Een der grootste
Amsterdam, 29 Maart 1907.
Een der grootste dagbladen van Schotland heeft eenigen tijd geleden een eigenaardige eriquête geopend. Gevraagd werd wat de oorzaak was, dat zoovelen niet meer ter kerke gingen. Het antwoord op die vraag moest gegeven worden door den no-churchgoer zelf, d.w.7, door degenen die het kerkbezoek hadden gestaakt. En wie het beste antwoord inzond, zou een prijs ontvangen ter waarde van vijf en twintig gulden.
Nu is deze manier van de publieke opinie te raadplegen een typisch Engelsche gewoonte, die vooral wanneer het een zoo ernstige vraag geldt, ons vreemd aandoet. Toch was de bedoeling van het blad, de Scotsman, niet vijandig aan de Kerk. Hij wilde door de ingekomen antwoorden te publiceercn juist den predikanten een dienst bewijzen. Wanneer de oorzaken van het kwaad bekend werden, konden de middelen ter genezing het best gevonden worden. Ook buiten Schotland trok deze enquête de aandacht en Foi et Vie, het bekende tijdschrift van Paul Doumergue, gat een kort overzicht van de gepubliceerde antwoorden, waarbij de oorzaken onder bepaalde rubrieken worden gerangschikt.
Waar ook in ons land dit euvel hand over hand toeneemt, niet het minst in de Nederlandsch Hervormde Kerk, daar loont het zeker de moeite zich af te vragen, in hoeverre in Nederland dezelfde oorzaken gevonden worden.
Gelijk te verwachten was, antwoordde een niet gering deel, dat de Kerk met haar dogma's te verouderd was om nog naar haar prediking te luisteren. Wat een onderwijzer schreef: „als een mensch begint te denken, verliest hij de gewoonte om naar de kerk te gaan; ik denk, daarom blijf ik weg", is wel de meest typische uitdrukking van dit „verlichte" standpunt. Men gelooft niet meer aan de schepping, den val, de verzoening door Christus' bloed, de v/onderen, de ingeving der Schrift, en een prediking waarin dit alles geleerd wordt, heeft daarom alle aantrekkingskracht verloren.
Ook zijn er, gelijk wel vanzelf spreekt, tal van lieden, die meenen dat God beter in den tempel der natuur dan in een kerk gebouw kan aangebeden wordenden daarom hun Zondag liever doorbrengen met fiets tochtjes, zeilpartijen, wandelingen en sport.
Maar laat men deze „denkende menschen" en „natuur-aanbidders" buiten rekening, dan zijn er toch ook hier grieven tegen de Kerk die wel degelijk waard zijn, dat men er op let. We bedoelen nu niet in de eerste plaats degenen, die de Kerk vermijden om aesthetische oorzaken. Iemand schrijft: „Ik ga niet naar de Kerk omdat ik Christen wil blijven. Dat is geen paradox. Het slecht gestemde orgel, de kerk vol tocht en de prediker, die door zijn neus praat, missen voor mij alle aantrekkingskracht". En een jong meisje klaagt, dat het haar onmogelijk is haar aandacht bij de preek te bepalen om allerlei hinderlijke oorzaken om haar heen; rechts de lucht van oude tabak, links de lucht van brillantine, van achteren de lucht van pepermunt; ze kon het niet langer uithouden, stond op en ging heen.
Veel aangrijpender is echter de klacht, die nu niet van hyperaesthetische jonge dames, maar van werklieden komt, dat de armen in de Kerk stelselmatig worden achtergesteld. Ojk in Schotland bestaat de gewoonte dat de zitplaatsen verhuurd worden; banken met gemakkelijke zitplaatsen worden gegeven aan degenen, die betalen kunnen, en de armen hebben öf geen zitplaats óf ze moeten met een eenvoudige houten bank zich vergenoegen. „Het slechte systeem van de zitplaatsen die verhuurd worden, met enkele slechte banken hier en daar voor de armen, verdeelt de gemeente in klassen, kweekt een geest van zelfzucht en aanmatiging en is meer dan iets anders de oorzaak, dat men niet naar de Kerk gaat". Ook de open schaalcoUecten zijn voor degenen, die slechts weinig geven kunnen, een aanstoot en ergernis.
Niet minder wordt er over geklaagd, dat in de gemeente zoo weinig sympathie wordt gevonden en dat de predikanten zoo weinig hun gemeenteleden bezoeken. „Ik kwam, zoo schrijft een der beklaagden, zes jaar geleden in dit dorp wonen. Gedurende de vier eerste jaren ging ik geregeld naar de kerk; gedurende de twee laatste jaren was mijn gezondheid te zwak om geregeld te gaan. Maar ik heb slechts twee bezoeken van den predikant gehad en ik heb nooit een gebed van zijn lippen beluisterd in mijn huis. Ik heb veel in dien trjd geleden, maar niet een der geloovigen heeft mij een vriendelijk woord gezegd. Ik ga naar de kerk en ik ga er uiten niet een der aanwezigen zegt mij Eelfs goeden dag. Indien ik hen aanspreek, antwoorden ze op kouden toon en nooit beginnen ze te spreken. Ik behoor niet tot hun klasse, dat is de oorzaak".
En hetzelfde merkt iemand op, die door zijn betrekking veel met de werklieden in aanraking kwam. „Ik geloof niet, dat de predikanten zich rekenschap geven hoe een werkman de woorden van troost en medelijden waardeert, die niemand beter dan de predikant in uren van droefheid geven kan. Er zijn zeker ook andere oorzaken, waarom de kerken verlaten worden, maar die zijn bijkomstig en zouden weldra over 't hoofd gezien worden, indien de predikanten meer deelneming lieten blijken in de moeilijkheden van hun parochieleden". De klachten over hun weinig huisbezoek zijn algemeen; bij den een was de predikant eens in het jaar geweest; bij den ander twee maal in vijf jaar; bij een derde drie maal in tien jaar; bij een vierde eens in vier jaar, niettegenstaande deze menschen toch trouw den dienst bijwoonden. De groote grief is, dat de prediker geen herder is; men heeft behoefte aan een predikant, die in verdriet kan troosten, in moeilijkheden hulp kan bieden, in eenzaamheid een hart vol liefde schenkt. Men wil een vriend, een raadsman, een geestelijken leider, en omdat de predikant alleen „preekt" en verder om zijn gemeente zich niet bekommert, heeft men de kerk verlaten.
Maar ook de prediking zelf geeft tot klachten aanleiding. De prediking sluit zich te weinig aan, zoo klaagt men, aan de behoeften van onzen tijd. „Een preek, zoo schrijft een, is als leem; de kunstenaar kan er een goddelijken vorm aan geven, maar onze arme predikant brengt niet voort dan een vormeloos stuk. Hij heeft een dwaze voorliefde voor Abraham, Izaak en Jakob, terwijl de nooden van het tegenwoordige leven om een geneesmeester roepen. Zondag na Zondag, jaar in jaar uit zag men 't aangrijpende schouwspel van honderden harten, die wachten op de boodschap des harten, die nooit kwam. Een nieuw badwater van Bethesda, maar zonder den engel, die de wateren beroerde." En een arbeider klaagt: De predikanten moeten reeds lang hebben ingezien, dat zij, werklieden, de kerk in haar tegenwoordige gestalte als een nachtmerrie beschouwen. Wij hebben niets tegen den godsdienst; wij zijn trouwe kameraden van den timmerman van Nazareth; wij willen zielen gered zien en wij willen minder preeken voor reeds bekeerden. Maar de predikanten zijn traag in het leeren."
Maar naast deze aanklachten tegen de kerk en de predikanten zijn er ook, die de schuld in de eerste plaats op zich zelf werpen. „Ik zou, zoo schrijft een vrouw, den prediker kunnen aanklagen wegens zijn dorre prediking, zijn gebrek aan ijver en bezieling; of wel den eeredienst, omdat deze zoo weinig uitlokkends heeft, of het gezang, omdat dit zoo langzaam geschiedt, of de vromen om hun onderlinge twisten en partijschappen. Maar dat zijn slechts verontschuldigingen ; de ware oorzaak ligt bij mij zelven. Als kind heeft men mij niet geleerd geregeld naar de kerk te gaan.
De Zondag beteekende: 's ochtends lang uitslapen, 's middags een goede maaltijd en 's namiddags pret' maken. Ik ken mannen Gods, wier eenig doel in dit leven is zielen voor Christus te winnen, maar ik wU hun aangrijpende en welsprekende roepstem niet hooren uit vrees, dat ook ik onder de be koring van het Evangelie zal komen en een christen in den waren zin des woords worden, want dan zou ik veel wereldsche vermaken moeten prijs geven, v/aarin ik nu geniet. Mijn beminde is een niet kerk ganger en haat de preeken. Zondags is de dag waarop we eikaar ontmoeten, 's Namiddags gaan we uit om de natuur te bestu deeren en frissche lucht te scheppen. De geheele week door ben ik in huis opgesloten, maar als ik naar de kerk wilde gaan, zou ik het best kunnen, want ik heb wel tijd voor bals en concerten, 't Is waar dat ik afgemat en vermoeid ben 's Zondags en behoefte aan rust heb, maar 'c is ook waar, dat ik die moeheid evengoed andere ochtenden ken. Ik ga niet naar de kerk, omdat ik het tot geen gewoonte heb gemaakt en omdat ik dien dag nu eenmaal andere afspraken heb. Zoo gaat mijn leven voort en in mijn hart is een diepe droefheid en onuitsprekelijk verlangen naar een Zondag die waarlijk een rustdag is en dien de niet-kerkganger niet kent; maar toch kan ik den beslissenden stap niet doen, die mij leiden zou op den weg naar hoogere dingen."
Ongetwijfeld heeft deze laatste schrijfster wel het diepst de oorzaak van dit kwaad gepeild. Maar dit neemt niet weg, dat uit dit getuigenverhoor der niet-kerkgangers een klacht uit gaat tegen de Christelijke Kerk, en dat niet in Schotland alleen. Menige grief moge slechts een voorwendsel zijn om eigen lusteloosheid te bedekken, maar zeifs deze voorwendsels mag de Kerk van Christus aan de niet-kerkgangers niet laten. En wie het leven der kerk kent, zal waarlijk niet zeggen, dat al deze grieven slechts voorgewend zija. Een prediking vol kracht en bezieling; een trouwe herderlijke zorg voor heel de gemeente; een geven van zijn hart aan de ellendigen en bedroefden, dat is wel het machtigste middel onder den zegen Gods om de nu vaak leege kerken weer te vullen met deze afgedwaalden van de schaapskooi.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1907
De Heraut | 4 Pagina's