Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Het slot van het referaat, dat Dr. A. Kuyper Jr. op de Diakonale Conferentie hield, luidde aldus:

III. Overwogen hebbende dat, volgens Gereformeerde opvatting, het karakteristieke van het diaconaat ligt in de kerkelijke verzorging der & rmen, en gezien hebbende, dat Gods Woord wettige grenzen aanwijst voor de bemoeiing der diaconie, staan wij thans voor de vraag: valt het schoolgeld van hulpbehoevende ouders, ten bate hunner schoolgaande kinderen, binnen of buiten die grenzen?

Nu staat één ding vast. Zulke ouders moeten geholpen worden. En schriklijk zou het zijn voor elk christenmensch, als zijn gierigheid of onverschilligheid oorzaak zouden zijn, dat de arme, die de christelijke school voor zijne kinderen begeerde, gedwongen zou worden, plaats voor zijne kinderen te zoeken in de openbare school, door Groen van Prinsterer een secre school van den anti-christ genoemd. Maar de vraag, of het de roeping der diaconie is, daarvoor te zorgen, meen ik ontkennend te moeten beantwoorden. Het wil mij voorkomen, dat het verleenen van suppletie van schoolgeld niet behoort tot het terrein van kerkelijke barmhartigheid.

Het gaat in dit geval niet om barmhartigheid te bewijzen aan ellendigen, die niet in hun noodit druft kunnen voorzien, maar om het betalen van schoolgeld. De diaconie komt tot de armen met een aalmoes, welke wel voor voedsel en deksel gegeven wordt, maar niet voor het laten schoolgaan der kinderen. Een aalmoes wordt gegeven om te laten leven, om te voeden, maar niet voor het opvoeden en laten leeren.

Is er hulp voor schoolgeld noodig, dan dient daarvoor gezorgd te worden door eene andere organisatie en op andere w ij ze. De diaconie ziet hare roeping begrensd door de zorg voor het levensonderhoud der armen. De school is geen zaak van het instituut der kerk, wel van de gekerstende maatschappij, van den christelijken levenskring. Uit dien levenskring en maatschappij moet de hulp komen voor de behoefte op haar gebied, in dit geval de school. Kerk en school zijn twee, stoelen op eigen wortel, leven op eigen territoir, en het is niet wenschelijk, dat deze grenzen van kerk en school door de diaconie verflauwd worden.

De vraag was niet, of het ongeoorloofd is, dat de diaconie het schoolgeld geeft, of zij eene zonde doet, bijaldien zij suppletie verschaft. Zij luidde: of eene diaconie het moet doen, niet of zij het mag doen. Wie zou in zulke gevallen aan het mogen een grens willen stellen! Als de kas goed gevuld is, en door vele uitgaven niet geledigd wordt; als de vloed van het geven niet gevolgd wordt door de ebbe van het vragen; als de springvloed van weldadigheid de kas zoo vult, dat de bodem niet is te peilen, wie zou dan de grenzen voor milddadigheid, weldadigheid en barmhartigheid kunnen en willen aangeven, waar de vermaning er ligt om wel te doen aan alle menschen.

Maar de vraag kwam ter tafel, omdat de werkelijke toestand van verreweg de meeste gemeenten !Óó is, dat de diakenen het zich afvragen, of zij de gemeente niet bezwaren, en zij de gave, die ze brengen, niet gaarne als «genoegzame hulpe" zouden willen posten in het boek der conscientie. En als het zoo is, dan ja, moet de diaconie staan naar wettige en schriftuurlijke beperking harer uitgaven, en dan mag ze zich geen weelde, ook niet de weelde der milddadigheid, veroorloven.

Het kan geen roeping en plicht zijn voor de diaconie, die behoort bij het instituut der kerk, om suppletie-gelden voor de school X.e%e^eii. Wan wie zou, als hij een vader aan schoolgeld voor zijne kinderen helpt, die gave een aalmoes willen genoemd hebben. Ongetwijfeld, eene diaconie mag het doen, als zij in weelde zich baden kan, en over schatten te beschikken heeft, maar ze mag het niet doen, als die uitgave haar er toe verleiden zou, om te kort te schieten in haar eigen kerkelijke roeping.

Bij dit negatief resultaat mag het niet blijven. Niemand uwer zou daar bevrediging in vinden. Wij wezen et dan ook op, dat wel hnlpe geboden moet worden, maar op andere wijze en door eene andere organisatie.

De diaconie is onderdeel van het instituut der kerk, de school komt op uit de christelijke maatschappij. De hulpe voor de school zelve, en de hulpe voor de armen der school (niet voor de armen der kerk I) moet dus in die maatschappij, in den christelijken levenskring gezocht en gevonden worden.

De christelijke school kan niet gratis onderwijs geven. Het schoolbestuur heeft den grond te koopen, den architect en de bouwlieden te betalen, den schoolmeester het tractement uit te keeren. Al komt er subsidie van het Rijk, de vele uitgaven der school gedoogen niet, zonder schoolgeld leerlingen aan te nemen Hoe moeten de »armèn der school" geholpen worden ?

Prof. Biesterveld, de zeer verdienstelijke hoofdredacteur van het Diaconaal Correspondentieblad, heeft in het Octobernummer van 1905, breedvoerig en principieel heel deze zaak behandeld, en de navolgende oplossing aan de hand gedaan. Z.Hooggel. schrijft:

»De zaak der suppletie moet door partic^ilieren worden behartigd. En dan dient allereerst op den voorgrond te staan, dat het suppleeren is: [een tijdelijk voorschot geven aan hen, die niet ten volle het schoolgeld kunnen betalen. Ik stel het mij namelijk zoo voor, dat iemand, zoolang hij de opvoeding zijner kinderen, hun kleeding, voeding en onderwijs, zoo geheel voor zijn rekening heeft, niet het volle schoolgeld kan betalen. Maar toch wel een gedeelte. Stel b.v. tien gulden per jaar. Dat doet hij dan ook, maar de rest wordt door het fonds aangevuld. Nu duurt dat tot de kinderen t4 jaar zijn. Dan gaat het juist andersom, en de kinderen beginnen iets ze verdienen, schoolgeld wordt althans niet meer betaald. Zijn de omstandigheden van het gezin overigens dezelfde gebleven, dan is er niets tegen, dat hij de som, die hij tot dusver aan schoolgeld betaalde, nu afdraagt aan het suppletiefonds, tot de gesuppleerde gelden zijn terugbetaald. Wanneer men dit aan de ouders voorhoudt, als zij voor het fonds worden aangenomen, zal dit han zeker billijk, en ook eervol voorkomen. Zij krijgen dan alleen een voorschot, dat, indien het kan, wordt terugbetaald. Gaat deze opvatting er in, dan zal dit .zeker de flnanciën tan het fonds leer ten goede komen, ja, menig fonds zou geheel uit den nood gered zijn. Bij velen zal het misschien niet gaan, door vermindering van inkomsten, ziekten, enz. Daarom moetende fondsen op andere manier ook veel steun genieten. Zij kunnen allereerst aankloppen bij hen. die geen kinderen van God hebben ontvangen, of geen kinderen meer hebben te verzorgen. Zij moeten, uit gevoel van saam-hoorigheid, dat wij geroepen zijn elkanders lasten te dragen, daar zij zelf geen zorgen hierover hebben, anderen de zorg helpen verlichten. En dat niet alleen. Immers, uit het beginsel, dat wij één lichaam zijn, volgt, dat wij mede voor elkander aansprakelijk zijn .... En eindelijk kan de kerk, en moet zij hier iets doen. Even goed als zij collecteert voor allerlei doeleinden, die niet in den engeren zin kerkelijk z ij n, maar bij wier rechte behartiging zij zoo veel belang heeft, kan zij ook geregeld collecte houden voor het suppletiefonds”.

Met deze gedachte: «instelling van zelfstandige suppletiefondsen", die niet kerkelijk zijn, kunnen wij ons van ganscher harte vereen'gen. Wij meenen, dat hier de zuivere oplossing gevonden is, om eenerzijds zeer zeker te helpen, maar anderzijds ook op de wijze, waarop zulks behoort.

Saamvattende de gedachten van dit betoog vonden wij:

lº, dat de diaconie zeer bepaaldelijk kerkelijke armenzorg is, hetwelk inhoudt, dat de armen verzorgd moeten worden, in zooverre als zulks roeping is van het instituut der kerk.

2º. dat de velerlei nood des levens de kerk, afgedacht van de vraag, wat zij in het afgetrokkene al niet zou mogen — noopt, zich te beperken tot hare eigen uitgaven, en zich niet te begeven op het gebied van wat eens anderen is.

3º. dat de school niet behoort tot het instituut der kerk, maar staat op maatschappelijk %taa.A%e bied, dientengevolge in de bestrijding harer uitgaven en in het hulpbetoon aan hare armen (de school-armen) geholpen moet worden door 't particulier initiatief van het vereenigingsleven, waarvan het zelfstandig suppletiefonds een onderdeel is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's