Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het referaat, dat Dr. J. van Lonkhuyzen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het referaat, dat Dr. J. van Lonkhuyzen

7 minuten leestijd

Het referaat, dat Dr. J. van Lonkhuyzen op de predikanten-conferentie te Amersfoort hield en waarvan we de stellingen reeds vroeger bespraken, zag sinds onder den titel Radicale Jinantieele scheiding van Kerk en Staat, het licht.

Wie dit referaat leest, zal ongetwijfeld hulde brengen aan den schrijver die in zoo kort bestek het ingewikkelde vraagstuk met zoo groote helderheid heeft uiteengezet en daarbij zoo uitnemend op de hoogte bleek van de litteratuur over dit onderwerp,

Ook kan de hoofdstelling van dit betoog, dat het grootste deel der gelden, die de Staat aan de Hervormde Kerk uitkeert, niet afkomstig is uit de kerkelijke goederen, die de Staat indertijd onder zijn beheer nam, maar uit 's lands penningen, kwalijk betwist worden. Dr. van Lonkhuyzen heeft dat met de cijfers overtuigend bewezen. En zelfs al gaat men met de door hem gemaakte t­ onderscheiding van kerkelijke en geestelijke goederen niet mee, dan nog bestaat er een gansch onevenredige verhouding tusschen wat rechtens aan de Kerken toekomt en wat de Staat thans aan de Hervormde Kerk uitkeert. Een feit, dat daarom te stuitender is, omdat deze rij'kstoelage feitelijk dient om de Hervormde Kerk in stand te houden, terwijl aan de Gereformeerde Kerken onthouden wordt zelfs waar ze rechtens aanspraak op hebben. Wil de Staat in de predikantstractementen voorzien, dan moet hij dit voor alle Kerken zonder onderscheid doen. Of schenkt de Staat dit privilegie slechts aan éen Kerk, dan dient evenals in de Zwitsersche grondwet te worden bepaald, dat alleen de leden van die Kerk voor deze belasting hebben te betalen. Zoo afek» wordt de eisch van het recht gehandhaafd.

Maar hoezeer we de juistheid van dit betoog erkennen, toch schijnt ons de voorgestelde oplossing, dat de Staat, na eerst aan de Hervormde Kerk te hebben uitgekeerd wat op grond der kerkelijke goederen haai: toekomt, alle verdere subsidie doe ophouden, ons niet alleen niet geheel billijk, maar ook practisch onuitvoerbaar.

Nu de Overheid eenmaal drie eeuwen lang (ieze bijdrage aan de Gereformeerde Kerken schonk, en rij als historische erfenis na de Restauratie aan de Hervormde Kerk te deel viel en door haar een eeuw lang ongestoord ontvangen werd, schijnt het niet billijk, deze subsidie haar plotseling en zonder schadevergoeding te ontnemen.

Maar ook al laat men dit in het midden, zulk een voorslag als Dr. Van Lonkhuyzen hier doet, zou dan alleen kans van slagen hebben, wanneer de broeders in de Hervormde Kerk er mee accoord gingen. Onze Gereformeerde Kerken zijn betrekkelijk te klein in getal, om zulk een actie te kunnen doorzetten. De felle oppositie, die in de organen der Hervormde Kerk tegen dit voorstel opstak, toont echter genoegzaam, dat deze „radicale scheiding" slechts als wigge dienst zou doen om de Christelijke partijen onderling te verdeelen. Alleen het liberalisme zou daarbij wol spinnen en de meerderheid kreeg zulk een voorstel in de Kamer toch niet.

Al blijven we voor „fiinantieele scheiding van Staat en Kerk" ijveren, er zal naar een andere oplossing gezocht moeten worden. Een oplossing, waarbij de „zilveren koorde" niet met een zwaardslag wordt doorgehakt, maar met wederzijdsch goedvinden wordt losgeknoopt. Anders wordt het doel toch niet bereikt en loopt de actie alleen uit op schade voor den invloed der Christelijke partijen in ons vaderland.

Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman heeft niet ten onrechte wat thans in Frankrijk geschiedt gebrandmerkt als den schandelijksten kerkroof, dien de historie heeft aanschouwd.

Dit is niet te sterk gesproken. Is het reeds ergerlijk, wanneer de Overheid, die eiken diefstal te straffen heeft, zelve zich aan het eigendom harer onderdanen vergrijpt, — te erger wordt dit feit, wanneer die roof niet het eigendom van particulieren, maar van de Christelijke Kerk geldt.

Zelfs bij heidensche volkeren stond op tempelroof dubbelzware straf. En hier komt de Overheid, die geroepen is om het recht te handhaven, zelf roof aan de Kerk plegen op reusachtige schaal, en ze maakt dien roof nog dubbel hatelijk doordat ze, zooals te Parijs, de kerkgebouwen aan goddelooze vrijmetselaarsloges of aan caféhouders verhuurt.

Of de Overheid nog, uit vrees voor opstand van de lang getergde bevolking, het grootste deel der kerkgebouwen voorloopig voor de godsdienstoefeningen overlaat, doet aan het feit der rechtsschennis niets af. Want de Overheid doet dit alleen alsgunst, en zoodra ze den volksgeest genoeg meester is geworden, zal ook die gunst wel worden ingetrokken.

Vergeet daarbij niet, dat de Overheid dezen maatregel nam volstrekt niet alleen, ten opzichte van die kerkgebouwen, die reeds bij de Fransche revolutie „nationaal eigendom" waren verklaard, maar evengoed van de kerken, die na dien tijd, geheel uit particuliere bijdragen en vrijwillige giften der Roonischen waren gebouwd, en het onrecht springt nog te scherper in het oog.

De Overheid in Frankrijk heeft, er is geen zachter naam voor te vinden, op de meest - brutale wijze diefstal gepleegd. Dat de Kamer dien diefstal wettelijk sanctionneerde, maakt dit feit eer stuitender en weerzinwekkender, dan dat het dit vergoelijken zou. En niet kras, niet ernstig genoeg kan door heel Europa geprotesteerd worden tegen een handeling, die de grondslagen van het recht aantast. Of deze roof de Roomsche Kerk. of welke andere Kerk ook geldt, verandert aan het feit niets. Wat heden de Roomsche Kerk overkwam, kan morgen de Protestantsche Kerk overkomen. Elke Kerk, die niet goed of kwaadschiks aan de meest tyrannieke bevelen der Overheid gehoorzaamt, kan op dezelfde wijze gestraft worden met berooving van haar goed.

Toch is' het niet alleen deze schennis van het recht, die om een protest roept. De Paus heeft in zijn jongste encycliek, die zelfs den protestant eerbied moet afdwingen door haar bezadigdheid en ernst, het te­ recht gezegd: de strijd in Frankrijk gaat niet tegen den Paus of de Roomsche kerk, maer tegen de Christelijke religie zelve. Het is dezelfde geest, die in de dagen der Revolutie snoeven deed, dat men den laatsten koning aan de darmen van den laatsten priester opknoopen zou, die thans in Frankrijk aan het woord is. En al werkt men thans niet meer als in de dagen dier Revolutie met schavot en guillotine, de vervolging draagt daarom geen minder bitter karakter. Een openlijke aanval, waarbij het bloed der martelaren vloeit, zou zelfs de voorkeur verdienen boven deze geniepige onderdrukking. Het openlijk martelaarschap wekt heilige geestdrift, doet de nobele geesten protesteeren, brengt de Kerk nieuwe volgelingen toe. Maar de stelselmatige achteruitzetting op politiek gebied van al wat den naam van Christus belijdt, het bannen der religie uit het volksonderr wijs, het berooven der Kerk van hare goederen, het uitwisschen van Gods naam uit eed en munt-randschrift, is een vervolging die veel moeilijker te verdragen is dan schavot of brandstapel.

De ernst van wat thans in Frankrijk zich afspeelt, lean daarom niet diep genoeg worden gevoeld. Slechts dwaze oppervlakkigheid kan meenen, dat deze storm alleen Frankrijk geldt en hoogstens voor de Roomsche Kerk gevaarlijk zou zijn. De historie leert, dat zulke uitbarstingen van haat tegen de Christelijke religie gewoonlijk niet tot éen volk beperkt blijven, maar als een wervelwind over de volkeren heen trekken.

Opmerkelijk is het dan ook, dat de liberale pers in België, Italië, Spanje en zelfs in Duitschland reeds, de maatregelen der Fransche regeering luide heeft toegejuicht. Engeland alleen komt nog tegen dezen kerkroof op. Maar de liberale pers ten onzent laat geen woord van protest hooren of geeft in haar buitenlandsche correspondenties — 6e. Maasbode wijst er terecht op — de Fransche regeering volkomen gelijk. Dit kan ook niet anders. De beginselen van het liberalisme zijn in Frankrijk en ons land dezelfde. En al loopt men daar wat harder van stal dan bij ons, bloed is dikker dan water en de famllietrek verloochent zich niet.

Groen van Prinsterer heeft met profetischen blik voorspeld: de tijd kan komen dat Roomsch en Protestant elkaar de hand zuUen reiken op den brandstapel door de mannen der Revolutie ontstoken. Met den somberen ernst van dat woord spotte men nitt. Wie op de teekenen der tijden acht geeft, weet hoe machtig de invloed is, dien de geest van den afgrond thans weer op de volkeren uitoefent.

Zij er daarom te meer gebed, te vuriger ijver om de christelijke grondslagen van ons volksleven te behouden, en te nauwer aaneensluiting van wat nog trouw bleef aan de Banier van het Kruis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Het referaat, dat Dr. J. van Lonkhuyzen

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's