Voor Kinderen.
TWEE WERELDEN.
NIET VERDER,
XXIV.
Wat was er met Rika gebeurd?
Dat wist in 't eerst niemand te verklaren, en ook de geneesheer, die, al was 't nacht, dadelijk gehaald werd, kon het niet opeens met zekerheid zeggen.
Niet vóór den volgenden middag kwam het meisje, al'bans in zooverre tot bewustzijn, dat zij de voortdu-end gesloten oogen weer opende, en met een uitdrukking om zich heen staarde, als van iemar.d die schrikt. Een poos later begon zij ie spreken, maar 't was wartaal, die niemand begreep. De dokter schudde zeer bedenkelijk het hoofd, schreef geneesmiddelen voor, en verrccht Riba's ouders te waarschuwen, wijl niet te voorzien was, hoe het met haar zou afloopen.
Inmiddels had de directeur, die met zijn leer lingen nog afspraken had te maken, zich toen hij Rika niet zag verschijnen, op wie hij zoozeer rekende, naar haar huis begeven. Met schrik hoorde hij vsn mijnheer Brandwijk wat er dien nacht was voorgevallen, en kwam er zoo van zelf toe, om ie vertellen wat plannen er beston den, en hoe Rika daarbij betrokken was.
„Nu g-at me een licht op, " sprak mijnheer Brandwijk. „Ik zag gisteren wel, dat zij heel den dag erg gejaagd was, maar bf-greep na tuurlijk volstrekt niet waarom. Ik had haar daarom aangeraden, vroeg ter rust te gaan, maar ik zie ze, heeft dien raad niet opgevolgd. T-ch, mijnheer, was het dunkt mij ook wat veel gevergd van haar, in zoo weinig tijd.”
„Gevergd heb ik niets, " was 't antwoord. „Het is louter liefhebberij en ik heb ervaren, dat wat men voor zijn genoegen doet, doorgaans ook goed gaat. Toch heb ik zooveel spijt als haren op mijn hoofd, 't Kwam ook alles zoo in eens, en natuurlijk, nu kan het plan niet doorgaan.”
Het duurde niet lang of Rika kreeg hevige koorts, waarin zij voortdurend ijlde en geheele verzen opzei, met een stem zoo luid, dat men het in de naaste kami.r duidelijk hooren kon. Ook vloog zij telkens op maakte allerlei ge baren en klapte dan weer in de handen. 't Was, zoo als iemand ? ei, die haar bezocht, „om naar van te worden.”
Hevig verschrikten haar ouders, die zoodra mogelijk gekomen waren, toen zij huti dochter in zulk een toestand vonden, die, zoo 't scheen, weinig hoop liet.
’t Was nu duidelijk, dat Rika in haar ijver om nog klaar te komen, en haar vrees dat zij misschien zou te kort sc'oieten, al te veel van zich zelf had gevergd, en daardoor zich over spannen en een gevaarlijke ziekte op den hals gehaald had. 't Feest ging intusschen toch door. Een andere leerlinge las nu het vers, waar Rika zich aan had ziek gestudeerd, en werd er luid voor geprezen.
Vier weken lang zweefde de zieke om zoo te zeggen tusscben leven en dood. Eerst daarna kwam er een keer ten goede. De koorts minderde, zij kwam weder geheel tot kennis, doch vodde zich nu zoo zwak, dat het haar zelfs bijna onmogelijk was de hand op te heffen.
Met alle zorgvuldigheid werd Rika verpleegd. Door de gunst des Heeren, dien het geliefde de middelen te zegenen, begonnen ten slotte cok de gevolgen der ziekte te wijken, en sterkte zij allengs aan. Toen zij nu voor het eerst weer op mocht zitten, wenschten mijnheer en mevrouw haar hartelijk geluk, en hadden de kamer met bloemen gesierd. Rika glimlachte van genoegen toen ze het zag en de dokter zei: „Nu win nen we wat juffrouw; 't is op 't kantje af geweest.”
„Op 't kantje af." Rika begreep wat hij bedeelde. En misschien verstond zij er de beteekenis nog beter van dan de geneesheer zelf. Al was er veel gebeurd sinds zij jong was, al had zij de wereld lief gekregen en al baar begeerlijkheid, toch was hetgeen zij vroeger geleerd had, geenszins uitgewischt, mocht ook haar geheugen niet alles bewaard hebben, 't Is een voorrecht, vrienden, als we in onze jonge jaren van den weg der zaligheid hooren, en de goede woorden Gods leeren, die toch nooit anders dan door het hoofd tot het hart komen. Menig meisje of jongen, die het verdrietig vond een tekst of vers te moeten leeren, heeft nader hand zich verblijd dat hij ze kende.
Rika kon nu althans zich voorstellen, hoe het geweest zou zijn, als het eens „over het kantje" r was gegaan. Wel sprak in haar omgeving daar niemand over, of dacht er wellicht ook maar aan, doch de zieke des te meer. Ze gevoelde nu een vrees, als ze vroeger nooit had gekend; ze was den dood nabij geweest, en begreep thans hoe terecht de Schrift zegt, dat er tuss"hen den dood en ons maar één schrede is.
Van alle kanten kwamen gelukwenschen met haar herstel. Van ouders, broer Kobus, vrienden, van den directeur, die al vaak mooie bloemen had gezonden, en 't was als deed ieder zijn best, om haar het gebeurde te doen vergeten. Zelfs had niemand er haar ook maar een verwijt van gemaakt, dat zij door onvoorzichtigheid zich, wel beschouwd, de ziekte berokkend had. Kortom, alles scheen weer lot het oude te zullen terugkeeren, en de directeur zei: „Houd je maar flink. Dan kom je er wel weer bovenop”.
Op een middag zat Rika in de tuinkamer, voor de opengeslagen deuren, en koesterde zich in den lekkeren zonneschijn. Ze had HU weder de gezonde tint van vroeger, wat kleur op de wangen, en hoopte binnenkort weder haar gewone taak te kunnen hervatten.
Al zittende kreeg zij lust om te lezen, wat zij dusver nog niet weer gedaan had. Zij nam een boek uit de kast en begon. Wat zij las weet ik niet, maar wel dat bet haar boeide. Gewoon vlug te lezen, had zij in korten tijd een twintig bladzijden afgedaan, toen het haar eensklaps was als begonnen de letters te dansen. Ze kon ze niet meer onderscheiden.
„Ik ben nog te zwak, " zei ze bij zich zelf, het boek neerleggend „'t Is jammer, maar ik moet het nog een beetje uitstellen.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1907
De Heraut | 4 Pagina's