„Ik weet uwe werken”.
Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kuntdragen; en gij beproefd hebt degenen die uitgeven dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden. Openb. 2:2.
Zachte, verkwikkende vertroosting vloeit u toe, als dat „ik weet uwe werken" ook tot u in uw ziel door uw Heiland gefluisterd wordt.
Zoo heel anders dan wanneer een bedillerop u afkomt en u toebijt: „Ik weet er alles van, ik weet wat gij gedaan hebt." Die bediller zoekt u. Hij is uw gangen nagegaan, om u te bespieden. En nu weet hij 't. Hij is er achter. Hij heeft u betrapt. Ea nu komt hij u zijn bitter woord als een giftige vlijm in 't hart steken. Nu weet hij alles van u. Hij weet uwe werken. En door ruchtbaar te maken wat hij weet, poogt hij u te vernietigen.
En, ook buiten bedilling en giftige vijandschap, bezit het gunstig oordeel van menseben, die zeggen „uwe werken te weten, " o, zoo weinig opbouwends voor uw hart. Op uw graf zetten ze u in 't goud, bij uw leven vleien ze u, en wie, zonder vleitaal, u voor anderer oor waardeert, wekt vanzelf, hoe ook onbedoeld, zoo licht anderer benijding tegen u op. Meer, het is zoo, trekt ge voordeel uit der menschen critiek op uw doen en laten. Want al zijn er, die geen critiek velen kunnen, er zich tegen in harden, en er wrevelig onder worden, toch weet wie wijs is zper wel, hoe in het scherpste oordeel dat over hem gaat, hoe overdreven en eenzijdig ook, toch altijd een korrel waarheid en daarom een korrelke goud schuilt. En wie God vreesde, begreep steeds, dat ook in het hardste oordeel van menschen, toch altoos een waarschuwing van zijn God tot hem kwam. Simeï kon. David niet vloeken, als God niet tot Simei gezegd had: Vloek David. En het is maar de vraag, of ge dat even klaar als David inziet.
Iets verteederen ds daarentegen komt er in acderer oordeel dan eerst, als ge merkt dat er liefde in spreekt. Een waarschuwend woord van een vader of moeder, van een zuster of broeder, die in alles toonen in liefde aan ons verbonden te zijn, maakt dat ons hart opengaat, en liefst laten we, in vertrouwelijk gesprek, hen nog dieper in ons hart zien. Dan bedoelen we zelfkennis, dan is het onze toeleg om vooruit en verder te komen. En daarbij is hun stil vermaan, hun waarschuwend woord ons een steun op den levensweg. EQ meer dan ge zelf weet, dankt ge er uw vormiog ea uw ontwikkeling aan, zoo ge van kind af door deze critiek der liefde omringd waart. Want het is wel zoo, dat we zelfs bij dat teedere, heilige vermaan, allicht geneigd zijn, om er tegen i n te gaan en ons vrij te pleiten. Maar wie de verzenen niet tegen de prikkels slaat, veelt daarna toch wat er waars aan was, en zoo vaak met een traan in het oog wordt dan van achterd e schuld beleden, en met een kus der innigheid gedankt yoor het waarschuwend woord.
Eo al vindt ge ook in den huislijken kring wel overprikkelde, overgevoelige, laatdunkende en zelfzuchtige naturen, die zelfs tegen het teederste woord als een egel de pennen opzetten, regel is dit toch niet, en vooral in het Christelijk gezin werkt de verteedering van het gemoed onder het liefdevol woord van vermaning nog altoos geestelijke wonderen van zelfontdekking en heiliger zin.
Maar ver boven dit alles uit gaat toch altoos de invloed van Jezus op uw hart, zoo ge zijn gemeenschap voor uw ziele vondt, den verborgen omgang met uw Heiland kent, en zoo hij 't u uit den Hooge toefluistert: „Ik weet uwe werken”
Dan toch ligt daarin niet allereerst een verwijt, maar veeleer een heerlijke bemoediging.
Lees het maar in de brieven aan de Zeven Gemeenten onder de zeven kandelaren, en immers altoos, waar het kan, begint Jezus met het goede in zijn gemeente te eeten in de vrucht der genade, d. i. in het uitbotten van de bloesems aan de twijgen van haar geestelijk leven.
„Ik weet uwe werken en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen." E»n ander maal: „Ik weet uwe werken, en gij houdt mijnen Naam, en gij hebt 't geloof niet verloochend." Of wederom: „Ik weet uwe werken en liefde, en dienst en geloof, en uw lijdzaamheid.”
Niet afstootend, maar waardeerend en bemoedigend. Niet om neer te slaan, maar om op te heffen. Niet om u in uw zonde terug te werpen, maar om u moed in te spreken op den pelgrimsweg. Daarna komt ook de scherpe vermaning, de niets sparende bestraffing. Maar voorop gaat het woord dat ons staande houdt en het geloof aan ontvangen genade bevestigt.
Een kind van God leeft van genade, maar het is juist daarom de zoo innige behoefte van zijn hart, te weten, te merken, dat die genade hem toekomt en niet zonder vrucht in hem blijft. Juist die zalige wetenschap echter wordt zoo telkens in ons verdonkerd door het boozs dat men in zijn eigen hart vindt. En dan komt een belijder zoo licht onder den indruk dat hij niet vordert, niet vooruitkomt, dat hij de oude zondaar bleef, en dat hij wel om genade bad, maar dat de krachtige doorwerking van die genade in zijn ziel zich wachten liet.
Feitelijk nu is dit bij ware Ctiristenen toch niet alzoo. Ze kotnen wel vooruit. Ze vorderen wel. Ze worden zeer zeker met genade gedreakt, en rusteloos gaat het werk van hun Heiland in hun ziel door. Onder vallen en opstaan, het zij zoo. Maar Jezus laat niet af. Hij voleindigt het werk dat zijn hand begon. En de vrucht is er welterdege. Maar het oog moet er voor opengaaa. We moeien voor Gods werk in ons binnenste niet blind blijven. Als de Heere ons eens had losgelaten, hoeveel banger zouden we er aan toe zijn
En daarom is het eerste woord van Jezus niet een woord van verwijt, maar een woord om ons moed in te spreken: Hoe ook uw zonde u nog aanklaagt, en wat ook de menschen van u zeggen en denken, vrees niet, ik weet uwe werken, het geloof werkt wel waarlijk in u. En ik uw Heiland, die dit in u wrocht, ik zie 't, ik weet 't, ik heb voor u gebeden, en voor u gedankt. Niet satan, maar uw God, zag ik in uw hart triomfeeren. Ge hebt geworsteld, ge zijt gestruikeld, over o, zooveel moest nog het kleed der verzoening gespreid; maar de winste was er toch, ge zijt vooruitgekomen, er waren heerlijke uitingen van geloof en van liefde en van lijdzaamheid, die ik, uw Heiland, in u wrocht.
En dau leeft de ziel weer op. Ze grijpt weer moed. Ze wikkelt zich weer los uit het webbe der zelfvertwijfeling. Ze dorst 't zelve niet bekennen, dat er een werk der eere in het hart gaande was. Maar nu uw Heiland het u toefluistert, dat hij 't ziet, dat hij 't weet, dat hij 't wrocht, en dat 't hem in ondank miskennen zou zijn, indien ge aan de werkelijkheid van uw innerlijke opbouwing niet geloofdet, nu neemt ge 't van hem, op zijn woord, aan, en nieuwe vesrkracht waakt in u op, om, zoo waarlijk ge een kind van God zijt, dan ook als een kind van God u te betoonen Moed, maar ook vernieuwde kracht stort Jezus u in, als hij in die heilige beteekenis dit: Ik weet uwe werken, ook u toefluistert.
Zoo vertroost hij u tegen eigen zelfverwijt. Hij hergeeft u 't zelfvertrouwen van 't geloof. Hij herschenkt u 't geloof aan uw innerlijke opbouwing. Nieuwe overwinning glanst u uit het verschiet tegen. En met de vleugelen zijner liefde overschaduwd, voelt ge uw voet vaster staan op den glibberigen weg, die door de verleiding van 't leven leidt.
En hierdoor gesterkt, vertroost en bemoedigd, is uwe ziel dan ook bereid, om de keerzij van dit: „Ik weet uwe werken, " op u zelf toe te passen. Uw Heiland weet ook, hoe dikwijls ge uitgleedt. Hij kent ook uw struikelingen. Hij ziet ook de kleine afgoodjes die ge nog in de binnenkamer van uw hart verbergt. Hij is u gevolgd op al uw weg. Hij heeft beluisterd elk woord dat over uw lippen kwam. Tot in uw gedachtenwereld en in de wereld uwer zondige voorstellingen is hij u nagegaan. Ge zijt zijn verloste. Hij kan u niet uit het oog verliezen. En ook dit hebt gij hem aangedaan, dat hij getuige moest wezen van al uw ontrouw, van al uw twijfel, van al uw verborgen ongeloof en van al uw heimelijke zonden. Dat is zijn liefde. Hij moet dat alles aanzien en dragen. Geen plek van uw innerlijke melaatsch heid wordt hem gespaard. Gij kunt hem geen blinddoek voor de oogen werpen, om te zondigen zoodat hij 't niet ziet. En juist daardoor verkrijgt uw zonde voor u het dubbel onheilig karakter, dat ge niet alleen Gods heilige wet vertreedt, maar ook uw Heiland pijn aandoet in zijn liefde, in zijn liefde voor u. Hij weet uwe werken. Hij weet wat er goeds in was, maar hij weet ook al wat er onheiligs in school. Al wat er goeds in was vloeide uit zijn liefde u toe, en al wat er onheiligs in school, was van die liefde een beleediging.
Een verwijt dus ook, dat zieldoordringend woord: „Ik weet uwe werken, " maar een verwijt in den teedersten zin. Een verwijt dat een beroep doet op uw liefde voor hem. Hij is uw herder die u zocht en zoekt, en hem hebt ge afgestooten. Hij is uw Heiland die u roept en trekt ten eeuwigen leven, en hem hebt ge in zijn liefde bezeerd door hem den aanblik van uw ontrouw, van uw ongeloof en van uw zonde niet te sparen.
En dan kan het niet anders, of ge voelt u veroordeeld, ge voelt zelfverwijt en bittere spijt, maar in dit oordeel, in dit verwijt zelf drong opnieuw zijn liefde op u aan, onderving en omarmde u. Ge voelt de besprenging met zijn bloed. Verzoening ruischt door uw ontrust gemoed. Het glijdt u al weer van de schouders af. En weer fluistert hij 't u toe: „Ik weet uwe werken", om weer naar het genadewerk, dat zoo kostelijke vrucht in u droeg, u terug te roepen. En, vaster weer aan uw Heiland geklemd, fluistert er een stem in u, die u toeroept: „Ik weet zijne werken, " het werk dat bij in mij begon, en 't werk dat hij ook in mij zal voleinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1907
De Heraut | 4 Pagina's