Leestafel.
W. H, GISPEN, Wet en Genade. Twaalf leerredenen. Boekhandel voorheen HÖVEKER EN WORMSER, Amsterdam.
Door PROF, V, OOSTEEZEE'S Praktische ThiOlogie heb ik indertijd het boekje van NAPOLEON RoussEL leeren kennen, waarvan de tiiel in het Hollandsch is : Hoe men niet preeken moet. Of tiet 'm nu zit in dien naam NAPOLEON, dan wel in dien pakkenden titel weet ik niet, maar wel weet ik, dat „hoe men niet preeken moet", mij sedert altijd is bijgebleven.
En dat was soms lastig genoeg.
In den tijd toen ik zelf week aan week een preek maakte, was het vaak buitengewoon lastig voor naijn gevoel van zelfvoldaanheid en droeg het niet weinig bij mij een onlustgevoel over eigen werk te bezorgen. Ik heb iemand eens van een ander hooren zeggen — van zichzelf is men gewoonlijk verstandig genoeg zoo iets niet te zeggen — „hij is verliefd op zijn eigen preeken". Het kwaadaardig criticisme dat voor mij zit in het: „hoe men niet preeken moet", heeft bij mij echter altijd het opkomen zelfs van zulk een affekt in den weg gestaan. Mocht ik van deze mijn papieren kinderen — want op tiet stuk van preeken maken ben ik stok-stijf conservatief; ik zet ze van A tot Z op papier — sommigen kort na hun geboorte, het een meer het ander minder, al met eenig welgevallen aanschouwd hebben, omtrent hun volkomen welgeschapenheid was ik toch nooit geheel en al gerust, en hoe ouder zij werdgn des te meer openbaarden zij mij hun gebrekkelijkheid. „Hoe men niet preeken moet" — is dan ook mee de aanleiding geweest, dat ik op een mcoien dag het heroïek besluit nam en uitvoerde, een kanselarbeid van vele jaren, om het nu eens plechtig te zeggen, in vlammen te doen opgaan. En dat „hoe men niet preeken moet" was ook in ander opzicht lastig. Als ik onder het gehoor zat. Ik ben de gemakkelijkste hoorder, dien men denken kan.
Ik zit nooit „critisch" onder het gehoor, want ik kom om gesticht te worden en ik houd het maar met die oude ziel, die gewoon was te zeggen, dat zij „al tevreden was als ze maar een paar troostrijke eindjes kreeg". Wanneer de exegese maar niet bepaald onzinnig is; bij de extra-en ook inter-confessioneele verschillen niet lang wordt stil gestaan — iets wat opzichzelf zeer nuttig is, maar, naar mijn bescheiden meening, meer bij de behandeling van den Catechismus op zijn plaats is —; wanneer de dogmatiek, die zeker evenzeer in een preek moet zitten als de anatomie in een geschilderd of gesculpteerd menschenbeeld, doch er niet uit moet steken als een ellepijp of een spaakbeen bij zulk een beeld, — niet te preeminent is; doch wanneer het goede woord van mijn
God iB**r ^^^^ ^"^ bondig verklaard en voor hart en leven wordt toegepast, dan ben ik steeds met genoegen onder het gehoor. Dan schenk ik u __ al ben ik voor zulk een wèl-toebereide toespijs nu niet bepaald onverschillig, — alle homiletischè en oratorische en zelfs esthetische delicatessen.
Een van de bemmlijkste dingen, die naar ik uit goede bron weet, v. OOSTEEZEE eens gezegd heeft, is mij zijn woord toen hij, na onder een heel geleerde en diepzinnige preek te hebben gezeten, ongetroost te huis kwam": „een oefenaar had mij kunnen stichten !”
Zwijgt gij maar stil, ik weet het ook wel; 20o'n oefenaar preekt niet, maar spreekt slechts een stichtelijk woord. Doch zulk een stichtelijk ffoord zou ook mij oneindig liever zijn dan een preek die, hoe wijsgeerig en dogmatisch ook, hoe rijk bovendien nog aan de zooeven genoemde delicatessen, mij niet stichtte omdat er niet cf niet genoeg inkwam van den eenigen troost in leven en sterven.
Maar niettegenstaande ik in oprechtheid kan verklaren, dat ik een gemakkelijk hoorder ben, is mij dat „hoe men niet preeken moet", nu wel eens lastig geweest als ik onder het gehoor zat.
Het was dan niet zoozeer de herinnering aan de preek, de idee-preek, die ik in de wereld mijner idealen geschouwd heb, en de daarmee verbonden waarneming van het verschil tusschen voorbeeld en schaduwbeeld dat mij smart veroorzaakte, — dat heb ik altijd bij mijn eigen preeken; — maar het was de smart over het gemis, niet maar over het bloote gemis, maar sterker, over de privatie, de berooving, over dat wat voor mij een preek hebben moet, niet missen kan, zooals 'n mensch niet missen kan zijn oogen. 't Is een groote dertig jaar geleden dat ik voor het eerst bekend werd met NAPOLEON ROÜSSEL'S boekje: ^ce men niet preeken moet,
ED nu een paar dagen geleden, maakte ik kennis met de twaalf gedrukte preeken van GISPEN, wiens uitgesproken preeken ik nooit met de zooeven omschreven smart, maar altijd met genoegen gehoord had.
Ik heb deze twaalf preeken gelezen, opmerkzaam gelezen, in één stuk doorgelezen.
En dat zegt wat.
Een gedrukte preek verliest zoo tegenover een gesprokene.
En wie leest twaalf preeken achter elkaar, indien zij niet meer dan gewoon, indien het geen superieur werk is !
En dat zijn deze twaalf preeken.
Aan GISPEN'S Wet en Genade zal zich dan ook voortaan voor mij verbinden de gedachte: hoe men preeken moet.
Ik laat de kategorie van predikers, die op hun eigen preeken verliefd zijn, zoo verliefd, dat zij er geen gebrek in kunnen zien; ik laat hen, die hun eigen preek-methode zoo voortreffelijk vinden, dat zij het zonde zouden achten daar iets in te veranderen, — er buiten.
Maar ik en anderen met mij, die tot deze kategorie niet behooren, zullen moeten getuigen : metterdaad deze zeventigjarige leert ons hier: hoe men preeken moet.
De menschen zijn tegenwoordig zoo - ge'eerd, al meê doordat zij schrikkelijk veel gelezen hebben.
Ook op het stuk van preeken.
Zij praten van subjectieve en objectieve, van verbondmatige en individueele en ook al van sociale preeken. Het laatste wat ik onlangs op dil stuk, niet gelezen, maar gehoord heb, was: preeken waarin wordt „gesepareerd" en waarin niet wordt „gesepareerd", hetwelk overgezet in onze taal, zooveel zeggen wil als : preeken waarin scheiding gemaakt wordt tusschen bekeerden en niet-bekeerden, en preeken waarin dat niet geschiedt.
Het mooie nu in GISPENS preeken is, dat zij al die genres vereenigen; nooit eenzijdig, nooit overmatig, en ook nooit aanstellerig zijn.
Zij zijn „verbondmatig" zonder dat er veel van „verbond" in gesproken wordt; zij zijn „sociaal" zonder dat dit, thans voor velen zoo dierbare woord, er zelfs in genoemd v/ordt; zij leeren u niet alleen „hoe het wezen moet", i maar ook „boe het komt; zij sterken uw religie k des harten en ook uw religie in het leven; g schilderden u niet alleen voor de oogen wat uw God in Christus voor u, maar ook wat Hij door o zijn Geest in u doet; zij zijn, al wijst GISPEN ook aan hoe onmogelijk het is om den genade-E staat van onze medebdijders met juistheid te beoordeelen (p. 229) wel degelijk „onderscheiden W lijk", al hebben zij ook niet een toepassing in W drie deelen: wee, wee ! — ach, ach!— en juich, juich!
Zij zijn zoo eenvoudig.
Zoo waarachtig.
Hier is een man van oprecht geloof en rijke levenservaring aan het woord.
Een man nederig van hart, die God, zichzelf en zijn medemenschen kent.
Hij zegt zulke teedere en innige dingen, die alleen zijn te weten door wie van God geleerd is.
Hij zegt ook zulke rake dingen; zulke petiilante dingen; dingen waarin fonkelt zijn heilige humor.
Daar zijn woorden in dezen bundel, die ik zou willen bijeenbrengen onder den titel: Licht stralen.
Zoo b. v.: „Het bruidskleed van witte zijde is van de wormen afkomstig, en het aangebeden lichaam der draagster van dit kleed zal ook eens door de wormen gegeten worden". (p. 47). „Geloof is vertrouwen, rusten in en gehoorzamen aan een belofte, een woord, een instelling Gods." (p. 48). „Onze tijd lijdt geweldig aan de zonde der onmatigheid; er is een onmatigheid in alle dingen, zelfs in het bestrijden der onmatigheid", fp. 197). „C-eluklug dat er staat: Jezus had Maria en Martha en Lazarus lief, want anders zou lichtelijk bij sommige Christenen de vraag kunnen rij 2 en: Mu die Martha nu ook een bekeerd mensch zijn geweest? " (p. 200). „Tot de relfverloc-che Ding behoort ook het somtijds moeten ontberen van geestelijke genietingen, en die zeifverlooche ning kan wel eens veel zwaarder vallen dan het gemis van stoffelijk goed, of zinnelijk genot" (p. 210).
Maar de man, die uit bescheidenheid den liem, door Amerika verleenden, doctorstitel nooit gebruikt, heeft met deze uitgave zijner twaalf leerredenen zeker allerminst bedoeld te leeren: hoe men preeken moet.
Hèm was het daarbij niet om de theorie der predikkunde, maar om de praktijk der godzalig heid te doen.
En daarom, al is het, dat ik en wellicht ook anderen aan deze modellen^van leerredenen kunnen leeren hoe wij preeken moeten, — waarbij ïnen uit begeerte tot navolging zich moet wach ten van in nabootsing te vervallen, — zij zijn meer dan modellen.
Niet, of althans niet allereerst voor de school, maar voor het leven zijn zij bestemd.
Niet in het museum of op het atelier, althans k niet uitsluitend, maar in de huiskamer en in de e leeskerk, in het volle leven is haar plaats.
Daar moeten zij gelezen en voorgelezen worden. Opdat zij stichten.
De uitvoering is, gelijk wij dat van de uitgaven van den heer WORMSER gewoon zijn, voortreffelijk. Het welgelijkend portret van den geliefden prediker, tegenover het titelblad, verhoogt de waarde van het bezit van dit zijn werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1907
De Heraut | 4 Pagina's