Wat Duitschland voor onze Koloniën doet.
Amsterdam, 23 Nov. 1906.
Het jongste jaarverslag van het Rijnsche Zendimggenootschap doet In welsprekende cijfers zien, wat dit genootschap voor de zending in onze koloniën doet. Oe hoofdplaatsen, waar deze zending werkt, zijn Borneo, Sumatra, Nias en Mentawei, waar op 66 stations en 346 bijstations 91 geordende en 3 niet geordende zendelingen, benevens 15 zendingszusters werkzaam zijn; deze staf van Europeesche zendelingen wordt gesteund door 30 geordende inlandsche leeraars, 35 inlandsche evangelisten, 495 inlandsche onderwijzers en 2 inlandsche onderwijzeressen, terwijl in de gemeenten bovendien nog 1183 ouderlingen en 104 inlandsche helpers werkzaam zijn. Het aantal christenen, " dat door dezen arbeid toegebracht is, bedraagt te zamen 77860, waarvan ongeveer de helft Avondmaalgangers zijn.
Voor dezen arbeid betaalt het Rijnsche Zendingsgenootschap jaarlijks ƒ 204069 50, waarvan aan bijdragen uit Nederland ongeveer ƒ 10.260 bijeenkomt, zoodat voor Duitschland zelf overschiet ƒ 193.809 50.
Nu heeft Duitschland zelf geen groote koloniën, en het is daarom volkomen te begrijpen, dat de Rijnsche Zending haar krachten wijdt aan den Evangeliearbeid in de koloniën van andere landen. Ook de voorliefde voor onze koloniën is uit stamverwantschap met ons volk wel te verklaren. Maar dit alles neemt niet weg, dat 'Nederland wel dankbaar mag zijn tegenover dit Zendingsgenootschap, dat bijna twee ton jaarlijks bijeenbrengt uit Duitsche beurzen om den heidenen in onze koloniën het Evangelie te brengen.
Toch is het niet daarom alleen, dat we op deze cijfers wijzen.
Er ligt tevens een aanklacht in tegen Nederland zelf.
Wanneer een vreemd zendingsgenootschap twee ton jaarlijks kan bijeenbrengen voor de zending in onze koloniën en zulk een machtig getal zendelingen kan uitzenden, wat zinkt onze eigen arbeid daarbij nog in het niet.
Het zij zoo, dat het arbeidsveld in Indie te groot is om door Nederland alleen bearbeid te worden, en we zonder hulp van buiten het wel nooit stellen kunnen. Maar wanneer die hulp van buiten zoo afsteekt bij hetgeen van uit ons eigen land gedaan wordt, ligt daarin toch wel een zeer beschamende les.
Wanneer zal ons volk het verstaan, dat de rang van een der eerste koloniale mogendheden ons ook een heilige verplichting oplegt.' In de vervulling van dien plicht zijn we dusver schromelijk te kort geschoten. En als God straks die koloniën ons ontneemt, zou daarin geen gerechte straf liggen voor wat Nederland tegenover Indie verzuimde?
Men spreekt zoo vaak van & ta eereschuld tegenover Indie.
Hier is metterdaad een eereschuld, die tot elke Christelijke conscientie spreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 november 1906
De Heraut | 4 Pagina's