Leestafel.
Immanente kritik zur Kantischen Religions philosophie von Tjeerd Hoekstra. Kampen, J. H. Kok 1906.
In Duitschland bestaat de navolgings waardige gewoonte, dat iemand, die ter verkrijgicg van den doctorsgraad een dissertatie schrijft, daar achter laat afdrukken zijn curriadum vitae, het kort bericht van zijn levensloop.
Ook achter de inaugural-dissertation zur erlangun^ der Doktorwürde der hohen Philosophischen Fakultat der RuprechtKarls Universitat zu Heidelberg vorgelegt von Tjeerd Hoekstra, vindt men zulk een curriculum vitae. Dit nu maakt, dat de schrijver van dit voortreffelijk akademisch proefschrift al terstond een rnin of meer bekende voor u wordt. Met het oog op den innigen samenhang tusschen 'n mensch en zijn werk, ïs een dergelijke bekendheid met den auteur van een geschrift in het algemeen en dus cok van een dissertatie, zoo niet altijd, dan toch in zeer vele gevallen een voordeel. En in dit geval verkeert men met de Imma nente Kritik zur Kantischen Religionsphllosophie. Het is toch bij haar niet zonder belang te weten, dat haar opstdler den zosten December 1880 te Urk geboren, tot de Gereformeerde Kerk behoort; dat hij, na het gymnasium in Kampen te hebben afgeloopen, daar van 1899 tot 1903, dus vier jaren, gestudeerd hetft aan de Theologische School der Gereformeerde Kerken; dat hij, na aan die school het can didaats-examen in de Theologie te hebben afge legd, vijf semesters, dus twee en een half j lar, Philosophie in Heidelberg heeft gestudeerd; en dat de, door zijn Praeludiën en handboeken, ook tenonzent bekende opvolger van Kuno Fircher, Wilhelm Windelband, daar in Heidel berg, juist de professor is geweest, welken hij voor diens „vielzeitige Föfderung und Anregung" in zijn wijsgeerige studie inzonderheid te danken heeft.
Wat dit alles nu te weten, met deze dissertatie te maken heeft, waarom dit bij de Immanente Kritik van belang is, zal straks blijken wanneer ik in breede trekken haar inhoud heb geschetst.
Eerst iets over den titel. Hoekstra koos dien met het kennelijk doel om aan te duiden, dat zijn beoordeeling van Kant's wijsbegeerte van den godsdienst, binnen de grenzen van het Kantianisme of van het Kriticisme blijft. Op een wijsgeerig stelsel toch is tweeërlei beoordeeling of critiek te oefenen. Of gij kunt dat doen van uit uw eigen beginselen, of gij kunt dat doen van uit de eigen beginselen van den wijsgeer, wiens stelsel gij beoordeelt, en dan rust de taak op u, aan te wijzen, dat de deelen van dat stelsel al of niet met de beginselen er van overeenstemmen. Het laatste nu is immanente kritiek.
Het wil mij voorkomen, dat een Nederlandsch student van Gereformeerde beginselen, die in het Heidelberg van dezen tijd, met een doel als de heer Hoekstra zich stelde, aan de hooge philosophische faculteit aldaar, voorlegt een academische verhandeling over een onderwerp als de ReligionsDhilosophie van Kant, blijken geeft van levenswijsheid, door zich alsdan slechts te bepalen tot een immanente critiek. Bij eene naar onze beginselen, zou hij toch, al schreef hij even correct Duitsch als de heer Hoekstra, minstens het gevaar loopen een voor hen, die het allereerst moeten beoordeelen, onverstaanbaar werk te bieden.
Na een Einleitung (9—12) geeft Hoekstra vier hoofdstukken. i.DasBöse. 2. DieErlösung. 3. Die Kirche. 4. Das Gesamtwesen der Religion. Heet Kants philosophie, in tegenstelling met dogmatisme en scepticisme, kriticisme, zij draagt dezen naam omdat zij voor alles een onderzoek instelt naar de mogelijkheid, den oorsprong en de grenzen der menschelijke kennis. De Koningsberger denker heeft dit gedaan in zijn hoofdwerk de Kritik der reinen Vernunft, die het eerst in 1781 verscheen en waarvan hij zes jaar later een veranderde editie gaf. Aan dit hoofdwerk sluiten zich aan de Kritik der Praktischen Vernunft uit 1788 met haar moraalphilosophie en de Kritik der Urtheilskraft uit 1790 met haar esthetika en teleologie naar de beginselen van het kriticisme.
Nu heeft Kant, waar 'n philosophie om volledig te zijn zeker niet buiten kan, ook het verschijnsel van de religie binnen den kring van zijn wijsgeerig onderzoek getrokken en de resultaten daarvan op schrift gebracht. Hij heeft dit gedaan in een werk dat in vier stukken, waarvan het eerste reeds in 1792 het licht zag, in 1793 onder den titel: Die Religion innerhalb der Grenzen der blosen Vernun/t, - verscheen. Die vier stukken zijn: i. über das radicale Böse in der menschlichen Natur. 2. Von dem Kampfe des guten Princips met dem bösen um die Herrschaft über den Menschen. 3. Der Sieg des guten Princips über das böse und die Grundung eines Reichs Gottes auf Erden. 4. Vom Dienst und Afterdienst unter der Herrschaft des guten Princips oder von Religion und Pfaffenthum. Behalve dit werk komt dan.voor Kants Religion philosophie ook nog in aanmerking: £> er Streit der Facultiiten uit 1798 en daarin inzonderheid de eerste Afdeeling: Der Streit der philosophischen Facultat mit der theologischen. Had Kant, reeds in zijn drie „Kritiken, " van het standpunt van zijn kriticisme, zijn religionsphilosophische beginselen uiteengezet. Hoekstra wilde nu onderzoeken in hoeverre Kants wijsbegeerte van den godsdienst, die in de twee zoo evengenoemde werken voor ons ligt, met diens beginselen overeenstemt. Hij stelt daarbij voorop, en laat dus den wijsgeer recht wedervaren, dat men er diens wijsbegeerte van den godsdienst vooral niet op mag aanzien als uit zijn kritische beginselen met logische noodzakelijkheid afgeleid. Kant zelf toch heeft dit allerminst bedoeld. Het was hem niet te doen om een zui vere Rede-religie in systematischen samenhang met zijn kritisch idealisme te geven. Zijn boek heet hij dan ook opzetttelijk niet: Religion aus blosser Vernuft, maar wel innerhalb der Grenzen, der blossen Vernunft. Niet de weg der logische deductie, maar de historisch-kritische is hier door Kant gevolgd. Hij wil, zoo zegt Hoekstra - en wie Kant's Religionsphilosopaie kent, zal het hierin met hem eens zijn - uitgaan van een positieve (van de Christelijke) religie en dan nauwkeurig onderzoeken, hoeveel van haar door zuivere Rede als vernunfgemass kan aangenomen worden. Hij wilde, zoo als hij zelf zegt in den Streit der Facultiiten (Ed. Hartenstein) • VII. p. 324, in zijn Religion innerhalb d^r Grenzen der blosse Vernunft, „nur dasjenige was im Text der für geoffenbart geglaubten Religion, der Bibel, auch durch blosse Vernunft erkannt werden kan, [hier] in einem Zusammenhange vorstellig machen.”
Eens en voor goed nu heeft Hoekstra, en dit acht ik de blijvende beteekenis van zijn dissertatie, aangetoond, dat Kant bij de uitvoering van dit plan aan zijn uitgangspunt niet getrouw is gebleven. In haar vier hoofdstukken, wordt telkens methodisch aangewezen, hoe Kant een compromis de et ontstaan tusschen zijn criticisme en de dogmatisch bijbelsche leerstellingen van het historische Christendom; hoe dit echter een compromis is, waarbij èn wat in de kritieken is geleerd zich een wijziging moet getroosten, èn de Christelijke leerstellingen van haar zuiverheid moeten inboeten.
Voor dit ombuigen bij Kant van de kritische beginselen der wijsbegeerte van den godsdienst naar de zijde van het Christendom, zoekt Hoekstra de psychologische verklaring in de omstandigheid, dat Kant een Christelijke moeder had gehad, wier piëtisme zulk een diepen indruk op zijn jeugdig gemoed had gemaakt, dat toen hij haar op zijn 13de jaar verloor, met haar beeld ook de hoogachting voor het Christendom in zijn ziel bleef.
Ik kan mij niet anders voorstellen, dan dat dit proefschrift onder wie in Nederland belang stellen in het wijsgeerig bedrijf, tal van lezers zal vinden en blijven vinden, en dat vooral ook na de sympathieke bespreking er onlangs door Utrechts oud-hoogleeraar v. d. Wijck, in Onze Eeuw over gehouden.
En nu kom ik weer terug op het belang van bet aan deze dissertatie toegevoegde curriculum vitae voor hare lezers.
Allereerst geeft dit ieder lezer van het werk een, zij het ook bescheiden, antwoord op de vraag, die vanzelf bij hem zal opkomen, wie de schrijver is, zoo rijk, gelijk onze oostelijke naburen zeggen, talentirt, van dit proefschrift, hetwelk niet als vele zijner soortgenooten bestemd is voor een ephemeer bestaan en waaraan dan ook, gelijk men reeds weet of dan nu weet, te Heidelberg zoo hooge waarde is toegekend, dat er met bijzonderen lof de graad tan doctor philosophie op verleend is.
Maar bovendien heeft dit curricuium voor sommige lezers ook nog het belang van een wetenschap te bieden, die hen kan doe twijfelen aan eigen muurvast staande denkbeelden op het stuk van het milieu, waarin 'n mensch al zoo moet zijn geboren en opgevoed om 'n denker te worden. Voor anderen biedt het een wetenschap, die een even heilzamen twijfel kan wekken aan hun voor-oordeel, dat wijsgeerig en calvinistisch een contradictoire tegenstelling is. Voor nog anderen eene die, wijl Hoekstra, omdat hij het anders in vijf semesters te Heidelberg nooit zoover zou hebben gebracht, in Kampen een degelijke propaedeuse moet hebben gehad, er hen toe kan brengen om hun meening, dat wijsgeerige propaedeuse voor een man van wetenschap maar overbodige weelde of wel noodelooze kwelling is, nog eens te herzien. Van dit laatste stel ik mij echter, wijl een voorstander van dit wanbegrip gemeenlijk het wijsbegeerig bedrijf „uytlacht met een lodderoogh" en de Immanente Kritik alzoo onder hare legers niet velen van dit slag zal vinden, reeds daarom niet te veel voor. En eindelijk heeft voor ons als gereformeerden het curriculum belang, omdat wij er den schrijver van deze dissertatie uit leeren kennen als een lid onzer eigen Kerk; en wie als hij, ook op wetenschappelijk gebied, den splendor Ecclesiae verhoogt, heeft aanspraak op den dank harer kinderen. Laat mij aan het curriculum nog mogen toevoegen, dat Dr. Tjeerd Hoekstra thans gehuwd met een dochter van Prof. Lindeboom en predikant te Hazerswoude is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1907
De Heraut | 4 Pagina's