Vereenigingsleden.
De N, C. S. V.
„Aan geen enkele universiteit behoeft de christen student zich meer een eenling te gevoelen, verloren in de groote massa van anderdenkenden. De Bijbel wordt door een steeds toenemend aantal studenten, en niet alleen christen-studenten, te zamen gelezen en besproken."
Daze merkwaardige woorden komen voor in het jongste verslag van de Ned. CbristenStu-denten-Vereeniging. Merkwaardig zijn deze woorden, omdat ze zoo geheel iets anders te verstaan geven, dan wat zoo langen tijd in onze kringen als gang bare meening gold. Een christelijk jongeling, die het ouderlijk huis ging verlaten om in een akademiestad aan een openbare hoogeschool te studeeren, moest er op rekenen daar in een wereld te komen, vreemd aan zijn gewoonten en levenswijze, vijandig tegenover de beginselen, waarin hij door vader en moeder werd opgevoed en onderwezen.
Regel was immers, dal de professoren, zooal Biet zich spottend-afkeerig, dan toch indifferent, onverschillig, toonden ten opzichte van de Waarheid en van de Christelijke beginselen; iets wat trouwens geheel overeenstemt met het indifferent karakter van onze openbare universiteiten en hoogescholen. En dan het leven der studenten! Een „fijne" was er immers niet geteldj die werd niet meegerekend; het leven 'n studentencorps, in kroeg en in clubs ging langs hem henen; een student, die soms ter kerk ging en van wien 't bekend werd, dat hij op zijn kamer geregeld in zijn Bijbel las of de vergaderingen van onze christelijke jonge lings vereeniging en onze a.r. propaganda club bijwoonde, werd bespot, gevoelde zich onder zijn studie genooten wel ter dege als een eenling. Hierin nu is, zegt het jongste verslag der N, C. S. y., kentering gekomen. Niet natuurlijk in dezen zin, dat de openbare universiteiten een anderen grondslag zouden hebben verkregen, dat het indifferentisme voor het principieële zoude hebben plaats gemaakt, dat de openbare universiteit zelve in eenig opzicht het vertrouwen zou hebben verkregen van hen, die in waarheid en consequent belijden, dat het Koningschap van Christus over alles zich uitstrekt, dus ook over de wetenschap. De Nederlandsche Christen-Studenten-Vereeniging bedoelt niet, kan trouwens ook niet bedoelen, den grondslag van de openbare universiteiten en hoogescholen te veranderen; wat ook de Christelijke Wereld-Federatie van studenten niet bedoelt of bedoelen kon.
Als John R. Mott, de algemeene en reizende secretaris van die Federatie, van zijn bezoek aan de akademiesteden in Europa, Egypte, Indië, Japan, China en Australië, een verslag uitbrengt in een boek, getiteld: „Strategische punten voor de verovering der wereld" — zou die titel allicht een verkeerden indruk kunnen geven. Vooral als Paul Doumergue in zijn tijdschrift er van zegt, dat de gedachte, die aan den arbeid van John Mott en de Federatie ten grondslag ligt, zeer eenvoudig maar ook zeer grootsch is, want dat met de krijgskundige punten voor de verovering der publieke opinie bedoeld worden de universiteiten, waar gevormd worden de leidende kringen, die straks de gedachten zullen aangeven voor de menschheid, die straks ook de geschiedenis zullen maken; wil men nu de wereld voor Christus winnen, dan kan dat, wanneer slechts de woordvoerders en leiders, die van de universiteit afkomen, de volken tot Christus voeren.
En dan volgt het woord van Mott: Om de menschheid voor Christus te winnen, moet m en beginnen met het hoofd, nl. de universiteit. Een woord, dat tot misverstand aanleiding kan geven.
Het streven van de Christenstudenten-vereenigingen hier en elders is, gelijk men weet, alle studenten die uit een christelijk gezin komen of die de Waarheid voorstaan, te vereenigen om het Woord des Heeren; om zóó, georganiseerd, evangeliseerend te kunnen optreden in de studentenwereld. Het doel' is alzoo, om alk studenten te winnen voor Christus.
Een voortreffelijk streven, een lofwaardig doel ongetwijfeld.
Men zou zich evenwel zeer vergissen, indien gemeend werd, dat bij het bereiken van dat doel ook de universiteit voor Christus zoude gewonnen zijn. Dat krijgt men immers eerst, wanneer niet slechts ook de professoren leeren voor de Schrift te buigen, maar wanneer bovenal de grondslag en daardoor het karakter van de universiteit naar de beginselen van Gods Woord zijn vervormd. Er ligt veel waarheid in het woord van John Mott, dat de universiteit het hoofd van de menschheid is; doch de studenten vormen niet de universiteit, geven er zelfs geen stempel aan. Dat doen de hoogleeraren door de wijze waarop zij, in overeenstemming met des grondslag der universiteit, de studenten voorgaan m het beoefenen der wetenschap. Al warea alle studenten van de Leidsche akademie VOCH-het doel der N. C. S. V. gewonnen, al waren alle professoren, aan die hoogeschool 'verbonden, belijders van den Christus, zoo zou toch nog niet die universiteit van karakter veranderd en dus nog niet, om met John Mott te spreken, gechristianiseerd zijn. Straks bij het optreden van een nieuwen hoogleeraar, die atheist mocht zijn, zou dit al dadelijk uitkomen. En er is immers geen waarborg, om dat te voorkomen bij een openbare universiteit, die indifferent van karakter, aan geen positief beginsel is gebonden.
Onder dit voorbehoud kan gezegd worden, dat het streven van de Christen studenten-7ereenigingen lofwaardig is en de warme sympathie verdient van alle belijders; dus ook van ons, gereformeerden. Met dankbaarheid mag er dan ook op worden gewezen, dat de arbeid di-^r vereenigingen door den Heere gezegend wordt. Zij dagteekenen van betrekkelijk korten tijd. Ter nauwernood een kwart eeuw is het geleden, dat in het buitenland d'. behoefte gevoeld werd door christelijke studenten, om door vereeniging evangeliseerend voor zich zelven en voor anderen op te treden, onder de schoone leuze, dat Christus Koning moet zijn over het verstand, dat zich aan de studie geeft, Koning over het hart en over de toewijding, Koning over het geheele leven.
De leuze vond weldra aan tal van universiteiten in Europa ingang, ook hier in ons land, waar 331 studenten van onderscheidene universiteiten zich bij de N. C. S. V. hebben aangesloten, verdeeld over Groningen met 25, Kampen met 13, Utrecht met 121, Amsterdam (stedelijke universiteit) met 34, Vrije Universiteit met 29, Leiden met 50, Delft met 35, Wageningen (Landbouwschool) met 4 en dan nog een Ned. Vrouwelijke Christen-studenten Vereeniging met 20 leden. Het dagelijksch be stuur van de N. C. S. V. bestaat uit de heeren H. van Dijk, H. C. Rutgers en F. de Vries, respectievelijk voorzitter, secretaris en penningmeester.
De afdeelingen der Vereeniging, 8 in getal, vergaderen geregeld om de veertien dagen, terwijl nu en dan ook een openbare vergadering wordt gehouden. In die vergaderingen werden in het laatste vereenigingsjaar onderwerpen van allerlei aard besproken: Persoonlijk geloof, Gebed, Triniteit, Geloof en gezag, het Pales tijnsch Jodendom ten tijde van Jezus, Schopen hauer, Tolstoi, Alcohol, enz. Op den voorgrond heeft de N. C. S. V. steeds gesteld het bevor deren van persoonlijke bijbelstudie. Vandaar dat de voornaamste taak der afdeelingen is: het bijeenbrengen der leden in bijbelkringen, groepen van 4 t8t 6 studenten, die wekelijks bijeenkomen om gezamenlijk den Bijbel te lezen en te bestudeeren. Een jaar geleden bestonden er van deze kringen 37 met 214 deelnemers. Thans zijn er reeds 46 met 267 deelnemers. En voorts mag als bekeud geacht worden, dat de N. C. S. V. elk jaar een zomer confetentie houdt, gewoonlijk te Laren; terwijl zij ook een weekblad heeft: „Berichten van Eltheto". Zoo ziet men, dat deze beweging zich uit breidt. Ook in het buitenland. „Voor de uitbreiding van het Koninkrijk Gods, van deze ideale wereld, die het meest wetenschappelijke en tevens het meest zeker is, op den oproep voor die nieuwe wereld in het universitaire leven, traden studenten naar voren, vtreenigden zij zich in groepen, die van universiteit naar universiteit gaande, goede boodschap brachten." Bij deze uitbreiding werd behoefte gevoeld tot vereeniging, aan het sluiten van een internationale broederschap. In Augustus 1895, kwamen afgevaardigden uit Noord-Amerika, Engeland, Schotland, Duitschland en Zweden en Noorwegen samen op bet cude kasteel Wadstena, aan het Wettermeer in Zweden. Daar werd gesticht „The World's Student Christian Federation". Eén van de bewonderaars dier samenkomsten zeide er van, dat sinds de Wartburg den grooten hervormer herbergde, terwijl hij bezig was den Bijbel voor de volken te vertalen, geen middenéeuwsch kasteel ooit dienst heeft gedaan voor een werk van meer zegen voor de menschheid, dan het kasteel Wadstena. Dat moge misschien een weinig overdreven zijn, zeker is het, dat de Federatie met grooten zegen werkzaam is, dank zij ook de groote toewijding en de reusachtige werkkracht van haar algemeenen secretaris John R, Mott. Dit blijkt ook uit de volgende cijfers. In 1895, het jaar der stichting van de Federatie, waren er 300 vereenigingen met 45000 studenten, terwijl vier naties vertegenwoordigd waren op het Stichtings congres op Wadstena, Tien jaren later, m rjos, vergaderde de Federatie te Zeist; en toen waren er 30 landen vertegenwoordigd, met 1825 vereenigingen en meer dan 103.000 leden, waaronder ook professoren.
De zegen, die van deze ChristenStudenten-Vereenigingen uitgaat, worden we ook in ons land gewaar; gelijk trouwens de aanhef van dit schrijver aangeeft. Daaruit blijkt, dat niet het minst door het optreden van de N. C. S. V. er meer ernst in de wereld van het studentenleven is gekomen; dat vele studenten zich niet meer schamen het Evansjelie van Christus; en dat dit alles vanzelf een gezegenden invloed op heel het akademieleven moet uitoefenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1907
De Heraut | 4 Pagina's