Leestafel.
H. S. S. KUYPER: Van het Licht, dat schijnt ^ de Duisternis. Een bundel Schetsen. La ivière en Voorhoeve. Zwolle.
Mej. H. S. S. Kuyper, die ook Brieven uit usland schreef, vond voor haar literaire proucten van een ander genre, voor haar Schetsen f en toe een onderdak in Timotheus, De Heraut n Hollands Kerkblad. Elf er van, waaraan zij, oo als ze zelf met charmeerende openhartigeid vertelt, overal veranderingen, als verbete ingen bedoeld, aanbracht; die ze bier en daar elfs geheel omwerkte - 't is dus wèl geacheeerd werk - heeft ze, met nog drie nooit roeger gepubliceerde, thans met elkaar tot een undel verbonden, en voor dien bundel koos zij Van het Licht, dat schijnt in de Duisternis, als titel.
Zijn er zoo enkele auteurs, die voor het uitdenken van gelukkige titels een don blijken te hebben, van tot zulke bevoorrechten te behooren, geeft Mej. Kuyper met deze haar titelkeuze nu geen bepaald blijk.
Als titel toch is Van het Licht dat schijnt in de Duisternis te veelzinnig, om duidelijk, om distinct te zijn.
Een bewijzend teeken, dat de geachte schrijfster en ik het hierin goed eens zijn, is mij haar voorwoord, waarin zij het noodig acht haar thel nader te verklaren. Daar toch vertelt ze met zooveel woorden, dat het licht, dat schijnt in de duisternis, is: het licht van troost - het licht van genade - het licht van recht - het licht van verklaring, dat schijnt in de duisternis van lijden - van zonde - van onrecht - van raadselen.
Het bezwaar van de onduidelijkheid is daar door zeker ondervangen, maar nu doet zich een nog grooter op. Deze dus nader verklaarde titel, wekt groote verwachtingen bij u op; zoo iets van 'n poging tot oplossing van werelden levensraadselen; misschien wel een Theodicée. Maar als ge de Schetsen nu vluchtig inziet, dan merkt ge al dadelijk, dat ze zoo hoog niet staan en zoo diep niet gaan.
Doch, welwillend lezer als gij zijt, gaat gij hst nu over een anderen boeg gooien. De düs verklaarde titel is dan zeker bedoeld om de hoofdgedachte, welke in de schetsen nader is uitgewerkt, des te beter te doen verstaan; een soort thema, een Leitmotiv.
Gij begint weer met nieuwen moed. Zooveel hebt ge er al van begrepen, dat de volgorde waarin de Schetsen voorkomen, niet dwingend is.
Daar valt uw oog op: Een "bezoek aan h atelier van Jozef Israels, Eene van de drie nieuwe.
Ge wordt nieuwsgierig. Over welke duisternis met daarbij behoorend licht zal het hier nu gaan?
Ge leest van Israels' huis, van zijn atelier, van wat hij alzoo zegt, maar de Schets is haast uit, als ge nog altijd maar niet begrijpt, wat dit alles nu te maken heeft met het licht, dat schijnt in de duisternis.
Eindelijk, daar komt het licht der verklaring in de duisternis van dit raadsel. Israels had onder meer gezegd: „Als ik een Rembrandt fie, dan behoef ik niet eens te zien of er zijn naam onder staat." En ook, „Wie zelf schilder is, ziet een persoonlijkheid in een schilderij, herkent den schilder aan zijn handschrift.”
En nu verzekert ons de schrijfster op een der laatste bladzijden van deze Schets: „Toen was het mij, als viel er plotseling uit 'sMeesters woorden een lichtstraal op een punt, dat mij, zoo niet duister, dan toch wel donker was." En wat was dat nu?
Wel, zoo als het Israels gaat met een schilderij van Rembrandt, zoo gaat het ons, Gods kinderen, met de Schrift.
Een redeneering aUoo door analogie, eene waarmee men echter altijd hoogst behoedzaam moet wezen. Of nu bij deze de voorzichtigheid in dogmatisch opzicht wel betracht is, waag ik te betwijfelen, maar ik laat het liever rusten. Daa, om bij mijn onderwerp te blijven, wordt nu in deze Schets een lezer, die in den titel: Van het licht, dat schijnt in de Duiiternss een thema of Leitmotiv meende te oütdtkken. niet een weinig teleurgesteld ?
Ik hoorde onlangs een niet ongeesiige opmerking van een bestrijder der materialisten, en wel deze: Dat de heeren met het bewustzijn geen raad v/etend, dat maar als met een touwtje er aan vastknoopen. Wie lust heeft in analogieën, kan hier zijn hart ophalen.
En niet alleen bij deze Schets, maar ook bij enkele andere wordt de argelooze lezer, die aan den tite! een soort vingerwijzing tot recht verstand van de Schetsen meent te hebben, teleurgesteld. Zoo b.v. bij öiit waarvan het opschrift is: Wie Mij belijden zal voor de menschcn en waarin het gaat over een tienjarig kiod van . een vrome moeder, dat op haar „eerste avond partijtje" onder kindertjes van wereidsche ouders komt. Moeder heeft haaringeprént wat als opschrift boven het verhaaltje staat. De kinderen gaan spelletjes doen. Een dik kind met zx^art haar en een gebogen neus — bij dit laatste kenteeken vermoed ik, dat de schrijfster wil, dat wij zullen denken aan een Jodenkindje — stelt voor een nieuw spelletje. „Iedereen neemt eer. papiertje met een potlood. Daar schrijf je dan op wat je lievelingsboek is". Ze moeten het doen met een veranderde hand, en de anderen moeten dan raden wie het geschreven heeft. Gedachtig aan wat moeder had gezegd, schrijft ons kleintje dan met bevend handje in drukletters: De Bijbel...
Maar ik zou aan de geachte schrijfster van dezen bundel geen recht laten wedervaren indien ik ook niei zei, dat er Schetsen zijn waarin haar nader verklaarde titel wel degelijk leidende gedachte is. Zoo b.v. de eerste met het op schrift: Dag, Nacht en Morgen. Dat is van een arbeiderskiadje, dat op den landweg door een eigen-equipage zoo wordt overreden dat bet meteen dood is; op een anderen dag in zijn doodkistje wordt gelegd; en aan welks grafja de ouders op nog een anderen dag een bezoek brengen. Het licht, dat voor dezen dan in de duisternis van hun lijden schijnt, is wat de Schrift ons openbaart omtrent de opstanding des vleesches.
Het zwakke punt bij dit soort van de veertien Schetsen is echter, dat de schrijfster ons uit sluitend laat zien: hoe het wezen moet bij een geloovige, maar niet: hoe het komt.
Die ouders wier kindje door de onhandig heid van zoo'n koetsier om het leven kwam doen zoo heel anders dan 'n mensch onder der gelijke omstandigheden gewoon is. Als het arme moedertje bij het kistje staat waarin Roosje ligc, zegt ze wel: „O waarom heeft God het gedaan ? " maar dan zegt terstond Jan, haar man: „Zóó mocht ze niet spreken - als ze zóó gestemd was, dan mpest ze op de knieën voor God. Wou ze wel bidben ? Ja ? Dan zou hij haar nu maar alleen laten, dat was misschien beter". En bij hun bezoek aan het kerkhof redeneeren zij er over; dat begraven eigenlijk zaaien is en dat ze dus niet moeten treuren.
Maar zóó vlak en zóó glad gaat het toch in de werkelijkheid niet toe! Zeker straalt er uit Gods bijzondïte open baring voor de geloovigen een licht in de duisternis van het leven, maar wat dus voorwerpelijk is, moet telkens, en dat vaak door veel strijd en worsteling heen, onderwerpelijk toegeëigend.
Ook de geloovige, ook de mensch, die den Heere vreest en luistert naar de stem van zijn knecht, heeft oogenbUkken en zelfs lange, bange tijden waarin hij „in de duisternis wandelt en geen licht heeft", zooals het bij Jesaja heet.
Daarom is ook de tegenstelling, die de schrijfster in haar titel-verklarend-voorwoord maakt, veel te absoluut. Zij laat daarin een wijze veelweter, die niet gelooft en een geloovige, die wijzer is dan hij, over de duisternis op deze wereld redeneeren. De eerste zegt, dat er niets is dan duisternis, maar de tweede zag het licht, dat schijnt in de duisternis. „En hij wandelde voort met opgeheven hoofde, want de duisternis deerde hem niet." Maar zoo is het toch niet!
Wie ter wereld heeft ooit zoo'n ongeloovige en zoo'n geloovige ontmoet?
Ook’n ongeloovige tcch ziet in de duisternis wel eens licht. Onze Canones van Dordt III en IV § 4 moet men daarop maar eens nalezen waar zij handelen over „het natuurlijk licht, dat na den val in den mensch nog overgebleven is".
En insteê, dat een geloovige inaar „voort wandelt met opgeheven hoofde, omdat de duisternis hem ni9t deert", maakt die duisternis hem meer dan eens in zijn leven zóo jammerlijkellendig, dat hij dan kruipt als een worm.
De titel vóór dezen bundel is voor deSchetser zelf 'n ongeluk. Maakt men ze echter maar van dezen titel los, dan zijn het op zichzelf stukjes, waarin de vrome zin van de schrijfster u weldadig aandoet. De stijl is die van een dame van stand en gesoigneerde opvoeding. Schilderes met woorden, zoodat ge dingen en menschen te zien krijgt, is deze schrijfster hier niet, maar ze vertelt prettig, en ook van dingen waar een gewoon mensch zoo niet achter is.
Geen moeder onder ons behoeft de lezing van dit boek aan haar dochters te verbieden, integendeel moet zij bij haar aandringen het tejezen. Inzonderheid voor onzejongedochtersvereenigingen is het een hoogst passend boekje; goed bedoeld, lief van toon; een boekje waaruit zij veel stichting kunnen rapen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1907
De Heraut | 4 Pagina's