Leestafel.
I. DR. H. BAVINCK, Hoogleeraar te Amsterdam. Magnalia Dei. Onderwijzing in de Christelijke Religie, naar Gereformeerde Belijdenis, Doesburg, J. C. van Schenk Brill, 1907.
Onze „oude schrijvers" — en ik denk daarbij bepaald aan die onder hen welke van de leer stellige waarheden handelen, zooals FRANKEN, BRAKEL, MARCK, MASTRICHT — worden, wanneer men enkele mannen en vrouwen van de straks heengaande generatie en verder de vakmenschen, de theologen van professie, uitzondert, niet meer gelezen.
In vele gereformeerde gezinnen, met name op den buiten, prijken ze nog wel op het boekenrek in de woonkamer, met hun banden tanig-geel of bruin-rood, maar ze doen daar denzeltden dienst als de chineesche poppetjes op den schoorsteenmantel of het oud-HoUandsch porcelein aan den wand.
Alleen een vrouwehand grijpt er nu en dan nog naar; zooals ze ook nu en dan grijpt naar de poppetjes en de bordjes; — om ze aftestofifen. £Q de gelukkige bezitter van deze „oude schrijvers" weet ook wel, dat hun waardij verre is beneden zijn chineesch en porcelein.
Dat was voor 'n vijf-en-twintig jaar heel anders.
Daar kan ik van meepraten, die als jong predikant, vol jeugdig enthusiasme voor de toen pas herleefde gereformeerde theologie, van het „oude goed", — zooals de altijd zwaar met mij dogmatiseerende eigenaar van 't muf riekend, volgestouwd winkeltje, dat ik op een van deRotterdamsche havens ontdekt had, het in meer mercantieele dan pieuze taal noemde — schier niet genoeg kon krijgen; steeds er op uit mijn collectie te completeeren; spijtig aangedaan als je soms juist zoo'n heel prijzige vanwege zijn, altijd na de levering, gebleken leerstellige of ook wel andere onzuiverheid niet houden kon; iets wat mij, bij mij toen geringe ervaring op het stuk van oude boeken en nog geringere op dat van oude schrijvers, meer dan eens overkomen is.
Maar al weet ik, dat zelfs de marktprijs mij ner oude schrijvers verre is gedaald, toch verheug ik mij nog altijd in hun bezit. Mij zijn zij lief, en dat niet alleen als vakman.
Ik heb er veel aan te danken.
Toch is er, welbezien, geen reden tot droef heid, dat ze, op enkele uitzonderingen na dan, door het tegenwoordige geslacht niet meer worden gelezen.
Dit toch vindt voor een goed deel zijn oorzaak in, om met BAVINCK te spreken, de herleving en het tot nieuwen bloei gekomen zijn van de Gereformeerde religie en theologie in de vorige eeuw, waarbij het niet beeft ontbroken aan pogingen om de oude Belijdenis aan te passen aan het moderne bewustzijn. En gaarne onder schrijt ook ik dat andere woord uit de Voorrede van BAVINCK'S MAGNALIA wat hij hierop laat volgen: „Wat met name DR. KUYPER door zijn vele werken, inzonderheid ook door zijne rijke Catechismus-verklaring, daartoe bijgedragen heeft, is schier voor geen overschatting vatbaar."
De materie toch door deze onze oude schrijvers behandeld, is verwerkt door DR. KUYPER in zijn werken.
En die werken prijken o6k op het boekenrek en in de boekenkast.
Doch waarlijk niet maar alleen tot wandversiering.
Die worden gegrepen, óok door vrouwenhanden; maar om ze — gelijk mij nog onlangs bleek bij een dorpsjufifrouw, die Het werk van den Heiligen Geest goed had doorgewerkt — te bestudeeren.
En daaraan hebben de menschen gelijk. Want in KUYPERS werken vinden zij, wat zij als kinderen van onzen tijd niet missen kunnen, de aanpassing van de oude Belijdenis aan het moderne, d. w. z. aan het hedendaagsche bewust
zijn. „Toch ontbreekt nog altijd, " om weer met BAYINCK te spreken, „een werk dat den inhoud van het Christelijk geloof naar de gewone orde voor de breede kringen van het volk verklaart en door bescheiden omvang en prijs binnen hun bereik blijft."
Met andere woorden: een populaire dogmatiek.
Een hand-en leerboek voor de Gereformeerde geloofsleer.
Zeker, wij hebben in dit genre ook de Gereformeerde Geloofsleer van GRAVEMEIER. Maar, van hoeveel eruditie dit werk ook getuigt, men kan nu juist niet zeggen, dat het de onmisbare aanpassing van de oude Belijdenis .aan het moderne bewustzijn tot stand heeft gebracht. Ds. GRAVEMEIER was onder de Hervormde predikanten, die ik in mijn leven ont moet heb, een der beste kenners onzer oude Theologie; een man van groote belezenheid en eerbiedwekkende geleerdheid. Hij had ook in Duitschland gestudeerd; daar THOLUCK gehoord. Maar, desniettemin —ik herinner mij nog altijd, dat, toen ik op 'n schemeravond in de pastorie van zijn zoon te OOSTHEM, eerbiedig naar hem uisterend, even mijn oogen sloot, het mij was of ik 'n lyde-eeuwer hoorde — hij was geen man van onzen tijd.
Zijn boek, hoe veelszius uitnemend ook, is
decadent werk. Doch wat GRAVKMEIER niet geven kón, kan en zal nu BAVINCK geven.
Hij, als KUYPER, een Gereformeerd dogmatius van onzen tijd.
En die voorspelling is niet gewaagd.
Van de Magnalia Dei — deze uitheemsche titel is ontleend aan de Latijnsche Bijbelvertaling, die in Handelingen 2 : ir, waar de ènze heeft: „wij hooren hen in onze talen de groote werken Gods spreken", luidt: „audivimus eos loquentes nostrisjinguis magnalia Dei — ligt nog maar de eerste aflevering voor mij.
Dan, reeds de 3 §§ welke deze aflevering bevat — het hoogste goed; de kennis Gods; algemeene openbaring — wijzen er op, dat de bedoeling van den schrijver is, in deze onderwijzing, in de Christelijke Religie, naar Gereformeerde Belijdenis, een populaire bewerking te geven van zijn, voor akademisch onderwijs ge schrevene, zoo voorname Gereformeerde Dogmatiek.
Dezelfde materie dus als daar; in gelijken geest bewerkt; alleen niet voor menschen van akademische opvoeding.
Wezenlijk dus hetzelfde; alzoo ook met dezelfde eigenschappen, die de Dogmatiek eigen zijn en onder welke die der bezonnenheid tegenover de problemen, mij een der voortreffelijkste is; alleen verschillend in den vorm.
En deze 3 §§ wijzen ook uit, dat het BAVINCK gelukt in populairen vorm te schrijven; zijn wetenschap te populariseeren.
Moge hij in zijn MAGNALIA DEI tot en met de „leer dèr laatste dingen" komen.
Zeker zal ook dit werk dan weldra prijken in het woonvertrek van het Gereformeerde gezin onzer dagen; en bet zal er worden gegrepen om er te worden gelezen; tot leering en stichting.
2. HENDRIK MULDER. Laatste Dag. Haarlem.
H. J. VAN DER MUNNIK. Dit werkje van maar 32 bladzijden is No. 17 van den 2en Jaargang van 2? ^ 0«'< z»; V-& m onder redactie van C. G. van As. Tegenover de goedkoope schelmen-en misdadigers-lectuur, erger hersenvergif dan alcohol, welke door gewetenlooze uitgevers aan de markt wordt gebracht, tracht de Oranje-Serie het leeslustig publiek van nog goedkooper, maar dan gezonde lectuur te voorzien.
Zij doet dit ook weer met MULDER'S Laatste Dag.
Dan, niet alleen gezonde maar ook keurig toebereide geestesspijs wordt in dit werkje geboden.
Het gegeven is dood eenvoudig.
De „laatste dag" vóór het vertrek uit de Haarlemsche duinen van een ouden daglooner met zijn vrouw en een jonge weduwe, die een tijdje naast hen gewoond heeft, naar Amerika; naar zijn daar in goeden doen gekomen jongens, waarvan een de man van het weeuwije zal worden.
Maar nu is, en dat geeft aan dit schetsje zijn artistieke waarde, èa het zielbeweeg dier drie menschen, die hun omgeving staan te verlaten, — de man en zijn vrouw daarin óok het graf van een hunner jongens; de weduwe daarin ook het graf van haar man — zoo in-teer geteekend; èn die omgeving zelf met die drie menschen en hun gedoe er in, zoo mooi gezien en in woorden zoo vaardig uitge beeld.
Fijn werk.
3. Mr. P. A. DIEPENHORST, Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Naast het Kruis de Roode Vaani Amsterdam. H. A. van Bottenburg.
Met dezen klinkenden titel, die, men lette er wel op, een vraag is, wordt bedoeld, of Godsdienst en Socialisme vereenigbaar is. In een rede, onder dien titel, in den afgeloopen winter op verschillende plaatsen in ons land gehouden, trachtte Mr. DIEPENHORST aan te wijzen, dat die vraag ontkennend moet be antwoord; beproefde hij de onvereenigbaarheid van godsdienst en socialisme aan te toonen.
Deze rede ligt thans in druk voor mij.
Wie de rede vroeger gehoord heeft of er, gelijk ik, nu zij gedrukt is, voor het eerst kennis mee maakt, zal, indien hij nog voor overtuiging vatbaar is, moeten toegeven, dat het MR. DIE PENHORST metterdaad gelukt is de onhoudbaarheid der samenkoppeling van Christendom en Socialisme aantetoonen.
Het irreligieuse, het anti-godsdienstige van het Socialisme wordt er met de stukken in aange wezen.
Ik acht deze rede een machtig middel tegen de misleiding der schare; een middel ook, om voor zelfmisleiding de oogen te openen.
De materialistische wereld-en levensbeschou wing van hèt Socialisme in nu eenmaal niet te vereenigen met de Religie.
En als verweermiddel tegen de listige omleidingen van hèt Socialisme, èn als oogenzalf voor sommige christenen, wensch ik deze, met groote kennis van zaken, in keurigen stijl geschreven rede, een ruime verspreiding.
Met het geleuter van christen-socialist moet het nu eens uit zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 juni 1907
De Heraut | 4 Pagina's