Buitenland.
Engeland. Episcopaalsche klooS' ters. Scheiding van kerk en staat.
Dezer dagen werd voor een Engelsche rechtbank de Toogood-zaak behandeld, waardoor het opnieuw openbaar werd, hetgeen we reeds lang wisten, dat in de Engelsche Staatskerk het kloosterleven steeds meer gezocht wordt. De regels van het klooster te Toogood bleken geheel in Roomschen geest te zijn. Ieder die zich daarin begeeft, is absolute gehoorzaamheid aan de „superieure" verschuldigd, men moet daar stilzwijgen tegenover vreemden, en behoort bij de moeder te biechten. Een Engelsch blad zegt hierover! „Wij hebben er recht op te weten door wie het klooster werd gesticht, of het bloeit onder de hoede van den Êpiscopaalschen bisschop en of het open is voor inspectie. De Anglicaansche kerk is wettig de kerk van dit land. Het is een Frotestantsche kerk, en daarin is geen ruimte voor het kloosterleven.”
Dit is wel waar, doch de Episcopaalsche kerk beweegt zich nu eenmaal in Roomsche richting en daartegen helpen maatregelen, door de over heid genomen, niet. Het is gebleken dat processen tegen hen, die Roomsche ceremoniën in de Protestantsch Episcopaalsche kerk invoerden, niets hebben uitgewerkt. De Romaniseerende Etroom is in de laatstp zestig jaren steeds sterker geworden. Ook het rapport van de Engelsche Staatscommissie, dat zich scherp tegen de Ritualistische praktijken uitliet, en waarin beweerd werd dat de bisschoppen der Engelsche staatskerk daartegen hadden te waken, heeft tot hiertoe niets uitgewerkt.
In het Engelsche Lagerhuis werd een voorstel aangenomen waarin te lezen staat, dat het voor het welzijn van het volk en voor den Godsdienst wenschelijk is, dat in Engeland en Wales de Kerk van den Staat gescheiden wordt. Hoe de Engelsche regeering hierover denkt, sprak de minister Birrell in dezer voege uit: Een Staatskerk heeft dan alleen recht van bestaan, wanneer ieder in den Staat dezelfde Godsdienstige overtuiging bezit; maar zulk een toestand is ondenkbaar, of de meerderheid eener bevolking moet andersdenkenden met geweld tot hare geloofsovertuiging willen dwingen. Daartoe zal het bij ons wel niet komen. Kunnen wij daartoe niet besluiten, en zeker is er niemand die dit wil, dan zie ik niet in, hoe iemand het voortbestaan der Staatskerk rechtvaardigen wil. De kloof tusschen Staatskerk en de vrije kerken wordt steeds grooter. Wil men de Staatskerk alleen daarom laten bestaan, opdat zij, die tot geen kerkelijke gemeente behooren, in geval van nood ook een kerk zouden hebben, dan doet men daarmede de Staatskerk geen eer aan. Velen koesteren de overtuiging, dat de Staatskerk voor den Staat tot geen nut is. Er is geen voorbeeld van, dat de band van de Kerk aan den Staat in tijden van zware beproeving tot eenig nut geweest is. Eerst dan, als de Kerk vrij wordt van den Staat, zal zij een geestelijken zegen aan het T olk brengen.
Men ziet hieruit, dat ook in Engeland aangestuurd wordt op scheiding van kerk en staat. Doch hoe geheel anders openbaart zich dit streven, als in Frankrijk. In Engeland wil men de kerk vrij maken om haar tot grooteren zegen te doen zijn voor het volk en om de onbillijkheid tegenover de vrije kerken weg te nemen; in Frankrijk verscheurt men dien band, om de kerk ten onder te brengen.
Men denke echter niet dat de scheiding in Engeland zoo spoedig zal tot stand komen. En er is ook nog een Hoogerhuis in Engeland en dat zal zich met hand en tand tegen de vrijmaking van de staatskerk verzetten.
Frankrijk. Een begin van organisatie der Geref. kerk. Het „Oeuvre des prêtre s." Godsdienstwetenschap in de scholen.
In het eind der vorige maand heeft de rechterzijde van de Fransche Gereformeerden in de prachtige H. Geest kerk te Parijs eene nationale Synode gehouden. Deze vergadering was uitsluitend eene vergadering van personen die ge rekend kunnen worden tot de rechterzijde te behooren; het centrum of de middenpartij en de linkerzijde of de modernen waren daarbij uitgesloten. Uit het bericht omtrent deze vergadering konden wij niet weten, op welken con fessioneelen grondslag deze vergadering zich heeft geconstitueerd. Het budget voor het jaar 1908 werd vastgesteld op 1, 469 300 fr. Uit dit cijfer zouden wij kunnen afleiden, dat de meeste Gereformeerden in Frankrijk tot de rechterzijde behooren. De tractementen der predikanten werden verdeeld in vier klassen. Men verklaarde dat de Theologische faculteit van Montauban het eigendom der kerk was, terwijl voor de openstaande leerstoelen dier faculteit door de Synode benoemd werden de predikanten Perrier, Arnal en Buisson. Er werd ook bepaald dat de leerlingen van de Theologische school voor voorbereidend Hooger Onderwijs te Parijs voortaan niet meer aan de Theologische faculteit te Parijs, maar te Montauban studeeren zouden. De synode was niet ongenegen om met allen die den Protestantschen naam dragen, te vergaderen om de belangen, die men met dezen ge meen heeft, te behartigen.
Tot onze spijt konden we van deze belangrijke vergadering niet meer te weten komen. Het is echter een reden tot blijdschap, dat de rechterzijde opgetreden is gelijk zij deed, en zich niet heeft laten vinden om, gelijk men het uitdrukt, „met alle leden van het groot Pro testantsche hufsgezin" te vergaderen.
Sedert 28 jaar bestaat in Frankrijk het z.g. „Oeuvre des Piêtres", eene vereeniging die zich ten doel stelt, priesters der Roomsche Kerk, die hunne kerk wenschen te verlaten, in staat te stellen, óf in de Theologie te studeeren opdat zij eene Frotestantsche Kerk zouden kunnen dienen, óf een andere plaatsing te bezorgen. Verleden jaar werden veertig gewezen priesters door deze vereeniging geholpen, waarvoor eene som van 21.000 fr. uitgegeven werd. Tot hiertoe werd die arbeid geleid door den heer F. Meillon. Deze heeft zich echter daaruit teruggetrokken, om zich geheel aan de organisatie van vrije cultusgemeenten te kunnen wijden, waarbij hij tot hiertoe weinig succes had.
Merkwaardig is het, dat een groep mannen die tot de vrijdenkers te rekenen zijn, waaronder bekende namen als Hovel, Vernes, Aulard voorkomen, zich tot de Kamer van afgevaardigden gewend heeft met verzoek, om op de lyceënen zelfs op de lagere scholen de geschiedenis van den Godsdienst te laten onderwijzen. Zij zeggen dat zij verlangen, dat aan de jeugd zal geleerd worden wat de geschiedenis weet van de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments; zij willen dat het primaat van den bisschop van Rome wetenschappelijk zal wedersproken worden, terwijl zij ook verlangen dat de geschiedenis van het pausdom en zijn strijd mat Frankrijk, tot den jongsten kamp van het clericalisme met de republiek, der jeugd zal voorgehcuden worden.
Men ziet hieruit dat de Fransche radicalen en socialisten niet tevreden zijn met godsdienst loos onderwijs: de scholen moeten dienst doen tot bestrijding van de religie. Arm Frankrijk!
Australië. Verkeerd optreden van een missionair.
Als we de levensgeschiedenis van den apostel der Nieuwe Hebriden, John Paton, lezen, bewonderen wij dezen dienstknecht des Heeren, wijl hij steeds het kwade door het goede zocht te overwinnen. Zijn positie als zendeling heeft hij nooit weten te handhaven door middel van de kracht der Engelsche kanonnen, 'al deed ook van tijd tot tijd een Engelsch oorlogsschip het eiland waarop hij arbeidde, aan, en al gebeurde het een enkele maal dat dit den inboorlingen schrik aanjoeg.
Volgens de „Age" van Melbourne in Australië heeft zich echter een zendeling op de Zuidzeeeilanden zoozeer vergeten, dat op zijn aandrang een dorp, door inboorlingen bewoond, door een Engelsch oorlogsschip werd gebombardeerd. Naar aanleiding daarvan dringt , jThe Missionary Review" er op aan, dat deze zendeling ontslagen of althans van die plaats zal verwijderd worden. Het geval was aldus:
In de nabijheid van de Solomongroep eilanden ontving de Engelsche Kruiser „Prometheus" bericht, dat sommige kustbewoners van bet eiland Malaita den Ëngelschen zendeling, die bij Port Royalist was gestationeerd, bemoeilijkten. De „Prometheus" stoomde er terstond op af met den zendeling aan boord. Toen men het dorp in het gezicht kreeg waar sommigen verblijf hielden, die zich aan de zending vijandig hadden betoond, wierp de „Prometheus" aarop eenige bommen, nadat de inboorlingen ie het oorlogsschip hadden zien aankomen, op de vlucht waren gegaan. Hierop begaf de zendeUng zich naar zijn huis, terwijl het oorlogschip zijn reis vervolgde.
Het blad uit Melbourne maakt hierbij de olgende opmerkingen:
„Dit zijn de naakte feiten van eene gebeurenis, zooals die in de laatste halve eeuw gedurig laats had. Door deze voorvallen kan men geen oogen dunk krijgen van de Engelsche beschaing. De bevelhebber van de „Prometheus" oge zich verontschuldigen cp grond hiervan, at hij handelde zooals in zoodanige omstandigeden gewoonte is; maar dit is dan ook de enige rechtvaardiging van zijn gedrag. Hij is lleen afgegaan op de verklaring van den zeneling. Hij heeft zich niet de moeite gegeven m ook de andere partij te hooren; ja zelfs de eschuldigden niet eens de gelegenheid gegeven m zich te verdedigen. Hij nam het voor den endeling op en ging de eigendommen verwoesten van menschen, die wellicht gansch onschuldig aren. Al de inwoners van het dorp toch waren iet schuldig aan het kwaad, dat hun ten laste werd gelegd. En nu moest de goede het met den kwade ontgelden. Kan de uitkomst iets anders zijn, dan dat de inboorlingen van Malaita voortaan alle blanken als onrechtvaardigen en vijanden beschouwen? De personen, die hen mishandelden, kennen ze niet, maar ze zullen zich wreken op den een of anderen blanke, dien ze in hun macht hebben, door roof en sluipmoord.”
Men heeft Engeland wel eens verweten dat het de zending gebruikt om zijn gebied uit te breiden. Nu is het bekend dat Engelands honger naar koloniaal gebied, onverzadigbaar is. Het is wel meer gebeurd dat Engelsche zendingsvrienden missionairs uitzonden. Na eenigen tijd gearbeid te hebben, brengen zulke zendelingen klachten in over tegenstand, die zich ook wel in feitelijkheden of daden van vijandschap openbaart. De geschiedenis van John Paton en van zoo menigen anderen zendeling is daarvoor ten bewijze. De Engelsche regeering meent het dan voor hare onderdanen op te moeten nemen, opdat deze rustig het Evangelie zouden kunnen verkondigen, en daarom worden de inboorlingen dan getuchtigd. En om den vrede verder te bewaren is dan noodig, dat Engeland het land onder zijn gebied neemt. Zoo wordt dan de zending het middel om Eogeland's heerschappij uit te breiden. Of dit op den duur zoo zal blijven gaan, is zeer de vraag. Het Japansche volk , heeft getoond wat het vermag, wanneer het zich op de manier der Westersche volken weet te wapenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1907
De Heraut | 4 Pagina's