Leestafel.
I. DR. H. BOUWMAN, Hoogleeraar aan de Theol, School te Kampen, HET AMBT DER DIAKENEN, Kampen — J. H, Kok — 1907.
Levendig herinner ik mij hoe bij dereformatie, welke men door doleantie beoogde, ook het Diakonaat een voorname plaats had. Vanzelf verrijst dan weer voor mij het beeld van Dr. W. van den Bergh, den bezielden prediker der „barmhartigheid", die over het Diakonaat als over het ambt der barmhartigheid in de relatie tot den Christus Consolator, zoo enthusiast kon spreken. Zoo iemand, dan heeft hij met zijn hoog idealisme, door zijn telkens en telkens wijzen op het doen van den barmhartigen Samaritaan, die goot olie en wijn in de wonden, voor het oefenenen der barmhartigheid door de Diaconie, weer _ bezieling gewekt. Bezieling bij de kerken; bij de ambtdragers zelf; bezieling bij hen, die geroepen zijn om het Diakonaat tot een voorwerp van studie te maken.
Onder de artikelen van het reformatorisch program waarvan men zeggen kan, dat zij in ons kerkelijk leven worden toegepast, kan men dan ook, zonder overdrijving, wijzen op dat over het Diakonaat.
Het Diakonaat leeft onder ons weer op.
In de praktijk onzer diakonieën; in de diakonale conferenties; in, wat zou ik zou willen noemen, de vak-literatuur.
Daarbij ging van onze Vrije Universiteit en van onze Theologische school over de, voorde praktijk zoo noodige, theorie van het Diakonaat een al klaarder licht uit.
Tal van predikanten uit de verschillende akademische generaties, die om PROF. RUTGERS katheder hebben gezeten, namen zijn dictaten over het kerkrecht naar de pastorie meê en bezitten, in wat daarin staat over de verklaring van de kerkenordening, over de artikelen die gaan: „Van de diensten", en daaronder weer over die welke gaan van der Diakenen ambt — een rijken schat van oude en nieuwe dingen, die daar maar niet rustig blijft liggen, maar waaruit zij ter voorlichting voortbrengen. En zoo gaat, van den arbeid van onzen canonicus op dit stuk, een perilampsis, een „rondom lichten" om met vriend PLOTINUS te spreken, uit — ook buiten de universitaire sfeer.
Bleef al de katheder voor de ambtelijke vakken waartoe Dr. VAN DEN BERGH benoemd was maar die hij, de naar menschelijke gedachten te vroeg gestorvene, niet mocht beklimmen, — jarenlang aan onze Universiteit onbezet, met die katheder was men aan onze Theologische School gelukkiger.
Thans worden echter deze vakken aanbelde scholen gedoceerd.
PROF. BOUWMAN doet het aan die te Kampen. Een vrucht zijner bestudeering van het Diakonaat biedt hij ons in zijn jongste werk.
Het bestaat uit vier hoofdstukken met als titels: Geschiedenis van het ambt der diakenen. — De verkiezing voor het ambt der Diakenen. —Het ambt der Diakenen. — Diakonie en Overheid.
Mijn bezwaar tegen het eerste hoofdstuk is, dat het eenerzijds te veel, anderzijds te weinig geeft.
Het geheele hoofdstuk beslaat 49 bladzijden.
Het gaat over: de instelling van het ambt der diakenen; het ambt der diakenen in de oude kerk; het ambt der diakenen in de middeleeuwen; het ambt der diakenen sedert de Reformatie,
Maar als ik nu lees op p, 20, waar van het ambt der diakenen in de oude kerk wordt gehandeld, „de diakenen hielden op voor de armen te zorgen. Hun werkzaamheid beperkte zich tot den eeredienst. De bisschop werd de uitdeeler van de aalmoezen"; en als ik lees op p. 56: „Aan het slot van ons geschiedkundig overzicht komen wij tot deze slotsom, dat het ambt der diakenen, in zuiver Schriftuurlijken zin, alleen in de kerken, die naar de Gereformeerde beginselen leven, gevonden wordt" — dan wil het mij voorkomen, dat de titel niet geheel klopt op den inhoud van dit hoofdstak.
Wat BOUWMAN daarin behandelt, zijn toch twee onderwerpen.
„De geschiedenis van het ambt der diakenen" en „de geschiedenis van de christelijke barmhartigheid".
Maar wijl er èn in de oude kerk èn in de middeleeuwen geen ambt der diakenen „in zuiver schriftuurlijken zin" — en daar hebben wij het dan toch over, — gevonden wordt, valt er uit die tijden ook niet van te vertellen.
Als „de armenzorg behoort tot het werk van den bisschop. De diaken is helper van den bisschop. Zijn werk is het bedienen van bet altaar, het doopen en bet prediken" (p. 56) — dan zijn er geen diakenen in zuiver Schriftuurlijken zin. Wat door BOUWMAN uit die tijden wordt verteld is dan ook, „geschiedenis der christelijke barmhartigheid" en alzoo, wijl het geen „geschiedenis van het ambt der diakenen is', — te veel.
Wat over „de instelling van het ambt der diakenen" en over „het ambt der diakenen sedert de Reformatie" — wordt gegeven is, met zijn 6 en 27 paginas, daarentegen te weinig.
Wij krijgen hier niet meer dan een zeer beknopt overzicht.
Ware „de geschiedenis der barmhartigheid" weggebleven, dan had de geachte schrijver hier ruimte gehad voor een breedere behandeling van zijn onderwerp.
Ook bij het tweede hoofdstuk zij het mij vergund, in alle bescheidenheid, op een bezwaar van methodologischen aard te wijzen.
Zoo op den titel afgaande: De verkiesing voor het ambt der diakenen, verwacht reen, dat
het in dit hoofdstuk zal gaan over de verkiezing voor het ambt der DIAKENEN. NU wordt men in deze verwachting wel niet teleurgesteld, maar tot zijn verrassing krijgt men.weer veel meer dan dit.
De schrijver haalt zijn onderwerp hier diep op. Instee dat hij dadelijk van wal steekt, houdt hij u eerst bezig met de verkiezing tot het kerkelijk ambt in het algemeen. Indien men nu bedenkt dat daaraan van de 27 bladzijden, waaruit dit tweede hoofdstuk bestaat, ruim 12 zijn besteed — dan zal men toegeven dat ook hier aan het bijkomstige te veel plaats is ingeruimd
Dit is ook een methode.
Eene, onder gevolgde. Duitsche geleerden zelfs veel
Maar zij doet mij altijd denken aan die welke HEINE ergens persifleert wanneer hij ver haalt van den man, die schrijven zou „over de voeten der Hamburgerinnen" maar aan dit zijn onderwerp liet voorafgaan: een eerste hoofdstuk „over de voeten in het algemeen"; een tweede „over de voeten bij de ouden"; en een derde „over de voeten der elefanten."
Bovendien had heel dit hoofdstuk, ook als de verkiezing tot het ambt „überhaupt" er af was gelaten, veel korter kunnen zijn. Het werk toch van Dr. H, H. KUYPER, De verkiezing tot het ambt, Leiden 1900, is nog recent; het meelevend kerkelijk publiek kent het nog; en Dr. BOUWMAN bad dus zich zelf en zijn lezers veel moeite kunnen besparen indien hij heel kort en als „leenstelling" uit het kerkrecht had overgenomen wat hij hier noodig had. Hij had zich zelf dan bovendien ruimte bespaard voor zijn eigenlijk onderwerp, waartoe hij komt in zijn derde hoofdstuk: Het ambt der diakenen.
Dit hoofdstuk vult van de 181 bladzijden die het geheele boek telt, slechts 77.
Gevolg hiervan is, dat bij de veelheid van vragen, die de hoogleeraar hier bespreekt, vaak niet meer dan een kort antwoord wordt gegeven.
Hij zegt u dan dat het zoo is, zonder u te doen zien waarom het zoo is.
En nu zijn die antwoorden meest wel juist, maar de wetenschappelijke methode eischt toch ook, dat men de gronden bloot legt.
Met dit al is het werk van PROF. BOUWMAN als handboek over HET AMBT DER DIAKENEN het beste, wat onze literatuur over dit onderwerp op het oogenblik bezit.
De beginselen die er bij voorzitten zijn zuiver en het is een boek ook op de hoogte des tijds.
In hoofdstuk vier, Diakonie en Overheid, wordt gehandeld van de diakonie en de Armenwet; de diakonie en de Kieswet; de diakonie en de Kinderwetten.
Nog zie ik, het was ook al in de dagen der doleantie, broeders diakenen gewapend met JAKOBUS KOELMAN : Het ambt en de pligten derou derlingen en diakenen.
Met allen eerbied voor dit veelszins voortreffelijk werk, zou ik thans willen aanraden, als meer geschikt voor onzen tijd, DR. BOUWMAN'S boek aan te schaffen.
Het is metterdaad, zooals de hoogleeraar zelf het in zijn Voorwoord noemt, een kort en praktisch handboek ten gebruike van diakenen.
Een boek dat in een behoefte voorziet en waarvoor men PROF. BOUWMAN dankbaar mag zijn.
2 DR. L, H. WAGENAAR. MICHIEL ADRIAANSZ. DE RuYTER. Uitgave Neerbosch' Boekhandel.
Een keurig stukje. Niet meer dan 8 bladzijden. Maar in die 8 bladzijden teekent WAGENAAR U in breede trekken het beeld van onzen beroem den Admiraal. Levendig van stijl, laat het zich met smaak lezen. Twee portretten van de Ruyter; een afbeelding van „het rad waaraan hij als jongen draaide" en dat nog te Middelbmg wordt bewaard; een van den toren der St. Jacobskerk te Vlissingen; en nog een van „de „Zeven Provinciën", het Admiraal schip van de Ruyter — zijn er aan toegevoegd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1907
De Heraut | 4 Pagina's