Het eene gedachtenisfeest
Amsterdam, 22 Maart 1907.
Het woord van Duitschland's Keizer, dat „een klein volk groot is zoolang het zijn groote mannen eert", heeft blijkbaar op ons anders zoo kalme en phlegmatieke voik indruk gemaakt.
Het eene gedachtenisfeest is niet voorbij, of het andere volgt. We hebben eerst Rembrandt gevierd, toen Da Costa, daarna Biiderdijk, thans de Ruyter, straks komt onze stadhouder Prins Willen III. En er is geen de minste reden, waarom daarmede de reeks zou zijn afgesloten. Holland is rijk genoeg geweest aan „groote mannen", om zich de weelde te veroorloven elk jaar een jubileum te vieren. Alleen vreezen we, dat de buitenlander ten slotte oordeelen zal, dat een klein volk nog grooter is, wanneer het groote mannen voortbrengt, dan wanneer het alleen zijn helden en kunstenaars uit het verleden eert.
Toch willen we daarom geen domper zetten op de feestvreugde, die met de herdenking van onzen grootsten zeeheld gaart gepaard. Holland heeft tegenover de groote mannen uit het verleden veel goed te maken. Vondel, den prins onzer dichteren, lieten Amsterdam's achtbre burgervaderen zijn levensdagen eindigen op de lommerd. Aan Rembrandt werd de schande niet bespaard, dat zijn inboedel wegens schuld werd verkocht en hij zelf in de armenklasse werd begraven. Voor Biiderdijk en Da Costa — om van hun nijpend geldgebrek te zwijgen — stond aan geen onzer Hoogescholen een professorale zetel open. En al gewerd de Ruyter bij zijn leven meer eer en glorie, niet het minst van buitenlandsche vorsten, het blijft een droeve smet op onze historie, dat de heeren der Admiraliteit den grijzen zeeheld met zoo zwakke vloot tegenover eci oppermachtigen vijand hebben gewaagd, dat zijn ondergang onvermijdelijk was, en een hunner, toen de Ruyter op 't gevaar wees, hem nog spottend toevoegde : „of hij op zijn ouden dag bevreesd werd en den moed vallen liet.'"
Een oude schuld heeft Holland hier af te doen. Al blijven we als Calvinisten afkeerig van den „eeredienst van het genie", het vergoden van menschelijke voortreffelijkheid, wanneer daarbij vergeten wordt dat alle talent en gave afdaalt van den Vader der lichten, toch willen we in bewondering niet onderdoen bij de wereld voor de groote mannen, die God ons vaderland schonk. Maar wat we in een man als de Ruyter vooral willen herdacht zien, is niet alleen zijn machtig talent, zijn trouwe plichtsbetrachting, zijn ootmoed en nederigheid, maar zijn ernstige godsvrucht. De Ruyter behoorde wel niet tot de strengste Calvinisten; met dogmatische geschillen liet hij zich niet in. Op politiek gebied gingen zijn sympathieën zelfs meer uit naar de partij der Staatsgezinden dan naar Oranje, ook al was hij voor alle dingen „dienaar van het hoog gezag". Maar het zou enghartige bekrompenheid zijn, wanneer daarom ons oog gesloten bleef voor het kinderlijk geloof, voor het vaste vertrouwen op zijn God, voor den ernst van zijn levenswandel, die de Ruyter sierden. Dat hij, de zoon van een eenvoudigen bierdrager uit Vlissingen, in armoede groot gebracht, een mo> n uit het volk, zoo ootmoedig, zoo klein en gering in eigen schatting, zoo kinderlijk geloovig is gebleven ook toen de hoogste eere hem werd geschonken, zijn naam door heel Europa met bewondering werd genoemd en hij de schrik was voor eiken vijand, getuigt van den adel van zijn karakter, meer dan de hertogtitel door vreemde vorsten hem verleend,
In hem eeren we daarom een der beste en nobelste zonen, wraarop ons vaderland trotsch kan zijn. De Ruyter heeft geen zeeslag begonnen zonder eerst in het gebed te gaan. Gods Woord was zijn trouwste raadsman. En na elke overwinning bracht hij den lof alleen toe aan God. Met strenge hand weerde hij van zijn vloot al wat tegen Gods gebod inging; ' geen dronkenschap, geen ontucht, geen vloeken werd geduld. En toch had hij zijn volk zoo lief en ging zoo trouwhartig met zijn manschappen om, dat de schoonste eeretitel van „Bestevaer" hem geschonken werd.
Ons volk zal dan het best de nagedachtenis van de Ruyter eeren, niet wanneer het gouden palmtakken op zijn praalgraf neerlegt en in feestredenen zijn lof uitbazuint, maar wanneer de geest die de Ruyters en de Tromps, onze grootste zeehelden, bezielde, weer op onze vloot machtig wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1907
De Heraut | 4 Pagina's