Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Leestafel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel

8 minuten leestijd

JOHANNA BREEVOORT. In den Kerkstrijd.'Ktn verhaal uit het Rotterdamsche volksleven, tijdens de keikelijke' beweging, 1606—1613. Derde Duizendtal. Rotterdam. — D. A. Daamen.-

Met In den Kerkstrijd heeft Johanna Breevoort een voor haar nieuwe genre, den historischen roman, aangedurfd..

De historische achtergrond wordt er in gevormd door de geschiedenis der eerste zes jaren van den strijd, die, in de zeventiende eeuw, op kerkelijk gebied tusschen calvinisme en arminianisme te Rotterdam is gevoerd. Ds jiren 1606 tot 1611 njn daarvan de tijdgrenïen.

Aaa het begin staat het fel optreden van den armiiiiaanschen predikant Ds. Nicolaas Grevinchoven, die van de kerkleer beweert: „dat zij God maeckt tot een Tyran, eenen geveynsden, Menschenhater, autheur van de zonde etc; dat zij erger is als de Stoïsche Philosophie, de Manichtïsche Ketterij, de Leere der Turcken". Aan het einde van deze periode staat het begin der 17e eeuwsche doleantie te Rotterdam, De Rotterdamsche calvinisten, getrouw aan „de sommarische belijdenisse", die omstreeks i6oo, met groote letteren aan de Noorderpoott hunner St. Laurens was geplaatst;

God voornam, die hij kende in liefde te voren, Te schicken in Christo tot syn tiytvercoreii. Vese roept, rechtveerdicht, verheerlyckt hij ook fijn, Gods Geest, roepinge, geloof en 't werck goed, 't bewys hier van sijn. God geeft ons de salichheyt, het is syn werck. Die de Soon God end' Mensch, verdient heeft voor ons alleenen;

Gods Geest volbrengtse, maar dat gheloof sterck, Neemtse aan, de wercken goed daar van getuijgen gemeene". -diepRotterdamsche calvinisten trachtten toen door doleantie hun, door de armianerije tot deformatie gekomen kerk, te reformeeren. Midden in dien strijd kwam al spoedig de twee-en twintigjarige Ds. Cornells Geselius, een kuiperszoon uit Dord, gehuwd met Johanna of Tanneke van Scharlaken, dochter van den Dordschen Oud-Schepen en Baljuw van het land van Sttijen, toen hij, op het laatst van 1605, de predikantsplaats te Strijen voor die bij de Walen te Rotterdam had verwisseld. De omstandigheid, dat hij ook in de weekbeurten der Nederduiische kerk moest optreden, droeg daartoe het hare bij, In dien kerkstrijd stonden met Nicolaas Grevinchoven voorop, ook de andere predikanten. Heller en de jonge Lansbergen, en ten laatste ook Lansbergen de vader, die in zijn jonge jaren in het Zuiden de kruiskerken had gediend, — aan de zijde van het arminianisme. Zij vonden steun bij den kerkeraad, die na 1606 al spoedig was omgezei en ook op het Stadhuis, waar Elias van Oldenbarneveld, broeder vaa den Advocaat, pensionaris; Schaelkens, de schoonvader van Grevinchoven, lid van de vroedschap was.

De calvinisten hadden alzoo onder de predikanten alleen in Geselius hun geeptverwant; waren hun invloed in den kerkeraad kv/ijt; hadden op het Stadhuis slechts enkele mannen op wie zij rekenen konden, en waren op eakele uitzonderingen ca, waartoe b. v. Adriaan Smout moet gerekend, mannen uit den kleinen burgerstand.

Dat Geselius, na in Rotterdam predikant te zijn geweest, en toen de kerk van Edam van 16 £2—1614 te hebben gediend, reeds op dertigjarigen leeftijd, geknakt en gebroken, siierf, is een gevolg van het leed, dat de arminiaansche kerkelijken en de libertynsche politieken te Rotterdam hem hebben doen lijden. Hij, een overtuigd calvinist, maar daarbij ook „een vredeUevend man, die in zijn dienst-eer teveel dan te weinig heeft toegegeven", zooals Prof. Rutgers ergens van hem schrijft, is het slachtoffer geworden van den kerkstrijd. De zes jaren van zijn dienst in Rotterdam zijn bijna even zoo vele lijdensjaren voor hem geweest.

Hij heeft den strijd niet gezocht, maar hij had toch ook te veel liefde voor de gereformeerde waarheid om haar door een Grevinchhoven, zonder tegenspraak, te laten lasteren; doch wanneer hij die lasteringen op den kansel weerlegt, wordt in den kerkeraad de vinger tegen hem opgeheven en hem geboden „zich te matigen". Als het in de classis van Schieland naar aanleiding van het examen van Episcopius, het „Eoogkind van Armijn", te Bleiswijk beroepen in 1610, tot een scheuring komt, en ook Geselius, evenals Hugo Beyer van Hillegersberg, aan de zijde der „protesteerende classis" gaat staan, dan valt al de misnoegdheid der rotterdamscbe magistraten, die als Heeren van Bleiswijk het beroep wilden doorzetten, op Geselius, Reeds in 1611, als Burgemeesteren hem, met zijn ambtgenooten, voor zich ontbieden en eischen, dat ook hij zich aan de bekende Resolutie der Staten van Holland van 20 Mei 1611 tot „onderlinge verdraagzaamheid" zal onderwerpen, wordt hij na zijn verklaring, dat bij dit wil doen voorzoover zijn geweten hei hem toelaat, voor de keuze tusschen onvoorwaardelijke onderwerping of afzetting gesteld. En dan kiest hij het eerste. Als Grevinchoven, zonder zich aan dieReso lutie te storen, met zijn allesbehalve „soberlijk n matiglijk'' van de geschillen handelen, hem het

zwijgen weer onmogelijk maakt, wordt hij beschuldigd het volk tegen zijn overheid op te zetten.

Als hij m een weekbeurt Hugo Beyer voor zich wil laten optreden en dan de oude Lansbergen den kansel bestijgt en het meerendeel van het kerkpubliek, dat geen arininiaan wil hooren, wegloopt, krijgt Geselius er de schuld van. Toen hebben de heeren van het Stadhuis hem geplaagd en gedwongen om conferenties te houden met Grevinchoven over A^ praedesünaiie. Conferenties, die, na de Staten Resolutie van 1611, onwettig en bovendien onvruchtbaar en onstichtelijk waren. Zij hebben hem, met verkrachting van het recht der kerk, van zijn ambt afgezet. Zij hebben op hem de schuld geworpen van het „tumult" dat het gepeupel in de stad veroorzaakte, door de doleerenden, in wier samenkomsten hij geen dienst des Woords vervulde, maar slechts nu en dan een eenvoudige collatie hield, — te mishandelen. Zij hebben hem eindelijk op een kouden wintermorgen tusschen vijf en zes — Johanna Breevoort heeft ontdekt, dat het niet op den i4en maar op den i6en Februari plaats vond — als een misdadiger, door Baljuw en onderschout met hun dienaren buiten de Delftsche poort gezet.

Wat nu dezen historischen achtergrond betreft, Johanna Breevoort heeft, met een trouw, die, op zijn zachtst uitgedrukt, niet altijd een deugd is van historische romanschrijfsters, dien in haar boek geteekend. Dat zij aan predikanten, blijkbaar zonder zelf den oorsprong dier uitdrukkingen te kennen, bastaard-vloeken in den mond legt, is toch allerminst een bewijs van haar opzettelijke ontrouw.

Metterdaad is een der groote verdiensten van deze romancière, dat de geschiedenis in hare handen veilig is.

Wie In den Kerkstrijd leest, krijgt een juist beeld van wat er in Rotterdam, tusschen 1606 — 1612 op kerkelijk gebied is gebeurd.

Een student, die zich voor een candidaats examen in de vaderlandsche kerkhistorie praepareert, zou het boek daartoe met succes kunnen gebruiken. Zoo ongeveer op dezelfde wijze, als wanneer hij Hamerling's Koning van Sion, met het oog op de Wederdoopers, las. Toch heb ik twee bezwaren tegen dit boek. Allereerst de uitbeelding van Cornells Geselius, den hoofdpersoon.

„Heb ik Cornelius Geselius te zachtmoedig en te vredelievend voorgesteld? " zoo vraagt Johanna Breevoort in haar Inleiding p. V. Ik zou haar willen antwoorden: „Volstrekt niet".

Geselius was nu eenmaal geen Smout. Het karakter — ik bedoel niet het „aange boren" maar het „verworven" — van dezen toen hij in Rotterdam kwam, twee-en-twintigjarige moest zich nog vormen. Dit. maakt de uitbeelding ervan zeker in moeielijk.

Maar toch, ik heb mijn eigen Cornells Gese lius uit de Calvinisten in Holland er nog eens op nagelezen, — bij al het weifelende, dat dezen msnsch kenmerkte, was er ook iets in hem, dat mij herinnert aan het woord van Jeremia: „maar het werd in mijn hait als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen, en ik bemoeide mij om te verdragen maar konde niet".

En dit nu mis ik in Breevoorts Geselius. En nu mijn tweede bezwaar. Het wil mij voorkomen, dat deze schrijfster, die ik zoo gaarne het praedicaat van gereformeerde romancière zou toekennen, de groote, de machtige beteekenis van het Calvinisme nog niet volkomen doorziet. Althans, dat in en achter dat zesjarig stukje menschelijk-gedoe van die meer en minder brave zeventiendeeeuwsche rotterdammers metterdaad een strijd tusschen tweeërlei beginsel van wereld-en levensbe schouwing zat, komt in haar boek niet vol doende uit. Zeker, voor lAeologiseerende lomzns, hoop ik, dat wij bewaard zullen blijven, maar toch was er gelegenheid geweest om /» den Kerkstrijd, al was het maar op éen bladzijde, de tegenstelling „Calvijn-Armijn" eens klaar en duidelijk te zeggen. En ook, zonder zich te bezondigen aan een tendenziQma.n, kan men, door de liefde voor het beginsel waaruit men leeft — en aan liefde voor „het meest zuivere Christendom" ontbreekt het Johanna Breevoort niet — enthusiasme wekken voor het beginsel. Ik zou mij echter sterk verwonderen als ik hoorde, dat door het lezen van In den Kerkstrijd een niet calvinist tot het Calvinisme was bekeerd. Maar, afgezien van deze twee bezwaren is het een voornaam boek.

In de beschrijving vau het land en van het leven in markt en straat, heb ik genoten.

De menschen, vooral de vrouwenfiguren, de mondaine, straks tot levensernst komende Tanneke; de tegen haar passie voor Gesel inworstelende Aleidej de intrigeerende Neeltje; leven nog in mijn bewustzijn als de beelden van een pasgedroomden morgendroom. Hier toont zich de artisticiteit van Johanna Breevoort's dichtende verbeelding.

En, met de 17e eeuwsche-taal, 'die zij, in dezen baar eersten historischen roman, haar personen in den mond legt, moge alles nog niet in den haak zijn; dit gebrek wordt. ruim vergoed door de stukjes heerlijk moderne taal op tal van bladzijden, als deschrijfsterzelf aan het woord is. Over haar uitgever kan zij, wat de uitvoering betreft, tevreden zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1907

De Heraut | 4 Pagina's