Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Genadeverbond en zelfonderzoek.

10 minuten leestijd

XXXVI.

Amsterdam, 5 Juli 1907.

De bedenkingen, die men gemeenlijk tegen de verbondsbeschouwing der gemeente aanvoert, zijn hiermede weerlegd geworden. Ze berusten ten deele op misverstand; ze richten zich tegen een eenzijdige en dies on ware verbondsbeschouwing; maar ze vallen van zelve weg, zoodta de verbondsbeschouwing der Schrift in hare rechte beteekenis in het licht wordt gesteld.

Maar daarom is het dan ook dubbel noodig, dat degenen, die deze verbondsbeschouwing op den kansel brengen, voor alle eenzijdigheid en overdrijving zich wachten. Het is uitnemend, dat de heilige verbondsleer der Schrift weer aan de prediking ten grondslag wordt gelegd. De gemeente mag naar Gods Woord niet anders beschouwd worden dan als een gemeente van geloovigen. Dat is haar eeretitel, dien men haar niet ontrooven mag. Wie het veld-en merkteeken van Christus draagt, mag niet beschouwd worden door de Kerk als behoorde hij nog tot het leger van satan. De Kerk heeft hem voor een krijgsknecht van Christus te houden, hem als zoodanig aan te spreken en te behandelen. Dat wil God de Heere; dat eischt Hij van ons in Zijn Woord; daarvan gaf Hij ons het exempel in de brieven der Apostelen. En zoolang we Gereformeerd willen zijn, d, w. z. ons onbepaald aan Gods Woord willen onderwerpen, hebben we aan dezen regel van Gods Woord ons te houden. Niet ons subjectief gevoel, maar Gods Woord moet hier voor ons beslissen.

Maar wie op deze eene zijde der waarheid alleen den nadruk laat vallen, en vergeet, dat datzelfde Woord Gods even ernstig en even beslist op zelfonderzoek aandringt, halveert Gods Woord en maakt zich evenzeer schuldig aan ongehoorzaamheid jegens God den Heere als wie de verbondsbeschouwing op zijde schuift om alleen op het subjectief gevoel af te drijven. De ware prediking brengt het volle Woord Gods en niets heeft aan de verbondsleer meer nadeel toegebracht, haar meer in opspraak gebracht bij de gemeente en meer verzet bij de ernstiger denkenden tegen haar doen ontstaan, dan deze eenzijdige prediking van het verbond, waarbij wel telkens herhaald werd, dat alle gedoopte kinderen als wedergeborenen en alle volwassenen als geloovigen moeten worden beschouwd, maar zonder dat in die prediking tegelijk de ernstige roepstem tot zelfonderzoek werd beluisterd. Het scheen soms, alsof in de oogen dezer predikers de geheele gemeente alleen uit ware kinderen Gods bestond; alsof er geen hypocrieten of huichelaars meer in de gemeente werden gevonden. Van een „onderscheidende" prediking was geen sprake meer; het onderscheid tusschen den goddelooze en den rechtvaardige werd niet meer gehoord. Opzettelijk zweeg men over den eisch van bekeering. Indien heel de gemeente als bekeerd werd beschouwd, dan was het ook niet noodig op geloof en bekeering aan te dringen. Zulk een prediking was goed voor heidenen, maar niet voor de gemeente van Christus. De prediking in de Christelijke Kerk had alleen ten doel de „geloovigen" op te bouwen in het geloof, ze verder te brengen op den weg des levens, waarop ze reeds wandelden. Maar een ontdekkende, zielsaangrijpende prediking, waarbij de hoorder voor de ernstige vraag geplaatst werd: zijt ge door Christus verlost van uwe zonden werd niet meer gehoord. En de indruk moest wel ontstaan, ook al was dit niet zoo bedoeld, alsof wie maar gedoopt en in de Kerk was opgevoed, wel zeker van zijn zaligheid kon zijn.

Zulk een prediking nu gaat even beslist in tegen Gods Woord als een methodistische prediking, die de gemeenteleden als onbekeerden beschouwt, met het verbond der genade niet rekent, en al haar kracht alleen in den eisch der bekeering zoekt. Gods Woord leert het ons anders. En ook hier geldt: Tot de Wet en tot de Getuigenis ! Zoo ze niet spreken zullen naar dit woord, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben.

Vraagt men nu wat Gods Woord ons leert, zoo moet natuurlijk wel scherp onderscheid gemaakt worden tusschen de verschillende personen, tot wie de prediking zich richt. Wanneer de Apostelen van Christus optreden in een heidensche bevolking om daar voor het eerst het Evangelie te prediken, dan kan dit niet zonder meer ais regel gelden voor de prediking in een Christelijke gemeente. De beroemde rede, die Paulus op den Areopagus hield voor de Atheners, zou in dien vorm op den kansel eener christelijke kerk niet passen. Vergelijkt men deze toespraken der Apostelen tot de heidenen, met wat diezelfde Apostelen aan de Christelijke gemeenten schrijven, dan springt dit onderscheid terstond in het oog. En een prediking, die naar de zendingsredenen van de Apostelen zich richten wilde, zou aan het karakter der Christelijke gemeente te kort doen.

En evenzoo heeft men zelfs binnen den kring van het verbond der genade wel rekening te houden met de gansch onderscheiden toestanden, die zich hier kunnen voordoen. De profeten hebben Gods Woord verkondigd niet aan de heidenen, maar aan m Israel, Gods uitverkoren volk, dat in heti o verbond der genade stond. Maar die profeten traden meestal op in een tijd, dat Israel aan zijn hooge roeping ontzonken was, dat slechts een „overblijfsel der genade" werd gevonden, dat het grootste deel van het volk in afgoderij en afval van God leefde. Daarbij kwam, dat de vorm van het volksverbond waarin onder Israel het genadeverbond optrad, maakte dat van een heilig houden van het verbond nauwelijks sprake was. De Kerk trad niet op onder het volk, maar viel met het volk saam. In de dagen van Elia waren er slechts zeven duizend, die de knie voor Baal niet gebogen hadden, en toch gold heel Israel als verbondsvolk van God. Dat de prediking der profeten onder die omstandigheden een gansch ander karakter moest dragen dan de prediking der Apostelen, die niet in een volkskerk optraden, maar in een kerk van geloovigen, waar de tucht gehandhaafd werd, spreekt wel vanzelf. Men behoeft de brieven der Apostelen aan de Christelijke gemeenten slechts naast de redevoeringen der profeten te leggen, om dit onderscheid klaar en duidelijk te zien. Dat onderscheid nu mag in de prediking niet uit het oog worden verloren. We leven niet onder de Oudtestamentische, maar onder de Nieuwtestamentische bedeeling; niet in een volkskerk, maar in een kerk van geloovigen. En niet de prediking der profeten, die zich richt tot een afvallig volk, maar de prediking der Apostelen, die rich richt tot de Christelijke gemeente, heeft daarom voor onze prediking in de eerste plaats tot richtsnoer te zijn.

En zelfs hiermede is nog niet genoeg gezégd. Wanneer men de brieven der Apostelen opslaat, die ons wel het zuiverst een beeld geven van hun prediking in de Christelijke gemeente, dan treffen we ook hier weder onderscheid aan. Reeds in de brieven van Paulus komt dit onderscheid in het licht, maar nog veel sterker in de brieven, die de Apostel Johannes op last van Christus aan de zeven genieenten in Klein-Azië schreef. Elke gemeente wordt op een onderscheiden wijze aangesproken naar haar innerlijke geestelijke toestand is. De toon van de brieven aan Smyrna en Philadelphia is een gansch andere dan aan de gemeente van Sardis en Laodicea. Waar de Apostel weet, dat de gemeente „den naam heeft dat zij leeft, maar geestelijk dood is", of bij „zich zelve meent rijk en verrijkt te zijn" en niet weet, „dat ze ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt is", — klinkt het woord van vermaan geheel anders, dan waar de gemeente „met kleine kracht Christus Woord bewaard heeft en den naam van Christus niet heeft verloochend". En zoo heeft de prediking ook in onze dagen rekening te houden met den geestelijken toestand der gemeente. Indien de prediker te doen heeft met een gemeente waar een warm en bezield geloofsleven wordt gevonden, waar de Geest des Heeren krachtig werkt, waar de scheiding met de wereld scherp wordt getrokken, daar zal hij een geheel anderen toon moeten laten hooren, dan wanneer hij ontdekt, dat het naam-christendom de overhand krijgt, alles opgaat in uitwendige vormen, de wereldsch-gezindheid de kerk binnendringt, en het waarachtige geloof wordt gemist.

Maar al moet met dit drievoudig onderscheid rekening worden gehouden, waarop de Schrift zelf ons wijst, toch zijn er in de Schrift wel klare en duidelijke uitspraken te vinden, die voor alle tijden en voor alle gemeenten gelden en die daarom in geen enkele prediking mogen worden verwaarloosd.

De Apostelen van Christus, om bij hen ons uitgangspunt te nemen, hebben nooit nagelaten elk lid der gemeente tot zelfonderzoek te manen. Pau'us schrijft aan de gemeente van Korinthe in den tweeden zendbrief: Onderzoekt u zei ven, of gij in het geloof zijt, beproeft u zelven. Of kent gij u zelven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt". (II Kor. 13 : 5). En inzonderheid dringt hij op dit zelfonderzoek aan bij het Avondmaal, waar hij in den eersten brief aan dezelfde gemeente schrijft: Maar de mensch beproeve zich zelven en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker, want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zich zelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren". (i Kor. II : 28 en 29) Een vermaning, die reeds de profeten onder Israël hadden laten hooren, waar ze spraken : „Doorzoek u zelven nauw, ja doorzoek unauw, gij volk dat met geenen lust bevangen wordt!" (Zef. 2:1.)

En niet alleen dat zoo de algemeene vermaning uitgaat tot dat zelfonderzoek, „of men in het geloof is", maar de Apostelen komen er telkens op terug, waar ze de heerlijke voorrechten der gemeente beschrijven. „Die in het vleesch zijn, schrijft ie Apostel Paulus aan de Romeinen, kunnen Gode niet behagen. Doch gijlieden — die tot de gemeente van Christus behoort — zijt niet in het vleesch, maar in den geest, — dat is de eeretitel, dien de Apostel hun geeft — zoo anders de geest Gods in u woont; maar zoo iemand den geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe'' — dat is de vermaning tot zelfonderzoek (Rom. 8 : 9). En evenzoo in den brief aan de Hebreen: Wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden" (Hebr. 3:4). Dit zoo anders, of zooals wij zouden zeggen: oo althans waar is wat ge heet te zijn, komt telkens in de brieven der Apostelen terug. In Rom. 8:17: En indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; zoo wij anders met hem lijden, opdat wij met Hem verheerlijkt worden". En in I Petrus 2:2, 3: En als nieuwgeborene kinderkens zijt zeer begeerig naar de redelijke, onvervalschte elk, opdat gij door dezelve mocgt pwassen, indien gij anders gesmaakt Z hebt, dat de Heere goedertieren is".

Zoo ziet men hoe de verbondsbeschou­ e wing der gemeente eenerzijds wordt ge­ i handhaafd. De Apostelen .gaan uit van de n gedachte, dat de gemeente uit nieuwge­ nvbl boren kinderkens, uit geloovigen, uit geestelijke menschen bestaat. Dat is hun onderstelling. Maar waar ze niet schromen dit zoo beslist mogelijk uit te spreken, wordt er telkens aan toegevoegd: gij zelf o mensch hebt te onderzoeken, of dat alles in waarheid van u gezegd kan worden, of het ook van u persoonlijk geldt. Want zoo iemand den geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe, die draagt den naam van Christen ten onrechte. En indien het geloof in u ontbrak, dan zoudt ge straks in den dag des oordeels toch verwerpelijk bevonden worden.

Een prediking, waarin diezelfde ernstige vermaning niet voortdurend beluisterd wordt, deugt niet, gaat in tegen Gods Woord, kweekt valsche gerustheid en zorgeloosheid en maakt dat de prediker niet rein is van bet bloed der zielen, die hem zijn toebetrouwd en die mede door zijn schuld zouden verloren gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Genadeverbond en zelfonderzoek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's