Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Pro hege

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pro hege

18 minuten leestijd

VI.

En zij hebben geen rust dag noch nacht. Openb. 14: II.

De alzijdige beheersching die we over de krachten der natuur erlangden, heeft 's menschen machtsgevoel te sterk geprikkeld; daardoor zijn gevoel van afhankelijkheid op bedenkelijke wijze verzwakt; en dit moest wel uitloopen op demping van het reiigieuse leven, op inkrimping van de sfeer der vroomheid, op daling van den warmtegraad in veler Godsvrucht. Hierin ligt de grondoorzaak van het religieus verval en van het hand over hand toenemend ongeloof, en daarom moest dit voorop staan. Maar toch, in dit overwicht en in deze overmacht over de natuur ligt niet de eenige oorzaak van de sterke ebbe in den golfslag van het religieuze leven. Er komt uit die verovering van macht op de natuur nog zooveel meer voort, dat aan de religie afbreuk deed. Vestigen we in de eerste plaats de aandacht op het teloor gaan van die rusten die stilheid, waarin eertijds het leven der vroomheid zoo welig ontlook.

Van de verlorenen in hun verderf heet het in het Boek der Openbaring: en zij hebben geen rust dag noch nacht"; en zulks in tegenstelling met de heerlijke belofte: dat er een ruste overblijft voor het volk van God". Telkens en telkens weer wordt in Gods Woord op het kostelijke van rust voor ons gejaagd en gefolterd hart gewezen. De Sabbat ? iXs dag der ruste\s: > v rythmisch eiken zevenden dag stilheid in het leven brengen, en zoo schoon zegt onze Catechismus dat hierin voorsmaak is van den eeuwigen Sabbath bij God. „Een droge bete en rust daarbij" scheen aan deii Spreukendichter een begeerlijk lot; en de Prediker hernam: Een handvol met rust is beter dan beide vuisten vol met arbeid en kwelling des gcestes". In het lied van den goeden Herder zingt de Psalmist: Hij leidt mij zachtkens aan zeer stille wateren." In bet klaaglied over Jerusalem heet het: Mijn oog vliet van tranen, omdat er geen ruste is", en Barucfa weeklaagt bij Jeremia: Ik ben moede van mijn zuchten en vind geen rust. De apostel van Tarsen lijdt bij zijn omzwerven o, zoo bitter onder 6aX gemis aan rust voor geest en lichaam (2 Cor. 2 : 12 col!. 2 Cor. 7 : 5.) En was onder de profetie reeds tot Israel gezegd: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking" (Jes. 28 : 12), in Christus verscheen onze vrede, en daarom kon hij 't ons toezeggen: Leert van mij dat ik nederig en zachtmoedig ben, en gij zult ruste vinden voor uwe ziel."

Niet alle rust, waarop hier gezinspeeld wordt, is' gelijk. Het diepst gaat de ruste, die in het verborgene der ziel de onrust van de woeling der hartstochten bezweert, en ons vrede met onzen God brengt. Dan komt de ruste, die ons verlost van den onvrede dien menschen ons aandoen. Al verder is er ruste van het jagen van het lot, dat ons achtervolgt, 'tzij onder de bitterheid van onzen vijand 'tzij onder de hardheid van teleurstelling, smartelijk verlies of krankheid. Voorts is er de ruste, die den twijfel in ons hart bezweert en stilheid aanbrengt in de wereld van ons denken, zinnen en verbeelden. En van de ruste reeds hier op aard genoten, klimt het dan op tot de hoogere fust van den eeuwigen Sabbath in het Vaderhuis van onzen God.

Maar in wat graad of vorm, onder wat storm of gejaagdheid, van binnen of van buiten, de onrust, de woeling, de onvrede ook onzen geest overmant, altoos weer komt uit het diepst onzer ziel het heimwee naar fuste, naar vrede, naar stilheid op. 't Bangst teekent zich dit voor ons in den waanzinnigen, in den ontroerden, in den altoos gespannen en overspannen menscb, die ten slotte zich zelf en zijn God vergeet, en in zelfmoord «itkomst zoekt. Zoo als Jezus 't van de bezetenen zegt, dat ze dolen in de graven, toekende naar rust, zoo en niet anders i het woelen van 'smenschen geest, die altijd voort moet, nooit stil wordt gelaten, en die innerlijk verteerd wordt door dorst, door 'longer, door snerpend heimwee om tot rust te komen. En vooral in het Oosten, waaruit ^e Schrift tot ons kwam, is die honger en tiegeerte naar stilheid en rust voor den ontzetten geest, karaktertrek van alle volk.

Na den dag komt de nacht, als God 't «cht voor ons uitdooft, en vale, lange schaduwen over onze steden en dorpen trekt. En met die nachtelijke ure, en de donkerheid waarin ze 't leven hult, komt dan de 'uste van den slaap. Een rythmisch omen omgaan van ons leven, waarin de goeder' tierenheid onzes Gods een nieuwe genade *an zqn menschenkind schenkt. Als het oog gesloten wordt, en onze vermoeide leden zich uitstrekken, en de gejaagde geest in zelf be-' dwelming ondergaat. Een ruste van den slaap voor het derde deel van ons aanzijn. Wie sterft als hij negentig jaren heeft bereikt, brengt een kleine dertig jaren in die ruste des slaaps door, en in dien slaap komt zijn herbezieling, zijn verkwikkingen de wedergeboorte van zijn verloren kracht. Ja, zelfs het stille graf bezit in de ruste die het aanbrengt, een zoete aantrekkelijkheid. Wat Marnix als devies koos. „De rust hierna", „repos ailleurs", vertolkt zich op den lijksteen ia het „Hier rust". Altoos, op alle manier, en in allerlei toon uiting van die niet te stillen begeerte, van dat schrijnend heimwee, van dien niet te lesschen dorst naar ruste. Ruste voor onze conscientie, een rusten van onze zonden, rusten van onzen arbeid, rusten van onzen medemensch, rusten van onzen vijand, rusten van het lot dat ons jaagt.

Op het platteland, waar de woeling der wereld op zooveel kalmer graad staat, vond het leven van den godsdienst steeds eci wijkplaats, als het in de groote steden door het geroep en getier gesmoord werd. Da dag des Heeren v/as juist door de ruste die ze op straat, in bedrijf en in het gezin bracht, steeds de dag waarop het godsdienstig leven nog 't meest tot zijn recht kwam.

In de kinderjaren, eer men de wereld ingaat, en in de jaren van den ouderdom, als men zich weer uit de wereld had teruggetrokken, viel het beluisteren van de hemelsche stemme altoos zooveel lichter, dan in de jaren van manlijke kracht, als men zich in den stroom van het volle leven had geworpen. De gewoonte die vooral in Rusland bestaat, om zich nu en dan voor enkele weken in een huis der afzondering terug te trekken, en dan alleen voor zqn God te leven, heeft in dat machtig rijk nog 't best den rijkdom van het mystieke leven beschut. Om zijn ziel voor zijn God uit te storten, zoekt onder alle volk al wie vroom is, nog altoos de eenzaamheid, en als men zich in de binnenkamer heeft teruggetrokken, en de deur gesloten is, en alzoo een plaatse en plek der ruste is gevonden, ontsluit de ziel zich in de tegenwoordigheid des Heercn voor het gebed. Zelfs is het opmerkelijk, hoe juist bij deschippers van onze binnenvaart, naar evenredigheid, nog zooveel vrome zin wordt gevonden. Immers ook zij zwalken, afgezonderd van de wereld, op de wateren om, en vinden in die afzondering een rust, die aan den vasten wal niet gevonden wordt.

En aan het genieten dier ruste hangt voor zoo aanmerkelijk deel het stille gedijen en zacht opbloeien van het leven onzer vroomheid. De kluizenaar, de zuilenheiüge, de kloosterbewoner, en wie zich terugtrokken in de woestijn, beoogden, in waï zonden ze ook vervallen zijn, nooit anders, dan zich uit de woeling en gisting der wereld terug te trekken, om in stilheid en in gebeden de gemeenschap met hun God te zoeken. Het was de poging otn door afzondering nog wel in de wereld te leven, maar als voor de wereld niet bestaande, en desnoods liever heel die wereld prijs te geven, dan door die wereld vaa de eeuwige ruste, van de ruste der ziel te worden beroofd. Het aX „eenzaam, maar met God gemeenzaam" wis ook onder Protestanten, die het klooster meden, de aanwijzing van den weg, die naar de stilheid van Gods SJOIS leidt.

Hiermede is niet gezegd, dat godsvrucht en vroomheid niet ook te midden van het meest gespannen leven zou kunnen bloeien. Het leven van een man als De Ruyter, of ook van Marnix vanSt.Aldegonde, toont 't v/el anders. Maar dan komt de vroomheid juist op uit de spanning der ontzettende verantwoordelijkheid, waarmee men zich ter ruste legt en waarmee men ontwaakt. Ook in de stormen en ook in het onweder is God te vinden, maar voor verreweg de meesten komt toch de ontmoeting met hun God eerst in het suizen der zachte koelte. Het stille leven kweekt vroomheid, rust van rondom doet 't reiigieuse leven ontluiken, en daarentegen, te midden van het heftig woelen en opbruisen van de wate­ s ren des levens, vindt de duive die uit wil vliegen, geen plek voor het hol van haar voet.

Bezie nu, met het oog daarop, het aanschijn der wereld en het beeld van het menschclijk leven, gelijk het door onze overmacht over de krachten der natuur thans geworden is, en ge zult het inzinken van het godsdienstig leven in de eeuw d(e achter ons ligt, ook uit dezen hoofde verstaan. Van de bewust-wedergeborenen spreken we nu niet. In hun leven werkt een hoogere kracht des Geestes, die tegen elke overweldiging bestand is, al lijden de zielen er onder. Maar de wedergeboren verkeeren in het Heiligdom, en thans spreken we alleen van de groote menigte die immers nooit verder kwam dan in den Voorhof. Die onafzienbare schare was in vroeger eeuwen ook zelve godsdienstig aangedaan; • - h' nu, zoo bijna over heel haar lengte en bieedte, van alle religieus meeleven vervreemd. En voor haar roepen we uw deernis in, waar gij op u-zelf ziende allicht tot het vellen van een hard oordeel over deze onvroomheid der schare zoudt neigen.

godsdienstig aangedaan; • - h' nu, zoo bijna over heel haar lengte en bieedte, van alle religieus meeleven vervreemd. En voor haar roepen we uw deernis in, waar gij op u-zelf ziende allicht tot het vellen van een hard oordeel over deze onvroomheid der schare zoudt neigen.

Wat toch is het verschil, het onderscheid, de tegenstelling van die massa der gedooptea tusschen toen en nu; wat is ze anders, dan dat de scherpst geprikkelde overgevoeligheid van het zenuwleven de vroegere kalmte en rust verving. Zie het aan onze krankzinnigengestichten, hoe ze steeds meer bevolkt worden; zie het op de lijst van zelfmoordenaars hoe ze zich steeds meer uitbreidt. Onrust in het denken, onrust in het gemoed, onrust in huis en bedrijf, altoos gejaagd, nooit tijd om kalm zijn arbeid te voleinden, aldoor het trillen ia ons bloed en in onze zenuwen van den electrischen stroom, die heel het leven in overspannen beweging zet. Bijna ieder van den vroegen morgen af uit huis gejaagd, zelfs da maaltijden door zooveien nooit meer aan den huiselijken disch genoten, en daardoor geen genieten meer van de huislijke gezelligheid, en geen sprake meer van zich saam om Gods Woord te verzamelen, als de dankzegging voor het genoten goed tot God zal opklimmen. Eertijds een eerste cordon van ruste om het huis, dan een tweede cordon van ruste om de p laats zijner woning, die men slechts een enkele maal in het jaar verliet, en ook waar men zich van huis bewoog, althans de vaderlandsche grens voor bijna allen een laatste cordon, een cordon van nationale ruste. En nu alle cordon van ruste verbroken. Met electrische draden stad en dorp, land en land verbonden. Rails doorloopend door heel een werelddeel. Het mailscbipalie'^srf.'i - ^norkraisend. Geen plaatselijke markt meci anders dan als behulp, geen markt in het land zelfs meer dan als hulpschakel, en alles saamgetrokken in een heel onze aarde omvattende wereldmarkt, waar ieder man van bedrijf of beroep mee te rekenen heeft. Zelfs tot één enkel werelddeel is ds actie niet meer te beperken. Europa en Amerika vormen éé» geheel van actie, en Afrika en Australië en Azië voegen zich in het alles voortstuwend en meezuigend gewoel. Op een dorp heeft men daar nog geen denkbeeld van, maar kom in een wereldstad, en zie hoe er de duizenden en duizenden dooreendraven, al den langen dag, al den avond bij schitterend licht, en zelfs nog een stuk van den nacht aan den v/oeligen dag toevoegend. Vroeger ten hoogste één post op heel een dag, nu tot acht, tien posten toe in één etmaal, u altoos met nieuwe berichten ea nieuwe vragen overstroomend. De telegraaf die u overstelpt met snelberichten. De telefoon die u van uw werk tot luisteren roept. Door de groote steden geen rustig wandelen meer, maar electrische trams die u opwachten, en in een ommezwaai van het ééne eind der stad naar het andere verplaatsen. Alles in haast, zonder u tijd tot nadenken te laten; snel inzien wat men u voorlegt, en onmiddelijk besluiten. Dan die vergaderingen en samenkomsten en vereenigingen zonder eind. Alle belangen die rekenen op uw steun en medewerking. Meeleven in de zaken, meeleven op de beurs, meeleven in de wetenschap, meeleven in de letterkunde, meeleven in de kunst, meeleven in de politiek. Gevierendeeld is heel uw existentie eiken dag. Geen deeling van uw arbeid meer mogelijk. Alles dooreenwoelend, met drie, vier zaken tegelijk besL^g op u leggend. En dan weer van huis, naar een vergadering elders, en als ge op zijt en niet meer kunt, op reis, om krachtsherstel te zoeken. Gelijk het blad dat in den herfst van de takken valt, en door den herfstwind rusteloos wordt voortgestuwd, zoo dwarrelend en vol onrust en in eindelooze gejaagdheid, gaat het leven van mannen van zaken in die groote wereldsteden, niet maar enkele dagen.maarjaarinjaaruitomen voorbij. Een tijdlang zocht men toen rust in bedwelming van drank, maar ook dit gaf geen bevreding, en nu is veeleer mijden van wijn en drank inzet in het leven geworden. Toch hongert men naar spierkracht, om het gespannen leven der zenuwen op te houden. De sport moet die meerdere kracht komen aanbrengen. Maar ook dit verhoogt de onrust. Rijwiel, monomotor, automobiel, straks de luchtballon of aëroplaan komen de spanning van het leven nog verhoogen. En zelfs op het terrein van land-en zce-oorlog is het leven van voorheen met de ontzettende machtsontplooiïng van thans niet te vergelijken. Wat een bemanning aan boord van een slagschip in de hitte van het gevecht doorleeft, is voor wie slechts over gewone zenuwen beschikt, zelfs niet in beeld onder voorstelling te brengen. Het wordt u beschreven als een voorpoorte van de hel.

Nu is er verschil tusschen zenuwen en zenuwen. Een volk als dat van Japan bezit een zenuwleven, dat bijna nooit trilt noch geschokt wordt. Het vormt het tegenbeeld van den neger, die veel sterker in zijn zenuwen trilt dan wij. En niet 't minst maakt juist die gehardheid van het zenuwleven den Japanschen soldaat en de Japansche matroos zoo ongemeen sterk in den tegenwoordigen oorlog. Wij, Europeanen, nemen onze plaats tusschen die beide uitersten in. Niet zoo prikkelbaar als de neger, maar driemaal gevoeliger in ons zenuwleven dan de Mongool, En in het midden en westen van Europa lijden we nog veel meer van ons zenuwleven, dan in het Oosten. Ook lette men er op, dat deze gevoeligheid en prikkeibsarheid der zenuwen door de generatie in de geslachten toeneemt. Geboren uit ouders, die reeds slachtoffer van deze hooge zenuwspanning waren, wordt het kind reeds in aanleg gevoeliger geboren. Gaat dit zoo door, dan zal in twee, drie volgende geslachten, de geprikkeldheid van het leven een onrustbarende hoogte bereiken. Iets wat een Fransch schrijver reeds de profetie ontlokte, dat de wereld eindigen zal met enkel door waanzinnigen bewoond te zijn.

We verontschuldigen daarom het gemis aan godsdienstzin bij de groote menigte ganschelijk niet. Een iegelijk, wie het ook zij, die niet vroom voor zijn God leeft, staat schuldig. Maar van de menschelijke zijde bezien, mag toch gevraagd, of ge zelfniet voelt hoe deze overspannen toestand van het hersen-en zenuwleven, aan de kweeking van godsdienstzin en algemcene godsvrucht op ongelooflijke wijze in den weg staat. Men woont klein; eea eigen binnenkamer voor het stil gebed is er niet meer. Huiselijke godsdienstoefening viel weg, of er is geen tijd om ze bij te wonen. Zondags wil men inhalen, wat oar.fgedaan bisef, of zoekt verademing en ontspanning in de natuur. Voor het zich rustig neerzetten onder de prediking des Woords is het trillen van het zenuwleven te sterk. Nooit komt men tot ruste. Er is geen plaats, geen tijd tot afzondering, Aan inkeeren in zichzelf kan niet gedacht worden. Alles jaagt en stormt door hoofd en hart. Van alle zijden wordt op elk vermogen van ons gevoelen endenken zoo onophoudelijk beslag gelegd, dat er geen oogenblik rest, om de ziel tot God op te heffen. Al dichter nevelen trekken voor de wereld van het eeuwige op. Hetlichtop aarde schittert zoo hel en fel, dat het opzien naar Gods starrenhemel aan het firmament in onbruik raakt. Niets imponeert meer. Men is zelf zoo machtig, en de wereld om ons heen is zoo vol van overmacht, dat er naar den Almachtigen Oorsprong aller dingen niet meer gevraagd wordt. De conscientie spreekt nog wel, maar bij het rumoer der wereld wordt haar fluisteren overstemd. En dan komt als reactie der overspanning de wilde, de verbijsterende lach, en met den lach de spot, en als men sterft, nu ja, dan zal dat rusteloos jagen uit zijn. En daarom, een dood zonder eeuwigheid die er op volgt, lijkt schier begeerlijk. Dan komt het wegzinken in het eeuwige niet. En dat is het dan, waar men, half-buddhistisch, naar hunkert.

Merkt maar de drie geslachten, die in opvolging van jaren u omringen, en ge ziet de steeds voortgaande religie-verwoesting. Onder alle drie deze geslachten, evenals voorheen, en door alle eeuwen, een schare van volstrekt onverschilligen, laagstaande karakters, alleen op geld en zingenot bedacht. Die tellen niet mee. Ze hebben nooit den toon aangegeven, en doen het nog niet. Maar neem nu onder die drie geslachten de hoogerstaande, de betere familiën, de lieden van edeler zin, en wat ontwaart ge dan, ' Dit, dat onder het ouder geslacht, dat nu naar het graf op weg is, nog zeker overblijfsel van vroegeren godsdienstzin voortleeft. Onder die ouderen van jaren is men niet meer zoo rechtzinnig als voorheen, maar geheel los van het Woord zijn ze toch nog niet. Er wordt in hun woning nog gebeden. Ze prenten hun kinderen nog eerbied voor het heilige in. Gods zegen is hun nog onmisbaar. Ze gelooven nog aan zijn Voorzienig bestel. Ze hebben nog reiigieuse idealen. Wel verzwakt, verbleekt, tanend, maar toch er is in zulke familiën nog een zeker leven der religie. Doch reeds bij het tweede geslacht, dat nu in den mannelijkea leeftijd bloeit, wierd dit anders. Geen Bijbel meer, geen kerkgaan, geen sacrament gezocht, geen gebed meer aan tafel. Met dat alles heeft men afgedaan. Er is nog wel iets van eerbied voor het Heilige te bespeuren, maar dit lost zich bijna alles in ideale zedelijkheid op. En dan hoogstens nog iets mystieks. Ook wel spiritisme, of theosophïe, maar bij verreweg de meesten koude, koele, kille afstomping, Aan oefening van religie, aan het zoeken van Gods verborgen omgang wordt niet meer gedacht. En in klare onverschilligheid ziet ieder star voor zich uit op den weg, zonder schier ooit meer het oog naar boven op te heffen. En nog banger is het bij het derde geslacht, bij de jongeren die pas man gaan worden. Voor hen alle religie een zonderlinge eigenaardigheid van een kleine groep achterlijken. Wel interessant, die vreemde, eenzelvige menschen met hun kerkgaan en hun bidden. Ze spotten er niet meer mee. Het is nu eenmaal een interessant, nooit ondergaand verschijnsel van het leven. Maar zrj zelven hebben er mee afgedaan. Voor hen is de wetenschap alles. De wetenschap heeft 't uitgemaakt. Bij haar licht zal men wandelen. Zij zal ons 't ideaal aangeven. De oude tijden met hun legenden, en mysteriën, en droominbeeldingen zijn voorbij. Voor ons is 't moderne leven. En de moderne mensch heeft wel gevoel voor edeler zin, wil wel 't menschelijke hooger opvoeren, leven voor een ideaal doel, maar de religie kennen ze niet meer. Zij is hun een uitgedoofd schijnsel. Een antikiteit, waarop de moderne mensch met den weemoed der nieuwsgierigheid terugziet.

Zoo ontplooit dan het leven om u heen zich steeds in duidelijker gestalte. Heer en Meester in plaats van slaafenslachoffer der natuurkrachten geworden, voelt hij zich niet meer afhankelijk, maar oppermachtig, en juist die macht over de natuur heeft heel ons menschelijk leven omgezet, uit zijn vroegere ruste tot een zenuwvernielende activiteit geprikkeld, en hierdoor uit het leven juist dat stille, dat rustige, dat vereenzamende, dat kalmeerende weggenomen, wat voorheen tot afzondering, tot indenking van zijn toestand en tot inkeer in de conscientie bracht. En het boos gevolg is, dat de religie, die buiten rust en stilheid niet kan, almeer het terrein verloor, waarop ze ook onder de niet-bekeerden eertijds bloeien kon. De »aachliije stroom van het moderne leven der wereld heeft allen wortel der religie losgewoeld, ontwricht en opgetild, en voert haar met zich als een aan den oever ontwortelden boom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro hege

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1907

De Heraut | 4 Pagina's