordt gelegd. Zoolang de verschillende zendingsvereenigingen en de zendende kerken, niet tot een vast accoord van arbeidsverdeeling zijn gekomen, schijnt ons het hebben van één gemeenschappelijken zendingsconsul een onmogelijkheid.

Op dit drietal gronden, waaraan nog veel ware toe te voegen, oordeelen we, dat de Synode er wel niet aan denken zal, een dergelijk vast mandaat aan dezen zendingsconsul te geven. De vrijheid der kerken zou daardoor al te veel aan banden worden gelegd. Maar niets belet ons, bij voorkomende gelegenheden, bij wijze van „los accoord, " de vriendelijke hulp van den zendingsconsul in te roepen, en we twijfelen niet, of deze hulp zal door den zendingsconsul gaarne verleend worden, wanneer hij weet, dat we. zijn arbeid persoonlijk waardeeren, ook al verbiedt ons beginsel, hem een vaste aanstelling uit naam onzer Kerken te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1906

De Heraut | 4 Pagina's

Zendingsconsulaat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1906

De Heraut | 4 Pagina's