„Aan de straffe een welgevallen”.
Zoo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straffe hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben. Leviticus 26 : 41.
Als de stemming der ziel boetvaardig wordt, is begin van zielsgenezing ingetreden. Eer niet.
Alle overtreding, alle niet gehoorzamen, alle slaan van de verzenen tegen de prikkelen, is een niet voor God uit den weg willen gaan; het tegen God opnemen; het terugdringen door eigen wil van den wil van zijn God. Of dit kwaad in het klein of in het groot uitbrak, maakt in dit opzicht geen verschil. Ook in de kleinste tekortkoming is het altoos: eigen zin en wil inzetten tegen het gebod en het recht Gods.
Dat komt dan niet op uit een bepaald redebesluit van dat eigen oogenblik, alsof ons ik bij zich zelf dacht: „Ik zal nu eens opzettelijk tegen mijn God ingaan." o, Neen, bij verreweg de meeste kleine overtredingen en tekortkomingen wordt er aan God en zijn wil ternauwernood gedacht. Eerst bij dingen van meer aanbelang begint in de conscientie zich iets te roeren, dat we eerst tot zwijgen moeten brengen, eer we kunnen doorgaan. Een bewuste, bedoelde strijd van 's menschen wil tegen den wil van God komt eigenlijk alleen voor in die donkere levensoogenblikfcen, als een demon de ziel omkneld houdt en de gevangen ziel een ure der duisternis doorworstelt. Satan trekt wel altoos aan de draden van 't webbe, maar in den gemeenen gang van 't leven dringt dit niet tot uw bewustzijn door. Ge glijdt uit, en ge valt in die kleine dingen des levens uit hebbelijkheid, in den slechts halfbewusten cirkelgang van het dagelijksch leven.
Neen, ons verzet van wil tegen wil is in het gewone leven geen uitvloeisel van een geraamd plan, van een opgezet voornemen, van een intentie van het oogenblik; maar het komt van zelf ondoordacht en ongemerkt op uit de stemming van uw gemoed, uit de gesteldheid van uw innerlijk bestaan, ui£ het te laag zedelijk peil van den stroom die door uw hart gaat. Zoo komt het, dat ge jaren lang in allerlei dusgenaamde kleinere zonden kunt voortleven, zonder dat ook de gedachte, dat al zulks tegen Gods wil ingaat, ook maar in u oprijst, en dat ge, zelfs voor uw God op de knieën liggend, nooit een vermoeden in u voeldet opkomen, dat er zonde in * lag. Als het tegen een bepaald gebod inging, b.v. tegen de Sabbatsheiliging, tegen het: Gij zult niet stelen, dan voelt de ziel nog veelal scherp en fijn tot in het kleine. Maar als 't aankomt op het te keer gaan van zelfzucht, van trots, van hoogmoed, van bitterheden, of van ijdelheid; als het de hefde en toewijding raakt, als de besteding van tijd en talenten in het spel komt, kortom als het overtredingen geldt, die geen scherp bepaald gebod, maar leidende ordinantiën voor heel ons leven raken, - dan is het soms verbazend, wat zelf verblinding het hart verduisteren kan.
Aan anderen merkt ge dat wel. Bijna in ieders omgeving is er wel deze of gene, die aan allerlei karakterzonde van dien aard zóó beslist schuldig staat, dat ieder het ziet, en dat men er onder elkaar over spreekt. Alleen de man zelf merkt er niets van en loopt er gedachtenloos mee door. Veelal gaat dit zelfs over en weer, A ziet zeer wel de gewone kleine zonden in 't leven en in 't karakter van B, en B ziet omgekeerd zeer duidelijk de zondige hebbelijkheden waarin op zijn beurt A telkens vervalt, maar geen van beiden zien ze 't van zich-zelf. Voor anderer aangewende levenszonden heeft men een scherp oog, soms te scherp zelfs, maar voor hetgeen in het eigen hart voortkankert, is men zoo vaak stekeblind.
En zoo wandelt ieder onzer, en we zeggen dit zonder uitzondering, zelfs niet met uitzondering van de vroomsten, in een gescheurd en bevlekt zielsgewaad het leven door. In een zondige gestalte, waarover we o, zoo moeilijk een ernstig schuldbesef in ons voelen op waken, ja, waarvoor we zelf meest geheel ongevoelig zijn, en dat toch meer dan één in onze omgeving het wel ter dege in ons opmerkt, en dat altoos God het ziet.
Alleen zeer teedere liefde en zeer hooge ernst kan daarbij een ontdekkende kracht op ons uitoefenen. Want we worden wel gewaarschuwd. De opmerkingen, die anderen op ons maken, dringen wel nu en dan tot ons door. Maar tegen die opmerkingen plegen we ons stelselmatig in te zetten. Zelfs neigen de meesten er toe, om er boos om te worden. Ze krijgen een kleur, ze worden kriegel, en duiden het u euvel, dat ge zoo over hen denken kondt. En alleen wie den stillen, geregelden overtreder met zeer teederen
ernst, en onder vier oogen, aan zijn hart weet te komen, slaagt er soms in een vinger tusschen de reet van de deur te krijgen, en hem een halve bekentenis van schuld te ontlokken.
Maar veel krachtiger medicijn tegen dit kwaad der zondige hebbelijkheid van karakter, gedraging en levensbesteding, wordt ons door onzen God toegediend, als Hij in de gevolgen zelven van onze overtreding de straf der ongerechtigheid over ons brengt.
Van allerlei soort is de straf, waarmee God de Heere op ons inwerkt. Straf in verdriet en tegenspoed en lijden. Straf in hetgeen anderen ons aandoea, om hun bitterheid aan ons te koelen. Straf in de minachting van de publieke opinie. Maar ook, en bijna geregeld, komt die straf ons daarin over, dat we zelf de gevolgen van onze zelfzucht, van onzen hoogmoed, van onze ijdelheid, van onze slordigheid en ordeloosheid, van onze kleine liefde en van onze overprikkelde zinlijkheid over ons halen.
Die laatste straf nu laat ons het verband tusschen schuld en südS zien. Er is ook wel verband tusschen onze schuld en die andere straffen. Maar dan staat 't er niet bij. Dan kan onze ziel wel soms verband gissen en er klein onder worden, maar 't is niet zoo klaar en doorzichtig.
Bestaat daarentegen de straf in een kwaad, dat we zelf door onze schuld over ons brachten, dan spreekt 't met vurig schrift aan den wand, als in Belzazars zaal, ons toe. En het zijn vooral die strafifen die tot inkeer brengen. We zien 't dan voor oogen, waartoe onze zondige hebbelijkheid leidt. Niemand behoeft 't ons dan meer te zeggen. We voelen het zelf. Het is een strsffe die we ons zelf berokkend hebben. Dat kan komen in teleurstelling, in gel delijk verlies, in lichamelijk lijden, in verdriet van onze kinderen, in verijdeling van onze plannen, of in wat ook. Maar het staat er dan altoos bij: „Dit zou u niet overkomen zijn, zoo ge niet zoo dwazelijk hadt gehandeld." Zoo is het bij den dronkaard, als hij, uit zijn roes wakker wordend, zich ellendig voelt. Maar zoo is het bij elke zonde, bij elke overtreding, waarvan we zelf het gelag te betalen hebben. Een stem fluistert dan van binnen: „Dat hebt ge u zelf aangedaan. Dat hebt ge u zelf berokkend". En die stem brengt ons dan tot het besluit: „Zóo nooit meer!"
Maar met dit besluit staan we dan op een tweesprong.
Bij den éen toch zal 't dan zijn: „Dat nooit meer!" om zich nooit meer aan die biltere gevolgen bloot te stellen. En bij den ander: „Dat nooit meer!" omdat het een zondigen tegen God was.
Het eerste komt 't meest voor, het tweede zeldzamer. En toch, alleen dit tweede is het rechte.
Wie, zijn bitteren beker uitdrinkend, denkt: „Daar zal ik voortaan op passen, " dien is het om zichzelf te doen. Hij ziet nu, dat hij als een dwaas heeft gehandeld. Hij veroordeelt zijn eigen onverstand, en vat zich nu in zichzelf saam om 't voortaan bezonnener aan te leggen. Een ezel stoot zich geen twee keer aan eenzelfden steen.
En ook daarin kan wel iets goeds werken in zooverre het een boozen tak aan den stam van ons leven kan doen afsnijden, en zoo ons innerlijk zuiveren, en de gezuiverde ziel allengs voor betere en hoogere indrukken ontvankelijk kan maken. Maar op zichzelf blijft het dan bij een aardsch bedoelen, bij eigen wijsheid, en gaat buiten God om. Ja, ook al gaat het gepaard met het gebed, of God hem voortaan beter op zijn hoede doe zijn, ook dit gebed dringt nog niet tot schuldbesef door. Niet dat hij zijn God voorbijgegaan is, maar dat hij zichzelf geschaad heeft, blijft dan voor zulk bidden het motief.
Maar heel anders werkt de pijnlijke ervaring van de gevolgen die gemis aan hooger levensere st na zich sleepte bij hem, die in de schuld valt.
Zulk-een voelt, dat zijn karakter een wonde heeft; dat er zonde in zijn verkeerde hebbelijkheid sloop; dat hij toegaf aan eigen aandrift en neiging; en dat hij zijn innerlijk bestaan niet getoetst heeft aan Gods heiligen wil. En dat maakt klein, dat doet in de schuld vallen, en als het dan tot bidden komt, dan is niet de eerste bede: o. God red mij uit de«e verlegenheid! maar heel anders: O, mijn God, vergeef wat ik misdreef.
Wie er zoo 'aan toe staat, voelt twee gevolgen. Het eerste is het lijden wat hij over zich haalde, en het tweede is de onvrede dien hij van Gods zijde over zich bracht. Meer nog, hij gaat dan in die bittere gevolgen een straf zien, en in die straf een reddende hand hem door zijn God toegestoken, om hem van zijn verkeerd innerlijk zielsbestaan te verlossen.
En zijn dan de bittere gevolgen weer geleden, en keert de ruste in zijn leven terug, dan komt er een toeleg om aan dit verzet tegen zijn God een einde te maken, den weg zijns Gods boven het eigen gekozen levenspad te verkiezen, en zoo dien vrede Gods in te drinken, die alle verstand te boven gaat.
Toch is ook hiermee het hoogste nog niet bereikt.
Nog hooger staat het, als zulk een dankt voor de bittere gevolgen die zijn zonde over hem haalde, omdat zijn God hem door die gevoelige straf van zijn zielskrankte verlost heeft. En dat is het wat in Leviticus heet: Dan zult gij aan de straffe uwer ongerechtigheid een welgevallen hellen.
Het is dan een operatie die aan onze ziel is voltrokken. Wel pijnlijk. Wel hard om te doorstaan.
Maar een kunstbewerking die we toch willen. Waar we zelf ons toe schikken en aan overgeven. En waar we Hem, die ze aan ons voltrok, voor danken.
Als op het slagveld de gewonden om behandeling roepen, is dit 't vreeslijkst, als er geen medische hulp bij de hand is. Dan liggen ze soms uren te beiden, onder heete koorts, terwijl het bloed hun uit de wonde leekt. En aller uitzien is dan maar, of de man die de operatie doen zal, nog niet komt opdagen. En komt die eindelijk, dan is er een vreugdegeroep, dat ze onder het mes gaan, en hebben ze een welgevallen in de kunstige hand die er het mes bij hen inzet.
En zoo ook is het dan bij zulk een in zijn ziel verwonde. Hij weet dat hij de pijn door moet, en dat alleen die pijn hem redden kan. Die pijn is dan de straffe zijner ongerechtig heid, die hij in de gevolgen van zijn zonde ondergaat. En die straffe, die pijn, doet zijn God hem aan, en door die straffe en door die pijn legt zijn Vader die in de hemelen is, het reddend verband om de wonde zijner ziel.
Ten slotte komt het zoover, dat hij die straf niet eens zou willen missen; dat hij ze zegent; en dat hij ze met innig welgevallen ondergaat.
Soms zoekt een misdadiger zijn straf. Meer dan eens is het gezien, dat een, die schuldig stond aan een verborgen gebleven misdrijf, zich zelf bij den rechter aangaf. Hij kon het loodzwaar wicht van zijn schuld niet langer dragen. Hij zocht het recht, hij zocht de straf, om in het dragen van zijn straf zijn schuld te boeten, en zoo zich met zichzelf te verzoenen.
Natuurlijk is dit niet 't zelfde, maar 't is er toch aan verwant.
Wie tot het inzicht komt, dat hij met zijn ondoordachte zondige hebbelijkheden eigen wil tegen Gods wil doorzette, voelt dat hij het recht, dat hij Gods recht heeft geschonden. Dat zijn zondig bestaan ongerechtigheid was. Daardoor treedt dan zijn straf voor hem in 't licht van een straf voor zijn ongerechtigheid. En nu, boe vaardig geworden, heeft hij er welgevallen aan dat hij die straffe dragen, en alzoo iets van zijn schuld boeten mag.
Niet alsof ooit die eigen boete hem den zoen bracht. Die zoen is alleen bij het Kruis te vinden.
Maar juist die straffe die hij zelf droeg, toont hem in een glans, als vroeger nooit voor hem schitterde, wat het zeggen wil, dat de Zone Gods om onze^ ook om zijn ongerechtigheden, is verbrijzeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907
De Heraut | 4 Pagina's