Uit de Pers.
Dr. Wielenga heeft in de Geldersche Kerkbode de verklaring van ons doopsformulier bijna ten einde gebracht.
Wat kostelijke wenken voor de practijk in deze verklaring geboden worden, toont het volgende:
En nu de laatste bede: i> En vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen moge”.
Op de vraag wat de voornaamste karaktertrek van het leven is, antwoordt de christen zonder aarzeling: leven is strijden. Dit is kras gezegd, maar met overdre en. Het gaat er niet over, wat het leven vroeger was in den hof der gelukzalig heid. Toen kon men zeggen: leven is arbeiden. Ook is het niet de vraag, wat het leven eens zijn zal, want dan klinkt het antwoord: leven is loven. Maar dit is de vraag, wat het leven nu is, in de omstandigheden, waarin de christen op aarde leeft. En ja, dan is zijn leven een rijk gecompliceerd (samengesteld) geheel van allerlei krachten, daden, emoties, het is een arbeiden, lijden, dragen, genie ten, waken en slapen, maar al wat de christen doet of duldt draagt het karakter van strijd,
Hoe dat komt ?
Dat komt door wat wij in onzen tijd ' p politiek terrein de antithese (tegenstelling) noemen. Overal waar tegengestelde machten elkander ontmoeten ontbrandt de strijd. En de christen ontmoet in het leven voortdurend machten, die aan zijn beginsel, zijn ideaal, zijn God vijandig zijn.
Daarom slaakte Job de klacht, die sinds tot een gevleugeld woord werd: »Heeft niet de mensch een strijd op aarde.? ”
Daarom zingen de vromen des Ouden Verbonds in alle toonaarden hun krijgszangen en oorlogspsalmen uit, »in 't strijdperk van dit leven”.
Daarom wijst een Paulus de eeuwige zaligheid als een overwinnaarskroon aan den christengladia tor aan, nadat hij hem de heilige wapenrusting heeft gegeven.
En zoo is de geheele christelijke spreektaal met krijgstaal en oorlogsbeelden als doorweven.
De kerk op aarde noemt zichzelf, in onderscheiding van de kerk in den hemel, de strijdende kerk. En hoezeer onze vaderen den heiligen doop in verband met den heiligen oorlog hebben beschouwd, blijkt wel uit het feit, dat zij in art. 34 der belijdenis den doop een merk-en veldteekeu v., n Jezus Christus noemen.
Dit gedoopte kind is dus een jonge recruut, die door het sacrament (krijgseed) het staand leger van ChristDs wordt ingelijfd. Van zijn geboorte af is zijn plaats in het leger van Koning Jezus, en zoodra hij ze dragen kan moet hij de wapenrusting zijns Kpnings aan.
Is het wonder, dat de Gemeente voor dit gedoopte kind bidt »dat het vromelijk tegen de zonde, den duivel .en zijn gansche rijk strijden moge”.
Het is een bede, die treffend in het kader van het doopsformulier past.
Maar niet slechts het feit, dat ons formulier in dit gebed de strijdidee inlascht, is merkwaardig, ook de wijze waarop het dit doet, verdient onze aandacht.
Eerst worden de vijanden genoemd waartegen de christen in 't strijdperk geroepen wordt.
Het zijn er drie: de zonde, de duivel en het rijk der duisternis.
Arm kind, dat nu nog in moedeis armen sluimert, die doodsvijanden (Catech. Zond. 52) wachten u op in het leven.
Ja, wel mag de Gemeente Gods over u genade van boven afsineeken.
Elk der drie vijanden is op zichzelf machtig genoeg den jongen krijgsknecht van Christus te verpletteren.
Daar hebt ge de sonde, d.i. het booze vleesch, het arglistige hart, de natuurlijke mensch, het beginsel van het kwade, dat ook dit kind met zich omdraagt.
Daar staat de duivel, die zich over de wieg buigt en ze met zijn legioenen omzweeft, evengoed als Gods engelen dit doen.
Maar dan strekt ook de wereld, dat »gansche rijk" des duivels, reeds haar vangarmen naar dit kindeke uit, en reeds zijn de strikken gespannen, de kuilen gegraven, die het ten val moeten brengen.
Naar zijn natuurlijk bestaan gerekend heeft dit kind niets mee, maar alles tegen. Alles legt het op zijn ondergang toe. Want een zeker dichter (Vondel) moge het leven vergelijken met een schouwtooneel, een kluchtspel is dit leven niet. Hes is bittere ernst, en niet in een spiegelgevecht, waarin het alleen om de eere der overwinning gaat, wordt dit kind door de bevallig lonkende wereld en den in engelenglans stralenden duivel gewikkeld, — 't gaat op leven en dood, voor eeu.vig er o'^, of voor eeuwig er onder.
Doodsvijanden noemt de catechismus hen, en dat zijn : e, want met minder dan den dood van dit bondskind zijn ze niet tevreden.
En is het nu niet gepast, dat voorts in dit ge bed gevraagd wordt voor den kleinen bondeling, dat het vromelijk tegen die vijanden strijden moge.
Vergis u in dat woord vromelijk niet. De gewone beteekenis, die er in ons woord vroom zit, moogt ge er hier niet in zoeken. Oudtijds had het woord vroom een geheel anderen zin, n.l. dien van dapper, energiek. Denk aan het oude Wilhelmus, waar het luidt:
Dat ik goed vroom moog' blijven. Hem dienen fallen stond.
Daar beteekent vroom toch ook niet anders dan dapper.
De eerste en voornaamste deugd van den soldaat is onmiskenbaar de dapperheid Op de militaire Willemsorde staan drie deugden vermeld: 'Voor moed, beleid en trouw, maar de moed staa vooraan.
En goed christen moet ook moedig zijn.
Maar onderscheid wel zuiver wat ge onder moed hebt te verstaan.
Moedig is niet de so'daat, die zich tot eenzeker toorndelirium weet op te winden en dan, als in een roes, op den vijand inloopt. — Zoo doet de fanatieke Balinees, wanneer hij onze troepen bekamp.
Moedig is ook niet de krijgsman, die voor den dood totaal onverschillig is en zich als een fatalist in de vuurlinie van den vijand stelt. — Zoo doet de volgeling van Mohammed, die zijn ziel aan het fatum (noodlot) verkocht heeft.
Maar waarlijk dapper is de krijger, die het leven wél liefheeft, maar nog liever zijn vaderland, en dus met ernst op het gelaat, maar toch ook met energie in het oog, den vijand tegemoet ti-eedt. — Zoo deed de Transvaalsche boer, die voor natie en huisgezin den overweldiger dorst weerstaan.
Dien heldenmoed des geloofs ziet de groote Koning gaarne in zijn strijdende kerk hier beneden.
Die B vroomheid" had een Jozef, toen hij de zonde afweerde tenkostevan zijn vrijbeid.
Daniel had ze, die heel Babel trotseerde, met gevaar van zijn leven.
En niet minder een Paulus die een Felix, die Romes keizer weerstond en voor Satan niet op zij ging, ook al werd hij met vuisten geslagen.
Die dapperheid is van nature niemand eigen. Lafheid en menschenvrees wonen in elk mensche lijk hart. Maar uit het leven der wedergeboorte bloeit de geestelijke heldenmoed op. En aan zijn kerk wil God de belofte waarmaken van Ps. 110: »Uw volk zal zeer.gewillig zijn op den dag uwer heirkracht”.
Zonder deze vroomheid is het onmogelijk een goed krijgsknecht van Jezus Christus te zijn, want alleen een heldenhart houdt het uit, waar drie zulke doodsvijanden liem bestoken. Men behoeft daarom nog niet in onmiddellijk doodsgevaar te zijn, , of tot een worsteling te worden geroepen, als b.v. een Luther toen hij optrok naar den rijksdag van Worms, of zoo menig martelaar, die den brandstapel zag wenken.
Ook in het gewone alledaagsche leven, waar de christen telkens weer de zonde, den duivel en zijn rijk ontmoet, is «vroomheid" vannoode. Dejongedochter behoeft haar evenzeer, wanneer de verleiding haar wenkt, als de redenaar, wanneer hij voor den naam des Heenen in een meeting woedende socialisten bekampt.
Maar juist daarom, wijl zonder de geestelijke dapperheid het leven voor den christen onmogelijk is, en wijl hij in zichzelf van nature slechts versaagdheid en blooheid vindt, bidt de Gemeente voor dezen jonggedoopten recruut, dat de Heilige Geest hem altijd zoo regeere, dat hij vromelijk tegen de zonde, den dui el en zijn gansche rijk strijden moge.
Het is dezelfde bede, die ons troostboek zoo heerlijk vertokt: sDewijl wij van ons zelven zoo zwak zijn, dat wij niet één oogenblik kunnen bestaan en daartoe onze „doodvijanden, de duivel, de wereld en ons vleesch, niet ophouden ons aan te vechten; wil ons toch behouden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk te eenenmale de overhand behouden" (Cat. vr. 127).
Wat hier over de Christelijke dapperheid, gezegd wordt, is even juist ais schoon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 november 1906
De Heraut | 4 Pagina's