Buitenland.
Duitschland. Uit een Zendingsconferentie.
In een Duitsch blad vonden wij het verslag van eene Zendingsconferenlie in de provincie Saksen gehouden, In dit verslag trof ons het volgende referaat van den Licenciaat Warneck, een zendeling die met verlof in Europa is, over het onderwerp: „Welk eene taak heeft eene Volkskerk die zich uit heidenen aan he'c vormen is, te vervullen? "
Warneck ging uit van de ervaringen die de Rhijnsche Zending na een arbeid van 45 jaar op Sumatra opgedaan heeft, waar eene volkskerk, dat is eene kerk die het geheele volk zal omvatten, zich gaat formeeren. Bij de Heidensche j volken is de religie steeds volkszaak en bij hun communistischen zin volgt op de periode, waarin slechts enkele personen tot bekeering kwamen, eene tweede, waarin geheele familiën en stam men zich tot het Christendom wenden. Daardoor krijgt de zending moeilijke vraagstukken op te lossen en wordt haar eene groote verantwoordelijkheid opgelegd, In de eerste plaats moet het er om te doen zijn het gevaar af te wenden, dat ontstaat wanneer compacte massa's het Christendom gaan aannemen. Daardoor toch kan het geschieden, dat de hoedanigheid der gemeente gaat verminderen en dat de zendingsarbeid, uit gebrek aan krachten, oppervlakkig verricht wordt. Ook is men dan licht geneigd Europeesche verhoudingen in de jonge, zich nog vormende Christelijke Kerk over te brengen. De taak die de zending dan te vervullen heeft, kan men in de drie gezichtspunten groepeeren: i. Organisatie der gewonnenen volgens den aard van het volk. 2. Opvoeding van het gekerstende volk tot kerkelijke zelfstandigheid. 3, Het ver t diepen van het Christelijk volksleven.
I. Kerken die zich tot een gemeenschappelijk t organisme vereenigen, moeten hare betrekkelijke zelfstandigheid ten offer brengen. Maar aan de andere zijde is-het een groot voordeel, dat een gelijke manier van handeling verkregen wordt en dat een Kerkondening wordt opgesteld, die algemeen geldend is. Door deze ordeningen voor het gemeentelijk leven moeten de vraagstukken over de kerkelijke tucht, van 't vormen van ouderlingen, vooral van het onderwijs op de scholen, van het al of niet aan de hand houden van volksgewoonten uitgemaakt worden. Daarbij moet rekening gehouden met de eigenaardigheden van het volk. In Sumatra is van lieverlede een soort van kerkorde als van zelve uit de verhoudingen ontwikkeld. De instelling van ouderlingen heeft zich daar zonder Europeesch voorbeeld gevormd, evenals het ambt der onderwijzers, die als zoodanig geestelijke helpers zijn. Van lieverlede doet zich de noodzakelijkheid gevoelen, dat ook de andere ambten ingesteld worden en dat de arbeidskrachten georganiseerd en in een verband gebracht worden door synoden en conferentiën. Reeds heeft zich op Sumatra een Zendinggenootschap van Bataksche inboorlingen gevormd, dat nu organisch aan de zendingskerk verbonden worden moet.
De opvoeding tot kerkelijke zelfstandigheid moet geschieden doordat men de jonge kerken leert zich zelve te stichten, te besturen en te onderhouden. Als een hinderpaal gelden hier de nationale eigenaardigheden der Christenen uit de Heidenen, zooals bijv. onder de Bataks, de onbetrouwbaarheid der inlandse i. helpers. De vorming van dienaren des Woo ds moet zoo grondig mogelijk plaats hebben en houdt met de aanstelling in de gemeente niet op, maar moet dan nog steeds voortgezet worden. Heel in de verte ligt het nog, dat dienaren des Woords uit de Heidenen worden gekweekt kunnen worden, die in staat zijn den Bijbel zelfstandig in de oorspronkelijke talen tebestudeeren. Zeer gewichtig is het verschaffen vap geschikte christelijke lectuur, het organiseerèn en leiden ook van conferenties, het uitgeven van een blad, dat geschikt is voor helpers en ontwikkelde Christenen, en ten slotte het voortdurend toezicht houden op de praktische werkzaamheid der arbeiders uit de inboorlingen. Ook moet het gevoel van medeverantwoordelijkheid gewekt en levendig gehouden worden. Tot het kiezen van eigen predikanten zijn de jonge gemeenten uit de heidenen nog lang niet rijp. Op Sumatra is men reeds begonnen zich zelve te bedruipen. Naast het opbrengen van een kerkelijk hoofdgeld en het geven van land voor kerkelijke doeleinden, heeft men ook kapitalen saamgebracht die tegen een goedkoopere rente worden uitgeleend dan de in het land gebruikelijke rente van 100 tot 200 percent. Er wordt voortdurend gearbeid om de gemeenten meer te laten opbrengen, en de hoop is gewettigd, dat zij met den tijd de subsidie die zij voor hare scholen van , de Nederlandsche regeering krijgen, kunnen missen.
Aangaande punt 3 punt sprak Licenciaat Warneck er over, dat het persoonlijk Christelijk leven der gemeenteleden dieper moet worden, omdat de zedelijkheid geen gelijken tred houdt met de belijdenis van geloofswaarheden. Bijzondere zorg moet besteed worden aan' het onderwijs en de catechisatie der jeugd. De wortels van het Heidensch volksleven moeten afgesneden worden. Tegen de nationale zonden moet een onverbiddelijke strijd gestreden worden. Bij de vorming van christelijke volkszeden moet op de medewerking van Christelijke hoof den en inlandsche helpers gewicht gelegd worden. Alle gewoonten die niet met het Christendom in strijd zijn, moeten in zwang blijven. Dringend noodig is ook het vastleggen van christelijke rechtsverordeningen en de omwerking van het recht, dat bij het volk in gebruik is, in chris telijken zin, opdat noch het nationale leven noch het christelijke leven schade lijde.
Wij deelden het bovenstaande mede om te laten zien, welk treffelijk werk de broeders der Rijnsche Zending in onze Oost-Indische bezittingen verrichten. Al meenen de Gereformeerde kerken andere wegen te moeten bewandelen in het bearbeiden van Heidenen en Mahomedanen, om ze tot belijdenis van den Christus te brengen, wij kunnen den Duitschen broederen niet anders dan onzen dank brengen voor hetgeen zij ook op Sumatra tot kerstening der inlandsche bevolking deden. Zij deden en doen daar nog wat de roeping is van Neerlands kerk en volk. Beschamend voorwaar.
N. Amerika. Een misstand aangewezen.
De Hope liet in zijn nummer van 12 Maart het volgende drukken: „Het is een gevaar, wanneer het intellectualisme de alleenheerschappij uitoefent in de Kerk des Heeren, en de leden der gemeenten mesnen, dat zij in alle opzichten goede Christenen zijn, indien zij het orthodoxe stelsel voor waar houden. Wanneer dat gevaar dreigt, moeten allen, die een beter inzicht hebben in het wezen des Christendoms, hunne stemmen verheffen tegen zulk eene eenzijdige richting. Er is zonder twijfel eene mystieke vroomheid en eene werkheiligheid, maar er is ook eene leerheiligheid, die even verderfelijk is en werkt als de twee andere valsche richtingen.
Maar is er tegenwoordig veel gevaar, dat men over orthodox wordt? Ik begrijp het niet, hoe men onder de omstandigheden, waaronder wij leven, het zijne roeping acht, te waarschuwen tegen te groote voorliefde voor geloofsbelijdenissen. Waar in de wereld vindt men in godsdienstige kringen scholastieke orthodoxen, die er over uit zijn, de menschen diets te maken, dat geheel het Christendom bestaat in het aannemen van een zeker stelsel van leerstukken? Er mogen bier en daar enkelen zijn, die op de oude paden der scholastieken wandelen, maar de tegenwoordig heerschende richting is anti leerstellig. Beproeft het eens, in een godsdienstige vergadering vragen op te werpen betrekkelijk de leer der voorbeschikking, der verzoening, der rechtvaardigmaking en der heiligmaking, en gij zult groote oogen zien opslaan, wanneer men u zal aanstaren als een man, die over zulke afgezaagde dingen, zoo als men ze noemt, het woord voeren wil. Men verstaat van al die dingen in vele kringen geheel niets, en men weet er ook niets mee te beginnen, wanneer men als probleem opstelt het onderscheid tusschen de gereformeerde leer en het Arminianisme, Men boude toch op met het roepen tegen geloofsbelijdenissen. Het is hoog tijd, dat men de geloofsbelijdenissen eenmaal weer inziet om kennis te nemen van hetgeen bij ons voor zeker geldt. Men wake op en gorde zich aan ten strijde voor het geloof."
Ook ten onzent is de belangstelling in de leerstellige waarheden eenigermate aan het afnemen, gelijk wij vreezen. De mindere vraag naar „oude schrijvers" schijnt hiervoor een bewijs, al worden de dogmatische werken van nieuwe schrijvers nog goed verkocht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1907
De Heraut | 4 Pagina's